Doorgaan naar hoofdcontent

Meditatie: Genesis 32:3-32, JV-weekend, Hervormd Oene

Datum: 19 februari 2012


Beste vrienden,

We hebben het allemaal wel eens meegemaakt. Je loopt in gedachten over straat en je ziet een omhoogstekende stoeptegel over het hoofd. Je struikelt. Gelukkig weet je je evenwicht te bewaren en val je niet. Aan het einde van de straat ben je het voorval alweer vergeten. Vanmiddag willen wij samen nadenken over Jakob. Hij struikelde niet alleen, hij moest zelfs vechten voor zijn leven!

Schriftlezing: Gen. 32:3-32

In dit hoofdstuk van de Bijbel komen we een bange Jakob tegen. Jakob stond op het punt om terug te gaan naar huis. Na jarenlang in een ver land gewoond te hebben, keert hij terug naar zijn vaderland. Hij zag ernaar uit om zijn vader weer te zien. Maar toch…Jakob was bang…bang om zijn tweelingbroer Ezau te ontmoeten…

Jakob heeft namelijk in het verleden grote fouten gemaakt. Hij is gestruikeld en in zonde gevallen. Hij had namelijk op een gemene manier het eerst geboorterecht van Ezau afgetroggeld. Een eerst geboorterecht is een speciale zegen die de oudste zoon van de vader meekreeg. Daarmee ontving je eer van de mensen en van God. Ook ontving je een dubbel deel van de erfenis. Deze bijzondere zegen had Izak op een gemene manier verkregen.
Hoe dit was gebeurd? Ezau kwam een keer thuis en had honger. Toen zag hij dat Jakob aan het koken was. Hij wilde dat eten hebben. Jakob vond het goed als Ezau hem zijn eerste geboorterecht gaf. Hij liet het hem zelfs zweren(!) Ezau reageert onverschillig. Wat kan hem dat geboorterecht schelen, hij  wilde eten!

Dit was fout van Jakob. Hij maakte hierdoor misbruik van de laksheid van zijn broer en hij liep ook God voor de voeten(!) God had namelijk al eerder beloofd dat Jakob de belangrijkste zou worden.  God zou wel zorgen dat Jakob  de speciale zegen zou krijgen. Maar Jakob leek niet te kunnen wachten op God.

Maar hier bleef het niet bij. Jakob struikelt nog een keer. Hij bedroog zijn broer Ezau en zijn blinde vader Izak op een laffe manier. Jakob wist dat zijn vader meer op had met Ezau. Op een dag hoorde Jakobs moeder Rebekka dat Izak Ezau de eerstgeboorte zegen wilde geven. Snel roept Rebekka Jakob en samen voeren ze een gemeen en laf plan uit. Jakob doet net alsof hij Ezau is en de blinde Izak trapt er in. Zo krijgt Jakob het eerstgeboorte recht en de zegen.

Ezau is woest. Zijn hart stroomt vol wraak en hij besluit om Jakob te doden. Toch besluit hij te wachten tot Izak overleden is. Misschien was hij bang dat Izak hem anders zou verstoten of vervloeken. Maar ook hier komt Rebekka voortijdig achter. Snel roept ze Jakob en vertelt hem dat hij direct het land moet verlaten. Ze stuurt hem naar het land Haran, naar haar broer Laban. En zo gebeurd het. Halsoverkop vlucht Jakob naar Haran, een onzekere toekomst tegemoet.


Na twintig jaar bij zijn oom Laban gewoond te hebben keert Jakob terug naar huis. Maar van binnen wordt hij verscheurd door angst. Angst voor zijn broer Ezau. Zijn grote, sterke, tweelingbroer die hem vroeger al de baas was. Zou hij nog boos zijn? Jakob weet het niet en daarom bedenkt hij opnieuw een plan, een overlevingsstrategie.

