Doorgaan naar hoofdcontent

Oefenpreek: Handelingen 9:11c

Gemeente,

Met behulp van Gods Geest willen wij vanavond stil staan bij Handelingen 9 en dan in het bijzonder bij vers 11c, waar wij lezen: want zie, hij bidt. We staan stil bij de volgende drie gedachten: een onbekeerde Saulus, een biddende Saulus en een biddende Hogepriester.

I. Een onbekeerde Saulus


Gemeente, de apostel Paulus wordt wel terecht de grootste theoloog van het Nieuwe Testament genoemd. Door zijn zendingsreizen en brieven is de Vroege Kerk opgebouwd en hebben velen de Heere Jezus Christus leren kennen. Paulus was een machtig wapen in de hand van de Heilige Geest. Het is deze apostel die niks anders wilde prediken dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Want Christus’ sterven en opstanding vormen het hart van het Evangelie. Het Evangelie, de goede boodschap dat er redding mogelijk is voor een wereld verloren in zonde en schuld.

Ook vanavond wordt u Christus en Dien gekruisigd gepredikt. Want alleen de levende Heiland is de hoop van de kerk, de hoop van Nederland en ook de hoop van deze evangelisatiepost. U wordt Christus gepredikt, opdat u tot geloof en bekering komt en het met de Heidelbergse Catechismus mag gaan belijden: Dit is mijn enige troost, dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft.
Zalig bent u, als u deze troost persoonlijk mag kennen. Dat u in vrede mag leven met de opgestane Heiland. Want wij leven of in vijandschap met God of in vrede met Hem. Er is geen tussenweg. De Bijbel leert ons dat een ieder die niet in Hem gelooft reeds veroordeeld is. Wat vreselijk! Dan zijn we een vijand van God Drie-enig. Dan zijn we een vijand van Koning Jezus, Die zit aan de rechterhand van God. Dan achten we Zijn offer onrein.

Gemeente, dit is nu precies wat er in ons Schriftgedeelte aan de hand is. Saulus van Tarsus achtte het offer van Christus onrein. De apostel die wij zo hoog hebben staan, blijkt hier nog een vijand van het kruis(!) In plaats van de gemeente op te bouwen in het allerheiligst geloof, vervolgt hij haar. In Handelingen 9 wordt Paulus bij zijn Hebreeuwse naam, Saulus genoemd. We lezen dat hij dreiging en moord blies tegen de discipelen des Heeren. Hij walgt van hen en zet alles op alles om deze discipelen te vervolgen.

Gemeente, vanavond ontmoeten we Saulus vóór zijn bekering. Toen hij nog voor eigen rekening leefde. En toch, laten wij ons maar niet boven Saulus verheffen. Als u reeds eerlijk bent gemaakt door Gods Geest, dan zult u vanavond niet neerkijken op Saulus. De Heilige Geest Die gekomen is om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel maakt al Gods kinderen eerlijk. Want alleen de mens die zichzelf heeft leren kennen als melaats en onrein door de zonde heeft de hemelse Medicijnmeester Christus nodig.

Een onbekeerde Saulus. Later zal hij het belijden: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Maar wie was hij nu voor zijn bekering? Wie is deze Saulus die dreiging en moord blaast tegen de discipelen van de Heeren? Was hij een ordinaire moordenaar? Een verbeten atheïst? Welnee! Saulus was een godsdienstig mens. Een farizeeër en niet de eerste de beste. We zouden hem een professor in de theologie kunnen noemen. In Hand. 22 zegt Saulus het volgende over zichzelf:
Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicie geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliel onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods; Die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beiden mannen en vrouwen.

