Waar komt ‘belijdenis doen’ vandaan?, belijdeniscatechisatie Hervormd Amstelveen

Toen je naar de middelbare school ging, ben je waarschijnlijk op catechisatie gegaan. Je hebt een aantal jaren catechisatie ontvangen en nu zit je op de belijdeniscatechisatie.
Fijn dat je er bent! Je maakt nu deel uit van een eeuwenoude traditie. Ontelbaar veel christenen zijn je al voor gegaan. Maar, waar komt ‘belijdenis doen’ eigenlijk vandaan? In deze les kijken we kort naar deze vraag.

Door: J.W.J. Treur

De Bijbel

Het zal je misschien verbazen, maar er wordt nergens in de Bijbel gesproken over het doen van openbare belijdenis vooraan in de kerk. De Heilige Doop wordt wel bevolen in de Schrift.[1]
Kijk maar in Mat. 28:19: ‘Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.’ 

Ook het Heilig Avondmaal is duidelijk een instelling van de Heilige Schrift. Kijk maar in 1 Kor. 11:24-26: ‘Neem, eet, dit is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt. Doe dat tot Mijn gedachtenis. Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het gebruiken van de maaltijd, en zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed. Doe dat, zo dikwijls als u die drinkt, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als u dit brood eet en deze drinkbeker drinkt, verkondig de dood van de Heere, totdat Hij komt.’

Zo duidelijk als dit het geval is met doop en Heilig Avondmaal, zo onduidelijk is dit met onze kerkelijke gewoonte tussen doop en Avondmaal.[2] En daarbij, het doen van belijdenis is geen sacrament.[3] Toch heeft het een duidelijke plaats gekregen in de kerk.[4] Maar, zo vraag je je misschien af: als het niet duidelijk in de Bijbel bevolen wordt, waar komt het gebruik dan vandaan? Zetten we zo geen gewoonte of gebruik boven de Schrift?

Het antwoord is nee. Hoewel er nergens een uitdrukkelijk bevel tot belijdenis doen gevonden wordt, wil dit niet zeggen dat het on-Bijbels is. Integendeel! Op verschillende plaatsen in de Bijbel komen de woorden ‘belijden’ of ‘belijdenis doen’ voor.[5] Deze woorden staan veelal in verband met de volgende twee zaken:

1. In de eerste plaats, met het belijden en erkennen van het zondaar zijn. Denk maar aan Psalm 32:5: ‘Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE. En Ú vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde.’

2. In de tweede plaats heeft het ook alles te maken met het belijden van Jezus Christus als Zaligmaker van de zonde.[6] Een prachtig voorbeeld hiervan is de bekende belijdenis van
Petrus in Mat. 16:15-17: ‘Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? Simon Petrus antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Zalig bent u, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard.’

De kerkgeschiedenis

Het doen van belijdenis is dus Bijbels. Maar het gebruik van openbare belijdenis vooraan in de kerk, waar komt dat vandaan? Om daar antwoord op te geven moeten we terug in de kerkgeschiedenis. Daarbij kijken we eerst naar de Vroege Kerk, daarna naar de Rooms-katholieke kerk in de Middeleeuwen en vervolgens naar de Reformatie en de Nadere Reformatie. Als christen mogen we staan op de sterke schouders van de geschiedenis en meeliften met de wijsheid van vele duizenden jaren.

Het gebruik van het doen van openbare belijdenis gaan terug tot de Vroege Kerk. Onder de Vroege Kerk wordt de periode verstaan uit het begin van onze jaartelling.[7] Na de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag is de kerk sterk gegroeid. In de eerste tijd waren het vooral volwassenen die opgenomen werden in de gemeente. De meesten kwamen uit het heidendom over tot het christendom.[8] Zo gebeurde het dat de gemeenten niet zozeer groeide door de geboorte van jonge kinderen, maar door volwassenen die overkwamen uit het heidendom. Hoewel men de kinderdoop kende, werden er n de begintijd vooral volwassenen gedoopt.