Hij stuurt boden uit naar Ezau om te onderzoeken of hij Jakob wil ontvangen. Lett. of Jakob genade in de ogen van Ezau heeft gevonden. Echter, de boden keren onverrichte zaken terug. Ze kunnen niet vertellen of Ezau boos is. Het enige wat ze melden is dat Ezau eraan komt met vierhonderd man(!) Misschien komt hij wel om oorlog te voeren tegen Jakob.[1]

Dan raakt Jakob vreselijk in paniek. Er staat dat hij bevreesd werd en dat het hem benauwde. Snel verdeelt hij de mensen die bij hem zijn, het vee en de kamelen in twee groepen. Als Ezau dan het ene kamp aanvalt, kan het andere ontsnappen.
En dan, wat doet Jakob daarna? Pas dan roept hij God aan. Wat erg… God Die altijd zo goed voor hem geweest is, krijgt hier de tweede plek. God had Jakob zijn hele leven lang gesteund. Jakob kende de Heere goed, maar hij is hier zo bang dat hij eerst zelf aan de slag gaat en pas daarna gaat bidden.
Maar hoe zit dat bij ons? Wat doen wij met pijn, moeite, angst en verdriet in ons leven?
Stel, dat je met iets worstelt en je deelt het niet met degene die het meest van je houdt. Dat krenkt die ander toch?! Zo is het ook met God. Niet voor niets staat er in de Bijbel dat Hij een jaloers God is. Hij wil voor ons zorgen in alle omstandigheden van het leven. Jakob laat ons hier zien wat er gebeurt als je teveel kijkt naar de omstandigheden in je leven en te weinig let op God. Hij voegt bij alle zonde dus ook nog deze: God op de tweede plaats zetten.

En toch was hij een kind van de Heere. Jakob had een wedergeboren hart. Hoe ik dat weet? Kijk maar naar zijn gebed. Daar kijken we Jakob in het hart. Hij zegt dat hij te onbeduidend is voor al de blijken van Gods goedertierenheid en voor al de trouw die God aan hem bewezen heeft. Wat eerlijk van Jakob. Nu geen valse leugens, geen mooie praatjes en geen uitvluchten. Niks van dat alles. Jakob wordt hier eerlijk voor God. Dat is een kenmerk van al Gods ware kinderen. Ze worden in het nauw gebracht en gaan roepen om verlossing.

Dan is het gebed voorbij. Jakobs hart is nog steeds onrustig. Zou God het wel horen? Al banger en banger wordt hij. Dan besluit hij drie grote kuddes met tweehonderd geiten, twintig bokken, tweehonderd ooien, twintig rammen, dertig zogende kamelen, etc. te sturen. Dat moet een vermogen gekost hebben. Maar wat heb je aan geld en goed als je leven op het spel staat?!

En zo beleeft Jakob bang uren. Het is inmiddels avond geworden. Ik stel me zo voor dat Jakob heeft liggen woelen op zijn bed. Dat hij teruggedacht heeft aan zijn leven wat achter hem . Aan zijn tijd bij oom Laban. Zijn huwelijken en de kinderen die God hem geschonken had. Maar ook aan de minder mooie dagen. Aan alle keren dat hij gestruikeld was en in zonde was gevallen. Plotseling wordt hij benauwd. Hij kan het in bed niet meer uithouden en midden in de nacht wekt hij zijn twee vrouwen Lea en Rachel, zijn twee slaven en zijn elf kinderen. Vervolgens stuurt hij hen de rivier de Jabbok over en blijft zelf achter.

Waarom Jakob achter blijft weten we niet. Misschien wilde hij gewoon even alleen zijn. Hij heeft het gevoel dat hij de laatste nacht van zijn leven ingaat. Dit doet ons denken aan Iemand anders die ook ooit heel bang was. Zo bang dat Hij zelfs bloed begon te zweten. Die man was Jezus Christus. Hij kroop van angst over de grond in de hof van Gethsemane. Schreeuwend en biddend tot Zijn Vader omdat Hij voelde dat de kruisdood nabij gekomen was en dat de bliksemen van Gods toorn over de zonde zouden gaan inslaan op Gogoltha. Jezus was onschuldig, maar Jakob niet. Hij had zichzelf in de nesten gewerkt. Gezondigd tegen God, zijn vader Izak en zijn broer Ezau. Hier aan de Jabbok loopt Jakob met zijn ziel onder de arm. Is er nog hoop?

Opeens wordt Jakob vanuit het niets aangevallen. Hij wordt aangevallen door een onbekende Man en moet vechten voor zijn leven. Zijn zorgen is hij op slag vergeten. Gevochten moet er worden!
De eens zo bange Jakob vecht al zijn verdriet en frustraties eruit!