Saulus, een ijveraar Gods… Hij vervolgde de gemeente niet zomaar. Hij was ervan overtuigd dat dit Gods wil was. Wat vreselijk! Wat kan een onbekeerd mens zichzelf bedriegen. Saulus de strenge, verbeten en wettische farizeeër, vervolgt de gemeente van Jezus Christus. Saulus haatte Hem. Hoe kan men ooit geloven in Iemand Die de kruisdood is gestorven?! In Iemand Die was omgekomen aan het schandelijke vloekhout. Zou dat Gods Zoon zijn geweest, de beloofde Messias?! Nee, dat nooit! Weg met Hem en weg met al Zijn volgelingen.

En met een hart vol duivelse haat begint hij de vervolgingen. De duivel pompt zijn hart vol met woede, haat en angst voor die vreemde christenen. Die christenen die zelfs niet bang zijn als ze voor de hogepriester Kajafas moeten verschijnen. Die met een glimlach de stenigingsdood sterven, ja, die zelfs voor hun vervolgers bidden. Saulus walgt ervan. In het Hand. 8 staat dat Saulus een welbehagen had aan de dood van Stéfanus. Saulus was blij dat deze man vermoord was. En hij zou er hoogstpersoonlijk zorg voor dragen dat ook de rest van de christenen vervolgd zouden worden. Gesteund door de beledigde hogepriester Kajafas, krijgt hij alle ruimte om de jonge, christelijke gemeente te vervolgen. Hij kon zijn duivelse gang gaan. Er staat dat hij de gemeente verwoestte, gaande in de huizen, en hen overleverde in de gevangenis. Hij zou de gemeente van Jeruzalem er wel onder krijgen.
Maar dit gebeurt niet. Het bloed der martelaren blijkt het zaad van de kerk. We lezen dat zij die verstrooid werden, het land doorgingen en het Woord verkondigden. Hoezeer verdrukt ze ook werden, ze konden er niet meer over zwijgen. We lezen dat het Evangelie zich zelfs uitbreidt tot in Damaskus, een belangrijke handelsstad, 218 km. ten noordoosten van Jeruzalem. De balsem van Gilead, verspreidt zich als een olievlek over de wereld.

De opgestane Levensvorst regeert Zijn kerk vanuit de hemel en doet Zijn Woord uitgaan tot wie Hij wil en wanneer Hij wil. Maar Saulus ziet dat niet. Hij denkt de Heere een dienst te bewijzen door de christenen te vervolgen. Zijn ze in Damascus? Dan gaat hij ook naar Damascus. Snel zet hij de achtervolging in. Wat zullen de christenen in Damascus bang zijn geweest. Die haatdragende, gevaarlijke Saulus komt eraan. Nog even en hij zal de poorten van Damascus binnen rijden. De mensen sidderen ervan. Nog even en de wolf zal de kudde aanvallen… Wat zullen de mensen gebeden hebben: Heere, verlos ons!

Gemeente, wat een gevaar dreigt er voor de gemeente van Damascus. Of toch niet? Saulus droeg in zijn binnenzak een brief van de hogepriester, ondertekend met inkt. Maar de christenen van Damascus hadden ook brief. Een brief waar het volgende op stond: Betaald voor al uw zonde en ongerechtigheid. Ondertekend met het bloed van het Lam, geschreven op Gogoltha. En ze hebben het mogen ondervinden wat het betekent dat de Heere Zijn gemeente duur gekocht heeft. Vreest niet, Ik heb u bij uw Naam genoemd, gij zijt Mijn. En daarom, Gods kinderen mogen uit dit gedeelte leren: Gewis hoe hoog de nood mag gaan, God zal Zijns vijands kop verslaan; Dien haar’gen schedel vellen.

Want kijk, daar gaat Saulus. Hij maakt zich op voor de strijd, als hij plotseling door een licht uit de hemel omschenen wordt. Een licht sterker dan de zon. Een licht van de Zonne der gerechtigheid zet Saulus in het licht. Het licht omstraalt hem aan alle kanten. Waar de duivel met duisternis zijn hart was binnengekomen, straalt Christus nu met Zijn licht. Alle donkere kanten van zijn hart worden beschenen door Gods ontdekkende licht. Dit is teveel, Saulus stort ter aarde. En als hij daar zo ligt, zich niet langer verheft, maar als een nietig mensenkind ter aarde is neergestoten, klinkt een stem: Saul, Saul! Wat vervolgt gij Mij?