Echter, dit gebeurde niet zomaar. Er ging eerst een periode van onderwijs aan vooraf. Zo kreeg men bijvoorbeeld les over de doop en het Heilig Avondmaal, het onze Vader, de Tien Geboden en over de praktijk van een waar christelijk leven.[9]
En dit is eigenlijk ook heel logisch. Stel je voor dat je lid zou worden van een vereniging maar je hebt geen idee waar ze voor staan en wat voor activiteiten ze organiseren.
Dat zou vreemd zijn! Zo is het eigenlijk ook wat betreft de kerk. Hoewel verstandelijke kennis maar een kant van de zaak is, kan de christen niet zonder kennis.

Aan het einde gekomen van de periode van onderwijs werd men, veelal, in de Paasnacht gedoopt. Eerst deed men belijdenis en daarna volgde de doop. Belijdenis en volwassendoop waren dus onlosmakelijk met elkaar verbonden.[10] Je deed dus belijdenis om gedoopt te worden en door de doop kreeg je toegang tot het Heilig Avondmaal. En dat is nog steeds zo.

Geleidelijk aan nam de kinderdoop meer toe. Omstreeks het jaar 250 was de kinderdoop al heel gemeen.[11] Toch had dit een negatief gevolg, namelijk dat het onderwijs aan de kinderen verwaarloosd werd. Omdat men gewend was eerst onderwijs te geven en daarna te dopen, vergat men prompt onderwijs te geven na de doop van het kind. Zodoende was er veel onkunde! Een ander apart verschijnsel was dat kinderen deelnamen aan het Avondmaal. Ze waren immers gedoopt, en in de Vroege Kerk nam men ook direct na de doop deel aan het Avondmaal. Toch ging het pas echt mis toen de Roomse kerk er een sacrament bij bedacht, het zgn. ‘vormsel’.

Dit vormsel hield in dat iemand gezalfd werd en de handen opgelegd kreeg. Nu deed men dit in de Vroege Kerk direct na het dopen, maar langzamerhand heeft de Roomse kerk dit losgemaakt van de doop. Uiteindelijk werd dit dus een sacrament, wat belangrijker werd geacht dan de doop en het Heilig Avondmaal(!), het zgn. ‘vormsel’.

Voortaan werden de kinderen eerst gedoopt en als men zeven jaar werd, ontving men het vormsel, waardoor toegang tot het Heilig Avondmaal werd gegeven. De gedachte was dat de in de doop gegeven genade pas door het vormsel werd bevestigd en voltooid. De doop gaf onvolledige genade dacht men.[12] Dit was een grove belediging voor Christus!

Het is daarom logisch dat de Reformatie (16e eeuw) hier kritiek op levert. Calvijn wijst daarom het sacrament van het vormsel radicaal af. Toch ziet ook hij in dat het heel nuttig is om een bepaald gebruik in de kerk te hebben ter afsluiting van de catechisatie en ter toelating tot het Avondmaal.[13] Zo is het doen van openbare belijdenis ontstaan, zoals wij dat nu kennen.

Calvijn vond ook dat de jongeren na hun doop als kind onderwijs moesten ontvangen. Zo’n gedoopt kind draagt namelijk het merkteken van Gods genade.[14] Daarom heeft de doop ook als doel dat de kinderen verzorgd en onderwezen worden in de vreze des Heeren en opgevoed worden in alle christelijke godsdienstigheid.[15] Catechisatie is dus voor de jeugd van de gemeente. Men zag dit zelfs als een verplichting! De doop verplicht tot catechisatie. Belijdenis is er als toelating tot het Avondmaal.[16]

In de tijd van Nadere Reformatie (17e-18e eeuw) veranderde er een aantal zaken. Was het ten tijde van de Reformatie nog gevaarlijk om te geloven, in de Nadere Reformatie was dit al veel gewoner. Niet langer was het gevaarlijk om lid te worden van de kerk, nee, het was zelfs voordelig! Wie bijvoorbeeld burgemeester wilde worden, moest lid zijn van de kerk. Het is te begrijpen dat velen zich bij de kerk voegden.[17]