En zo vechten de twee door tot aan de morgen. Wat Jakob toen nog niet wist was dat het niet zomaar een man was. Geen huurmoordenaar die gestuurd was door Ezau, nee het was God Zelf. Dat doet de Heere vaker in de Bijbel. Opeens is Hij er. Verrassend onverwacht. Misschien herken je dat wel. Je zit in de kerk en eigenlijk rekende je er niet op, maar opeens word je hoogstpersoonlijk door God aangesproken. Zo is de Heere, Hij zoekt ons hart. Maar Hij zal niet aarzelen om ons hart met liefdevol geweld in te nemen. Met de stormram van Gods Geest kan Hij het hardste verzet breken. Het koudste hart verwarmen, de meest goddeloze zondaar reinigen.

Maar misschien zeg je nee, dat herken ik niet. Ik ga al zo lang naar de kerk en het doet me eigenlijk weinig. Ik voel me niet aangesproken. Dan heb ik vanmiddag nieuws voor je. Gods toorn over de zonde staat tegenover een ieder die Hem niet kent. De God van hemel en aarde neemt het vandaag tegen je op. Heel persoonlijk. Hij kijkt dwars door je heen.

En wat doe jij? Neem je de wapens op van eigen gerechtigheid? Eigenwijsheid? Onverschilligheid? Onkunde? Wapens van angst, haat tegenover de Heere en Zijn dienst? Laat me je in Naam van de Heere dan waarschuwen. Kijk uit!! Je overleeft dit niet. Een ieder die het opneemt tegen God zal het eens verliezen. Als er geen vrede maar oorlog met God is kom je voor eeuwig om. Geen loze woorden, geen makkelijke praatje, geen gearriveerd gedoe! Kijk uit om je levens wil!

Misschien ken je de Heere al wel. Weet je wat het is dat je zonden door Christus vergeven zijn. Weet je wat het is als de Ander je plaats inneemt. Maar wat is er gebeurd vriend? Je bent koud geworden. Hebt het bidden en Bijbellezen verzuimd. En nu vanmiddag merk je het: het zit niet goed tussen mij en God. Zo kan het niet langer.

Vanmiddag de vraag aan een ieder van ons: wat moeten wij doen om zalig te worden? Wat moeten wij doen om behouden te worden? Een gevecht met Gods eisende Wet houdt niemand vol. De wet eist van ons volkomen heiligheid, anders hebben we God tegen. Zoals wij geboren worden zijn wij vijanden van God… een vreselijke werkelijkheid…

Jakob had God ook tegen zich. De Man Die met hem worstelt is namelijk een Engel van God. De profeet Hosea zou  hier later het volgende over schrijven: Hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overmocht Hem (Hos. 12:14). Deze man was dus niet zomaar een Man, nee het was de Engel Gods.
Als Jakob dit geweten had, had hij het vechten direct opgegeven. Wie kan er nu van God winnen?

Maar terwijl de Engel en Jakob met elkaar vechten gebeurt er iets opmerkelijks. De Engel merkt dat Hij niet kan winnen en Hij raakt Jakobs heup aan. Deze is meteen ontwricht. Dat is onmogelijk voor een normaal mens. En Jakob beseft het: deze Man is God Zelf!
Jakob stopt met slaan. Hij verzet zich niet langer. Geeft hij het worstelen nu op? Nee, hij klemt zich vast aan zijn Aanvaller(!) De Man vraagt of Jakob Hem los wil laten. Maar Jakob kan dat niet meer. Hij smeekt en bidt om een zegen: Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent (vs. 26).
Eens heeft Jakob een zegen gekregen door leugen en bedrog. Dat gebeurt hem niet nog een keer. Hij heeft ook niks meer te verliezen, morgen moet hij Ezau ten slotte ontmoeten.

Maar Jakob krijgt deze zegen niet zomaar. Er wordt hem wat pijnlijks gevraagd: Wat is uw naam? Met andere woorden: Wie ben je? O, wat een pijnlijke vraag! Nu moet Jakob vertellen wie hij is. En daarom roept hij het uit: Ik ben Jakob! Dat betekent hielenlichter, oplichter.[2] Wat een zonde en schaamte kleeft er aan zijn naam. Maar dan het wonder, Jakob krijgt een nieuwe naam. Israël, dat betekent  strijder met God. Dit laat zien dat God een nieuwe toekomst aan Jakob heeft gegeven. Hij zal de stamvader zijn van het volk Israël.