Heel persoonlijk. Saulus wordt bij zijn naam genoemd. En dat gebeurt nog steeds. God zoekt de zondaar op. Misschien bent u ook wel eens door de Heere apart genomen in de kerk. Toen leek het net alsof u alleen in de kerk zat. Toen u heel persoonlijk werd aangesproken en de Heere met Zijn licht in uw hart kwam en u liet zien wie u bent in uzelf. Dat deed pijn en maakte beschaamd. Maar wat een opzoekende genade!

Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? En dan die beschamende vraag: Wie zijt Gij, Heere? Saulus wist het niet! Deze farizeeër der farizeeërs, deze professor in de theologie, weet het niet. Hier komt openbaar dat Saulus onbekeerd is. Dat hij de Heere niet persoonlijk kent. Want de schapen kennen de stem van de goede Herder, maar Saulus kende deze stem niet.
Maar toch: hier zien wij een ontwakende zondaar. Een zondaar die gaat vragen naar Christus. Wie bent u Heere? Dat doen wij niet van nature. Wat zijn er velen in deze tijd die zeggen: ‘Natuurlijk ken ik God, natuurlijk ken ik Jezus.’ Maar ondertussen kennen ze de Heere Jezus niet zoals Hij is, namelijk als Zaligmaker van de zonde. En als u Hem vanavond niet kent, dan zegt Jezus het zowel tegen Saulus als tegen u: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. O, wat is de zonde dan beschamend. Onze ijver, ons oppoetsen van onszelf, onze zelfrechtvaardiging, onze berusting in de zonde, het wordt alles met één klap vernietigt: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is niet goed tussen ons. Er is geen vrede tussen ons. U bent als een os die met de hielen tegen de prikkels slaat. U bent bezig zichzelf schade aan te brengen. U bent op weg naar de eeuwige rampzaligheid.

Gemeente, wat een ernstige boodschap op deze biddag. Misschien had u er niet op gerekend, dat ook u zou worden aangesproken. Dat aan ons allemaal gevraagd zou worden: waar zijt gij? Maar toch een vraag van levensbelang. Het is absoluut noodzakelijk te weten of het goed zit tussen de Heere en tussen ons. Of we nog voor eigen rekening leven of niet.
Een vraag die we maar het beste met gevouwen handen en gesloten ogen voor het aangezicht van God kunnen stellen.
U zegt: Maar niet iedereen wordt zoals Saulus bekeerd. Dat klopt, de Heere is daar soeverein en vrij in. Maar het mag wel ons verlangen zijn dat de Heere ook ons hart verbroken maakt voor Hem. Dat wij verlost worden van onze lijdelijkheid of gearriveerdheid en een zondaar mogen worden voor Hem.

Want dat is precies wat er gebeurd in het leven van Saulus. Van een zelfverzekerde onbekeerde wordt hij een vragende en zoekende zondaar. Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet. En als Saulus opstaat en zijn ogen opendoet, merkt hij dat hij blind is.
 En de eens zo gevreesde farizeeër die mannen en vrouwen gebonden in de gevangenis gooide, wordt nu zelfs bij de hand de stad in geleid. Er staat in vers 9 dat hij drie dagen niet zag en niet at en niet dronk. Saulus was de lust tot eten en drinken vergaan. Hij is letterlijk stil gezet door Gods roepstem. En zo zit hij daar in Damascus in het huis van een zekere Judas.

