Doorgaan naar hoofdcontent

Meditatie: Psalm 80:15-16, De ware Wijnstok

‘O God der heirscharen, keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok, en den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft, en dat om den Zoon, Dien Gij U gesterkt hebt.’ Ps. 80:15-16

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. U kent die uitdrukking misschien wel. Misschien hebt u er zelfs weleens mee geworsteld. Gebeden om hulp, omdat u het niet meer leek aan te kunnen. Maar het leek stil te blijven. ‘Heere, hoort U mij wel?’

Zo was het ook met het volk Israël in Psalm 80. Ze werden bespot door de buren, waren in gevaar en waarom? Ze begrepen het niet. Wilde de trouwe Verbondsgod, die Zijn eigen volk uit Egypte had gehaald niet meer naar hen omzien? God, Die Zelf Israël, Zijn wijnstok geplant had, liet nu toe dat de stam werd omgehakt? Onbegrip en angst klinken door in de eeuwenoude woorden van Psalm 80. De Israëlieten dachten terug aan de uittocht uit Egypte, aan de sterke rechterhand van God Die hen de overwinning schonk bij de Rode Zee. Maar ook dachten ze terug aan al die keren dat ze ongehoorzaam waren geweest. Gods liefde hadden gekrenkt, Zijn wetten hadden geschonden. De zoon, ofwel het volk Israël, die de Heere had uitgekozen en sterk had gemaakt, was in levensgevaar. Zou deze bloedlijn nu voorgoed worden doorgesneden? Zou God er een einde aan laten komen?

Nee. Wat een eeuwig wonder van genade! God heeft niet laten varen wat Zijn hand begon. Ondanks alle zonden, al het afdwalen van het volk Israël, heeft God gehoord naar de gebeden van Zijn volk. En Hij is een God die verhoort boven bidden en denken uit. Waar het volk nog dacht dat zij de zoon waren die God gesterkt had, bleken deze woorden een profetische lading te hebben. De Heere opende Zijn rechterhand, om de Zoon, uit Zijn boezem te laten. Zijn Zoon, Zijn Liefste, Zijn Enige, kwam. O, wonder van genade!

Waar Israël en u en ik, door te kijken in de spiegel van de wet, moeten belijden: ‘Nee, wij brengen geen goede vruchten voort’, zegt Christus vandaag tegen u en mij: ‘Ik ben de ware Wijnstok.’ Zonder verwijten, liefdevol: ‘Laat Mij het maar doen, laat Mij uw zonden wegdragen, laat Mij uw hart reinigen. Ja, komt allen tot Mij en Ik zal u rust geven.’

Daar in Johannes 15:1-8 kijken we de Heiland diep in het hart. Onuitsprekelijke liefde voor mensen die van nature onrijpe en zure vruchten voortbrengen. Vruchten vol van eigengereidheid, eigen liefde en eigen eer. Bent u er ook zo één? Weet u niet goed antwoord te geven? Spiegel dan uw leven aan dat van Christus en u zult moeten belijden: ‘Van mij geen goed in der eeuwigheid.’ O, wat een heerlijke belijdenis! Het niet meer zelf te kunnen. Alles uit handen te geven, in de doorboorde handen van de Zaligmaker. Dank de Heere, dat Hij u dit heeft laten inzien. Bid dan het gebed van Psalm 80:15-16: ‘Zie naar mij Heere, maak mij als een rank aan de Wijnstok die U geplant heeft.’

Ja, dan zult u rijke vruchten voortbrengen. Dan zullen stromen van zegen door u heen vloeien. Zegeningen, komend uit de verdienste van Christus. Ingeplant in Hem tot het doel en de betekenis van uw leven komen. Vrucht dragen. Dan zal het Goddelijke rijpingsproces, als een voortgaande heiliging, onze harten hoe langer hoe meer bereid maken om meer en meer vruchten te dragen. Verlangt u daar ook zo naar? De Heere wil liefde die blijft. Volhardende liefde en vertrouwen op Hem. ‘Blijf in Mij, en Ik zal in u blijven.’ Een overvloed aan genade, kracht en moed komt de christen toe die het alleen nog maar van de ware Wijnstok verwacht. Jezus, als Bron en Gever van het geloof. Zoek Hem in Zijn Woord, in gebed en sacrament. Speur naar Zijn genade. Klop aan de deur. Waag het met Hem en de uitkomst zal niet falen.

Kom, de Heere heeft ons, heeft u de tijd gegeven. En u heeft gemerkt, u kan het niet in eigen kracht. Bidt of Hij u wil aanschouwen vanuit de hemel, en Christus Die Zichzelf als een volkomen Offer gaf, Wiens bloed stroomde tot vergeving van al onze zonden, Hijzelf zal over u lichten.

Bid het mee, o christen, bid het mee, o kerk van Nederland: 

‘Laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.’