En God werkt nog zo. Als wij door het geloof in Jezus Christus met God verzoend worden krijgen wij ook een nieuwe naam. Dan krijgen we de Naam van Christus op ons voorhoofd. Dan leven wij niet meer maar Christus leeft in ons! Openbaring 22:4 zegt hierover het volgende: En zij zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.

Beste vrienden, wat een rijke geschiedenis mogen we vandaag overdenken. Maar toch…er zijn nog wat belangrijke vragen. Hoe kan het dat Jakob dit gevecht gewonnen heeft? Als de grote God met ons worstelt, hoe kunnen wij dan ooit van Hem winnen? Als Hij komt met de eisen van geloof en bekering en je weet dat je dat uit jezelf niet kunt. Moet je dan ondergaan? Omkomen in de buitenste duisternis?

Nee, wij kunnen van God winnen(!) Door het geloof alleen. Ds. G. Boer zei eens: daar heeft de Heere, met eerbied gesproken, niet van terug.[3] Wat is de Heere toch goed dat Hij af wil dalen vanuit de hemel tot tobbende mensen.[4] Als wij in het geloof gaan hangen aan de beloften van God in Zijn Woord dan kan Hij niet meer van ons af. Dan wil Hij niet meer van ons af, want dat geloof heeft Hij Zelf aan ons gegeven.  Dan kan het soms zijn dat God met je komt worstelen, je eigen verkeerde gedachten, zondige gewoonten en valse gerustheid kapot slaat, maar Hij doet dit uit liefde. Wie Hij liefheeft kastijdt Hij. Doet dat pijn? Ja, dat kan vreselijk pijn doen maar het is wel het beste. Zo verliezen we steeds meer ballast in onze navolging van Christus. Want als wij zwak zijn in onszelf, zijn we machtig in Christus.

Maar zeg je: Jakob had gezondigd, hij had zijn vader en broer bedrogen. Hoe kan het nu dat een zondig mensenkind het kan winnen van een heilige God?! Straft God de zonde dan niet? Jawel! Weet je wat het geheim is? Kijk maar in vers 30, daar staat dat Jakob de plek Pniël noemt, omdat hij God gezien heeft van aangezicht tot aangezicht en dat zijn leven gered is. Wie kan God zien en leven? Niemand. Alleen door de Christus kunnen wij God ontmoeten. En Die Christus, Die is het die hier worstelt met Jakob(!)

Jezus die eens voor alle oplichters, tuig, criminelen, hoeren, tollenaars en zondaars aan het kruis zou gaan. Deze Zaligmaker worstelt hier met Jakob. En Hij weet het, honderden jaren later zal Hij nog een keer op deze plek komen. Dan moet Hij de Jabbok oversteken, op weg naar Jeruzalem. Op weg naar Zijn kruisdood… En daarom heeft Jakob het overleefd, daarom is er voor ons verzoening mogelijk. God slaat ons niet dood als wij biddend tot Hem vluchten, Hem niet meer laten gaan tenzij Hij ons zegent. God slaat ons niet dood, want eens sloeg Hij met de bliksemende toorn van de Wet in op Gogoltha en verpulverde Zijn eigen lieve Zoon onder de last van onze zonden. Dit was zo vreselijk dat God een gordijn van duisternis tussen ons en Zijn Zoon inhing.

Vrienden, tot slot willen we kijken naar vers 31. Misschien is dat wel het belangrijkste vers uit dit Schriftgedeelte: En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël gegaan was; hij ging echter mank aan zijn heup. Het was donker op aarde toen Jakob met Hem worstelde. Het was ook donker in het hart van Jakob. Vervult met schaamte over zijn verleden en angst voor Ezau. Maar de Heere worstelt met Jakob en maakt het weer licht in zijn hart en leven. En dat geldt voor iedereen die door het geloof gemeenschap met God mag hebben.[5] Dan maakt de Heere het weer licht in je leven.