Wat zal er veel in het hoofd van Saulus omgegaan zijn. In gedachten ziet hij al die angstige gezichten van zijn slachtoffers weer voor zich. Hoort hij het liefdevolle gebed van Stefanus opnieuw: Heere, reken hun deze zonde niet toe! O, het kan in die dagen voor iedereen, maar niet meer voor Saulus. Hij staat er buiten. Als een witgepleisterd graf. Drie dagen zit Saulus in het donker, net zoals Jona in de vis. En hoewel Saulus blind is, ziet hij zijn zonde duidelijk voor ogen. Wie het verstaat, verstaat het. Misschien heeft hij het met koning David meegebeden: O Heere, was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen.

En zo wordt Saulus door de Heere ontdekt aan zijn ellende en schuld. En dat is genade, als een mens ontdekt wie hij/zij is. Misschien dat ze hier vanavond ook zijn, bij wie het niet goed zit tussen de Heere en hun ziel. Misschien maakt u dat onrustig. Wordt u er bang van. Dan hoop ik dat u zo bang wordt, dat u de Heere Jezus als Borg gaat nodig krijgen. Zalig bent u, als u als een goddeloze wordt voor de Heere. Want het zijn de goddelozen die gerechtvaardigd worden om niet. Dat u een droefheid krijgt naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt.

II. Een biddende Saulus


En zo ontmoeten wij een biddende Saulus. Een worstelde Saulus aan de troon der genade. Wat een heerlijke wetenschap dat de Heere niet laat varen het werk wat Zijn goddelijke hand begon. Gods Geest geeft niet alleen ontdekkende genade, maar Hij zal ervoor zorgen dat Koning Jezus op het allerhoogst verheerlijkt wordt! En dat gaat Hij ook in het leven van Saulus doen. Niet voor niets noemt de Bijbel de Heilige Geest de Geest Die de wereld zal overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij zal Saulus de drie stukken doen doorleven. Zoals Gods Geest bij alle kinderen van God doet.
En zo worstelt Saulus aan de troon der genade. Daar leert hij inzien Wie Jezus Christus is en wil zijn voor een zondaar verloren in schuld. Dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar daarin dat hij zich bekeert en leeft. Daar ondervindt Saulus wat het is om vrijgesproken te worden van zonde en schuld. Zalig is de mens die onderwezen is op de school van de Heilige Geest!

Daar in die drie dagen wordt Saulus veranderd van een trotse farizeeër tot een biddend mens. Waar hij eerst nog moord en dreiging blies, ademt hij nu gebeden tot God. Er is verandering in het leven van Saulus gekomen. Want een natuurlijk mens bidt niet vanuit zichzelf. Het gebed is een vrucht van de wedergeboorte. En onze God ontfermt Zich op het gebed. Want zie, Hij verschijnt in een gezicht aan een zekere Ananias. Wie dit is geweest, weten we niet. We lezen alleen van hem dat hij een godvruchtig man naar de wet was. Hij is dus een kind van God. Hij mocht de Heere persoonlijk kennen. Daarom vraagt hij ook niet wie de Heere is zoals Saulus deed, maar antwoordt hij: Zie, hier ben ik, Heere!

Maar dan slaat de schrik hem om het hart, want de Heere gebiedt hem om naar Saulus te gaan. Ananias sputtert tegen: Heere! Ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft. Ananias durft niet naar deze aartsvijand te gaan.
En dan gemeente, geeft de Heere een heerlijk getuigenis: Ga naar hem, want zie, hij bidt!!
De Heere heeft Saulus niet alleen laten worstelen, Hij heeft zijn verbroken hart niet veracht. Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten. Ja, wat meer is, de Heere weet zelfs in welke straat, in welk huis Saulus op de knieën ligt. Laat dat ook voor ons op deze biddag een troost zijn. Als er hier zijn die gebukt gaan onder een zwaar kruis. Die te kampen hebben met psychische noden of lichamelijke ziekten. Als er mensen zijn die een korte of langere tijd geleden aan een geopend graf stonden. Ja, allen die in de binnenkamer tot God verheffen het angstig hart, zijn geen onbekenden voor de Heere. Hij kent de zijnen en wordt door de zijnen gekend. Hun tranen zijn dierbaar in Zijn oog.