Dit maakten onze oudvaders voorzichtig. Het was duidelijk dat er ook onbekeerde mensen belijdenis deden en aan het Avondmaal gingen. Zelfs mensen die in openbare en goddeloze zonden leefden. In deze tijd werden de zgn. belijdenisvragen opgesteld. Ook benadrukte men sterk de noodzaak van wedergeboorte voordat men aan het Heilig Avondmaal ging. Dit is een Bijbelse notie. Zonder een waar geloof kan men geen belijdenis doen en ook niet aan het Heilig Avondmaal deelnemen. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen en daarom is het onmogelijk om zonder geloof de goede belijdenis af te leggen.[18] Het ware geloof ziet op Christus en Zijn verzoenend sterven. Daarom is Hij de kern van onze belijdenis.[19] We doen belijdenis van Hem, van Zijn werk, Zijn Naam en de kracht van Zijn bloed.[20]

En jij?

En jij? Hoe sta jij erin? Het is goed om het met elkaar over deze dingen te hebben. Onze doop verplicht ons tot het volgen van onderwijs, opdat wij in het midden van de gemeente Zijn heilige Naam zouden belijden. Vanuit onszelf is dit onmogelijk. Wij kunnen onszelf het geloof niet schenken, maar de Heere God laat Zich vinden in Zijn Woord. Laten we daarom voor elke les bidden of de Heilige Geest ons het ware geloof wil schenken.
Alleen dan kunnen we het zingend belijden met de kerk van alle tijden en plaatsen:

‘k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,
Want ik ontving door Uw bevelen ’t leven.
‘k Ben d’ Uwe, HEER; geleidt mij ongestoord;
Behoud mij toch, naar ’t woord aan mij gegeven;
Ik heb met lust Uw wetten nagespoord,
En die gezocht, door Uwen Geest gedreven.
(Ps. 119:47 berijmd)


Samenvatting:

·         Belijden is Bijbels 
·         We belijden dat we zondaar zijn en dat Christus de Zaligmaker is
·         Het doen van openbare belijdenis stamt uit de tijd van de Reformatie
·         Belijdenis hangt samen met doop en Avondmaal
·         Zonder geloof kunnen we geen belijdenis doen



[1] W. van Vlastuin, Mag ik belijdenis doen?  (Ede: Hardeman, 2006), 11.
[2] Ibid.
[3] Sacramenten zijn heilige zichtbare waartekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele; namelijk, dat Hij ons vanwege het enige slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt. (HC 25, vr. & antw. 66)
[4] D. Heemskerk, Zijn Naam belijden : over de belijdenis van het geloof  (Houten: Den Hertog, 2007), 11.
[5] Bijvoorbeeld in: Psalm 32:5, Mat. 10:32, Hand. 8, etc.
[6] Heemskerk, Zijn Naam belijden : over de belijdenis van het geloof: 11.
[7] Vlastuin, Mag ik belijdenis doen?: 14.
[8] Ibid.
[9] Ibid., 15.
[10] Ibid.
[11] Ibid., 16.
[12] Ibid., 18.
[13] Ibid.
[14] W. Harinck and Bas Mazur, Gedoopt  ([Houten]: Den Hertog, 2009), 26.
[15] P. Korteweg, Gedoopt voor het leven : kinderdoop, volwassendoop, herdoop  (Houten: Den Hertog, 2010), 132.
[16] Vlastuin, Mag ik belijdenis doen?: 20.
[17] Ibid.
[18] Ibid., 54.
[19] Net zoals bij de doop en het Heilig Avondmaal. Bij alle drie staat Hij in het middelpunt!
[20] Heemskerk, Zijn Naam belijden : over de belijdenis van het geloof: 15.