Doorgaan naar hoofdcontent

Meditatie: Genesis 22:1-21, Rondom het Woord, Hervormd Amstelveen

Lezen: Genesis 22:1-21

Toen hief Abraham zijn ogen op

Onbegrijpelijk. Hoe kan God zoiets vragen van een mens? Ga heen naar het land van Moria en offer je zoon Izak, van wie je zoveel houdt. Is dit werkelijk wat God wil?
Abraham weet het niet. Hij, die eens zo pleitte voor het behoud van het volk van Sodom en Gomórra, zwijgt stil. Hier zijn geen woorden voor. Je kind te moeten afstaan. Abraham is verward. Zo verward dat hij eerst zijn ezel klaarzet, zijn jongelingen en Izak roept en pas dan aan het hout denkt. Het hout waarop straks het bloed van zijn trots, zijn hoop, zijn Izak zal vloeien.

We lezen niet over protest. We lezen wel van een Abraham die vroeg opstond om af te reizen naar het land Moría. Uiteengescheurd door liefde voor Izak en ja, ook door liefde voor God.
In vers 4 lezen we dat Abraham na drie dagen reizen zijn ogen opslaat en de plaats van verre ziet liggen. Wat moet dat geweest zijn? De plek te zien waar je kind moet gaan sterven. Zou Abraham het helemaal gerealiseerd hebben? Tegen zijn jongelingen zegt Abraham dat hij en zijn zoon weer terug zullen keren. Waarom Abraham dit zo geformuleerd heeft weten we niet. Misschien met de moed der wanhoop, als een laatste schreeuw omhoog: ‘God waar bent U?!’

Een antwoord blijft uit. De moeilijke weg omhoog begint. De sterke Izak die hier ongeveer 35 jaar moet zijn geweest, neemt het hout om de schouders. En dan opnieuw een zwaard door de ziel van Abraham. ‘Waar is het lam tot het brandoffer?’ vraagt Izak. ‘God zal er zelf in voorzien, mijn zoon.’ Opnieuw profetische woorden van de aartsvader.

Maar dan komen ze op de plaats aan die God gezegd had. Moet Abraham nu echt Izak gaan doden? De bloedlijn van het volk Israël doorsnijden? Nee! Gode zij dank! De Heere blijkt toch uitkomst te geven! Hoor maar, een Engel des HEEREN roept hem. Abraham stop!
Wat een genade! Abraham mag zijn Izak houden. Maar dat niet alleen. De reden dat wij Kerst mogen vieren, wordt hier gegeven. De Engel des HEEREN is Jezus Zelf! Het land van Moria, waar vele honderden jaren later de tempel zal worden gebouwd, verwijst naar het offer van Christus. En net als Izak droeg ook Christus het hout naar boven. Het houten kruis dat Hij uit liefde voor de Zijnen wilde dragen. Alleen klonk er toen geen bevrijdende stem. Enkel een rauwe kreet: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?!’ Geen antwoord. De hemel bleef gesloten zodat wij, hoe vuil en besmet ook, mogen aankloppen bij de God Die zalig maakt.  

En zalig bent u, ben jij, als er ook uit onze mond zal klinken: ‘Nu weet ik dat U God bent, omdat U Uw Zoon, Uw enige, voor mij niet hebt onthouden.’ Nee, begrijpen doe ik het niet. U voor mij? Heere, als U eens wist wat voor zondaar ik ben! Gemeente, Hij weet het. Daarom kwam Hij ook zelf. Daarom werd het Kerst. Uit grenzeloze liefde.

Toen hief Abraham zijn ogen op en zag een ram verward in de struiken.
Gemeente van Amstelveen, hef deze Kerst uw ogen in het geloof op, en zie uw Heiland. Dan kan het zomaar zijn dat u/jij na al die jaren pas voor het eerst Kerst zult vieren. Want Hij die werd geofferd in plaats van Izak wil ook voor u een plaatsvervangend offer zijn. Ja, van alle eeuwigheid af heeft Hij u op het oog. Op de berg, in de stal, op Gogoltha en nu vanuit de hemel. Wat een genade. Het werd kerst op de berg van Moria en het werd kerst op Gogoltha.  En daarom, zing het mee met de kerk van alle eeuwen en met de aartsvader Abraham:

Maar de HEER’ zal uitkomst geven,
Hij, Die ’s daags Zijn gunst gebiedt;
‘k Zal in dit vertrouwen leven,
En dat melden in mijn lied.
‘k Zal Zijn lof, zelfs in den nacht,
Zingen daar ik Hem verwacht,
En mijn hart, wat mij moog’ treffen,
Tot den God mijns levens heffen.

Reacties