Want zie, hij bidt. Wat een wonder! U zegt: Maar Saulus was toch een farizeeër? Die baden toch twee keer per dag in Jeruzalem in de tempel?! Ja, dat klopt. Saulus heeft heel wat gebeden uitgesproken. Maar gemeente, wat is nu het kenmerk van het ware gebed? Zondag 45 leert dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig moeten kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen. En hier zat het mis bij Saulus. Hier zit het mis bij ieder mens van nature. Niemand kent de ware verootmoediging als God deze niet Zelf aan ons geleerd heeft. Kijk maar naar de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar. Ook zij kwamen in Gods huis om biddag te houden. De farizeeër stond vooraan in de tempel, waar iedereen hem kon zien, als een hoogmoedig mens. Wat is hij tevreden met zichzelf en hij dankt God dat hij niet zo is als de andere mensen. Bij de tollenaar is het anders. Wij lezen dat hij van verre stond en dat hij zichzelf op zijn borst sloeg. Hij riep het uit: O God! wees mij zondaar genadig! En deze ging naar huis gerechtvaardigd. De farizeeër was rechtvaardig in zijn eigen ogen, maar de tollenaar in Gods ogen.

Saulus die eerst in hoogmoed zijn gebeden uitsprak, bidt nu als deze tollenaar. Als een rechteloze. Zijn gebeden dringen door tot in het hemelhof en de Heere verhoort hem. Ananias hoeft niet bang te zijn voor Saulus, want zie, hij bidt! Hij is niet langer een vijand van Gods volk, hij is niet langer een vijand van vrije genade. Nee, hij is een vriend, een metgezel geworden van ieder die Gods Naam eerbiedig vreest! Hij is van dood, levend geworden!
Wat een goddelijke triomf klinkt er door in deze woorden: want zie, hij bidt! De Heere toont hier Zijn herscheppende kracht die het hart van de zondaar vernieuwt. Zie, zegt de Heere: het is alles nieuw geworden. Zie, ik heb het hart van mijn vijand gewonnen. Ik heb Mijn vervolger gered. Zie, de engelen juichen over een mens die zich bekeert. Spurgeon zei eens: Als één van Gods kinderen wederom geboren wordt, staan de engelen om de wieg heen. Al Saulus’ zonde en ongerechtigheden heeft prins Immanuël te niet gedaan. Hij heeft deze arme, berooide farizeeër gewassen in Zijn dierbaar bloed.

Zo treft Ananias Saulus aan. Geknield en worstelend in gebed. Hij is niet meer bang voor hem maar loopt op hem af en zegt: Saul, broeder! De Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuldt zoudt worden. Wat een genade! Wat moet er door Saulus heen zijn gegaan?! Broeder, en dat uit de mond van een christen die hij eerst zo bedreigd had. Broeder, dat kon Ananias naar recht zeggen want ze hadden dezelfde Vader gekregen. Beiden waren door onverdiende genade opgenomen in Gods huisgezin. En de stem van Jezus, die drie dagen geleden nog Saulus onder beschuldiging zette, beveelt nu Zijn Geest om woning te nemen in het hart van Saulus. En zo beleeft Saulus voor het eerst Pinksteren in zijn eigen hart. De schellen vallen Saulus van de ogen. Hij is niet langer lichamelijk en geestelijk blind. De bekerende genade heeft ogen van de ziel en van het lichaam geopend. De Zonne der gerechtigheid is over zijn ziel opgegaan. Saulus’ ogen staan anders. De haat is eruit weg, de liefde en vastberadenheid straalt er vanaf. Wat zal hij het gezongen hebben: Ik zal nu ik mag ademhalen, Na zoveel bange tegenspoed, Al mijn geloften U betalen, U, Die in nood mij hebt behoed. Ps. 66:6 Saulus, een machtig monument van Gods genade!