Maar komt Jakob ongeschonden uit deze strijd? Nee, er staat dat hij mank was aan zijn heup. Hij zou voortaan bij elke stap terugdenken aan zijn worsteling met God. Net als de apostel Paulus ontving ook hij een doorn in zijn vlees die ervoor zou zorgen dat hij zich niet zou verheffen. Hij zou voortaan struikelend door het leven gaan. En dat is ook de koppeling met het thema van dit weekend: struikelend achter Jezus aan. Jakob, nu Israël geheten, die door het geloof de zegen van de Heere had gekregen, kan er over meepraten. Ook hij ging de rest van zijn leven mank. Maar toch: het was licht in zijn hart. Het was weer goed tussen hem en God en daarom had hij geen vrees voor wat er komen gaat. Want als hij opkijkt, zie, daar komt komt Ezau aan. Jakob buigt zich voor zijn broer en dan gebeurt het: Ezau snelt hem tegemoet, omarmd hem, valt hem om de hals en kust hem. En zij huilden. Twee broers, een leven lang strijd, een leven lang ruzie, en nu wederzijdse liefde. God heeft het alles ten goede gekeerd.

Struikelend achter Jezus aan. Niet in eigen kracht, maar in Zijn kracht. Wat is dat voor een leven? Een heerlijk leven, maar ook een leven wat door de wereld niet begrepen wordt. Een leven waarin je mank gaat aan jezelf. Waarin je al je kracht telkens opnieuw van God Zelf moet ontvangen. Hier op aarde zal Gods volk, zullen de uitverkorenen zich nooit kunnen verheffen. Nee, ze hebben geleerd dat ze van nature een Jakob zijn en dat ze ook een Jakob blijven in zichzelf. Onze oude mens, onze Jakob moet de dood in. Dood dan uw leden die op de aarde zijn, zegt God. Gods kinderen gaan dus struikelend en stervend achter Jezus aan. Maar toch: wie zijn leven zal verliezen, die zal het behouden!

Zalig hij die in dit leven Jakobs God ter hulpe heeft! God laat niet varen wat Zijn hand begon, en Hij zal er Zelf voor zorgen dat je thuiskomt. Dat is een leven waarin je sterft aan je eigen zondige vlees, maar tegelijk mag ademen in de vrije genade van Jezus Christus! Achter Christus aan, Zijn voetenstappen drukken doen we niet door Hem voor de voeten te lopen en eigen gekozen wegen te gaan. Nee, struikelend en soms zelfs vallend achter de Goede Herder aan. Hij ging ons voor bij de Jabbok, Hij ging ons voor bij Gogoltha en Hij ging ons voor door het graf heen naar de Vader. En Hij roept, ook vandaag weer: Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij je hart! Kom, geef je worstelingen op en bid om de zegen. Dan kunnen er nog zoveel gevaren, zonden, duivelen en ‘Ezau’s’ op de loer liggen: één ding weet ik vast, God zal mij niet begeven.

Eenmaal zullen al Gods kinderen voor de troon staan en God verheerlijken. Dan zullen we de God van Abraham, Izak en Jakob tot in eeuwigheid loven en prijzen. Zul jij daarbij zijn? Of ga je nog voort in eigen kracht? Komt, de Bruidegom roept voor het feest. Heb je zonden? Heb je geen geloof? Of is je hart zo koud? Kijk dan naar Jezus aan het kruis van Gogoltha: Hij onderging het kruis en ging onder aan het kruis. Hij heeft geworsteld met dood en hel en heeft overwonnen. Hij heeft alles volbracht!

Pniël, de plek waar Jakob God gezien heeft en waar zijn ziel is gered. De plek waar hij Jezus ontmoette. Ben jij ook al in Pniël geweest?

Amen




[1] Gordon J. Wenham, Genesis. 16-50, Word Biblical Commentary (Dallas, Tex.: Word Books, 1994), 290.
[2] Ibid., 296.
[3] G. Boer, Worstelen met God  (Kampen: De Groot Goudriaan, 2007), 23.
[4] Ibid., 25.
[5] Matthew Henry, Matthew Henry's commentary, 6 vols., vol. 1 (Peabody, Mass.: Hendrickson Publishers, 2009), 157.

Reacties