III. Een biddende Hogepriester


Gemeente, wat een grote daden heeft de Heere in het leven van Saulus gedaan. Hij werd een machtig instrument in de handen van de Heilige Geest. Hij liet de biddende Saulus niet vergaan in zijn smart en rouw. Saulus werd ontdekt aan zijn zonde en mocht een kind van God worden. En we hebben gezien dat het gebed een eigenschap is van al Gods kinderen.

Dat brengt ons vanavond bij de volgende vraag: zijn wij ook bidders? Wanneer hebben wij voor het laatste ons hart uitgestort voor de Heere? Kan de Heere ook over ons zeggen: zie, hij/zij bidt. Als we door genade kinderen van God hebben mogen worden, brengt ons dit nog regelmatig tot verbazing en heilige aanbidding van het Lam? Houden Gods kinderen niet elke dag biddag?

Calvijn zegt het volgende over het gebed: bidden is het in contact treden van mensen met God, waardoor zij in het heiligdom van de hemel binnengaan. Bent u, ben jij zo’n bidder? Verkeert u veel in het heiligdom van de hemel?
Misschien mag ik hier een voorbeeld gebruiken. Een jongen en een meisje die verlangen naar hun trouwdag regelen alles ruim van te voren. Ze maken afspraken over van alles en nog wat. Ook bekijken ze foto’s van de plaats waar straks het huwelijksfeest gevierd zal worden. Gemeente, zo is het ook met het gebed van een christen. Die bezoekt vele malen de plek waar straks de grote bruiloft van het Lam zal plaatsvinden. Waar de kerk zal zingen voor de vrije genade aan hen bewezen, tot eer en glorie van God Drie-enig. Zo’n christen is vaak te vinden in de hemelzalen.

Zult u, zal jij daar ook bij zijn? Misschien zegt u: ik kan niet zo bidden als Saulus. Gemeente, dat kon Saulus ook niet vanuit zichzelf. Er staat in onze tekst dat Saulus een uitverkoren vat is, een instrument in de handen van God. Saulus was een uitverkorene. Daarom leerde hij bidden. Net zoals elk pas geboren kind huilt, zo bidt elk wederom geboren kind. U zegt: Maar ik weet niet of ik tot de verkorenen behoor. Dat klopt, dat weet u ook niet. Het staat er juist tot uw troost. Want als Saulus uit eigen verdienste of uit eigen waardigheid zalig zou zijn geworden, waren wij reddeloos verloren. Maar nu wij mogen vernemen dat God vijanden en goddelozen wil rechtvaardigen om niet, enkel uit Zijn vrije gunst, is er hoop voor ons. God rechtvaardigt de uitverkorenen. En er staat nergens in de Bijbel dat u er niet één van worden kunt. En zou de Heere iemand buiten sluiten, die de toevlucht neemt tot Hem?

Gemeente, laten we daarom goed beseffen dat wij biddag niet op eigen kracht kunnen vieren. Wij weten niet te bidden zoals het behoort, wij bidden naar ons zelf toe. We zijn biddeloze bidders geworden.. Laten we ons daarom net zoals de tollenaar aanklagen bij God. Smeken om de balsem uit Gilead. Want het is waar dat niemand door zijn gebeden behouden kan worden, maar er staat ook nergens dat iemand zonder gebed behouden kan worden. Een biddeloze ziel is een Christus-loze ziel.

Gemeente, laat onze onmacht vanavond nu evangelie mogen worden! Er is balsem in Gilead, er heeft een kruis gestaan op Gogoltha. Biddag in de lijdenstijd mag het meebidden met de moordenaar aan het kruis: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Één zucht die doordringt in het hemelhof, doet de genade uitstromen uit het hart van de Zoon. Ik ben Christus, Dien gij, o volk van Nederland, vervolgt heb. Maar zie Ik leef. Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn. O diepte van rijkdom!

Maar hoe kan dit? Hoe kan het eigenlijk dat Saulus niet omkwam door Gods toorn over de zonde? Gemeente, dit komt doordat Christus voor de Zijnen is gestorven. Onze gebeden kunnen opklimmen tot in de hemel, omdat de hemel zich sloot voor het gebed van Jezus aan het kruis. Hoor Hem bidden: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Geen antwoord. Geen antwoord opdat wij wel antwoord zouden krijgen.

Gewillig onderging de Zaligmaker de vreselijke kruisdood. Maar het graf heeft Christus niet kunnen houden. Hij stond op en voer op naar de hemel. Zondag 18 vraagt: Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voor-spreker is. Christus is onze enige Hogepriester, en bepleit onze zaak voor God de Vader. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt. Rom. 8:34

Hij stond in mijn plaats om mijn dood te sterven, en nadat Hij die enorme prijs betaald had, staat Hij nu in mijn plaats als mijn Voorspreker, mijn Advocaat om mijn zaak te verdedigen en mijn vrijspraak te garanderen. Christus zal er hoogstpersoonlijk voor zorgen dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God welke is in Christus Jezus onze Heere! Onze Advocaat heeft nog nooit een zaak verloren, en zal er ook nooit één verliezen. Door de Zoon hebben wij toegang tot de troon van de Vader.

Zal Hij ooit stoppen om voor de Zijnen te bidden? Nee! Hij heeft een onvergankelijk Priesterschap. Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. Hebr. 7:24-25 Net als de hogepriester voor God verscheen met op zijn borst de borstlap met daarop de stenen van de twaalf stammen, zo draagt Christus Zijn volk in Zijn hart met Zich mee voor de Vader. Die voorbidding gaat altijd door. Daarom kunnen we wel vallen, maar niet vervallen, wel uitglijden, maar niet storten in de eeuwige afgrond. Vandaar dat Gods volk mag zingen: Ik lag en sliep gerust, van ’s Heeren trouw bewust, tot ik verfrist ontwaakte..’

We mogen vanavond zien op onze overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Soms kunnen we klagen: Mijn weg is voor de Heere verborgen… maar nee! Wij worden nooit vergeten en aan ons lot overgelaten. O, wat zouden we zonder Hem beginnen en zijn?! Wat is dat volk gezegend die Christus als Voorspraak heeft! Zie Hem daar staan, pleitend voor Zijn Kerk. Als u soms zo koud bent of door zonde en aanklachten van de hel en het eigen hart de moed dreigt te verliezen, heft dan uw hoofden omhoog tot waar Christus is. Dagelijks moeten we met boete en berouw onszelf melden bij de hemelse Voorspreker.

En u, die nog niet het vredesleven met de Heere mag kennen. Vanavond wordt u Christus gepredikt die voor de overtreders gebeden heeft. Hij wil ons schenken de Geest der genade en der gebeden en wil Zelf onze Voorspreker bij de Vader worden. Onze gebeden zijn arm en nietszeggend, maar Jezus Christus wil ze brengen tot in het Vaderhart. En de Vader roept het ons toe, wijzend op de Zoon: Zie, Hij bidt! Mijn geliefde Zoon, in Welke Ik Mijn welbehagen heb.

Biddeloze mensen, worden bidders gemaakt door Gods Geest Die bidt met onophoudelijke zuchtingen. Totdat het geloof over mag gaan in aanschouwen en wij Hem mogen zien van aangezicht tot aangezicht daar in de troonzaal. Dan zullen wij Saulus zien, met een glimlach op zijn aangezicht. ‘Het was enkel vrije genade voor de grootste der zondaren’, zal hij ons toejubelen. Wat een dag zal dat zijn!

Nu nog biddag in een wereld vol zonde en schuld waar wij te strijden hebben met duivel, wereld en eigen vlees. Maar eenmaal zal de grote  ‘aan-biddag’ aanvangen! En God zal zeggen: Mijn Sion! En de Kerk zal antwoorden: Zie, hier zijn we! Glorie aan Hem, Die voor ons gebeden heeft!

Amen