Doorgaan naar hoofdcontent

Van komma naar liefde, Over het Johannesevangelie bij dr. H.F. Kohlbrügge


Inleiding


Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Romeinen 7:14 

Soms kunnen Bijbelteksten vergroeien met bekende theologen en andersom. Zo ook Romeinen 7:14. Binnen de theologiegeschiedenis is deze tekst als het ware een symbiose gaan vormen met het leven en oeuvre van Hermann Friedrich Kohlbrügge. Veel boeken en dissertaties die zijn gewijd aan de theologie van Kohlbrügge vinden hun climax in zijn ontdekking van ‘de komma’.(1)   

Los van de vraag of deze receptie terecht is, heeft deze focus wel geleid tot een zekere versmalling in de studie naar het oeuvre van Kohlbrügge. Zo is het opvallend dat er geen studies bestaan naar de Johannesreceptie van Kohlbrügge. Überhaupt is er weinig inhoudelijk onderzoek gedaan naar de preken van Kohlbrügge. En dit terwijl hij geen dogmatiek en slechts enkele systematische werken heeft nagelaten. J. Loos zegt hierover het volgende: ‘Kohlbrugge’s theologie is een schat, die verscholen ligt in zijn talrijke preken en grote en kleine geschriften.’(2) Men zou verwachten dat er daarom meer studies zouden bestaan naar zijn preken.(3)

Deze Masterscriptie wil graag in deze leemte voorzien en zich bezighouden met de Johannesreceptie van Kohlbrügge. We zullen de focus dus verleggen van de Romeinenbrief naar het evangelie van de liefde. Van Paulus naar Johannes. Van de bekende naar de minder bekende kant van Kohlbrügge. Van komma naar liefde. 


Soest, juni 2012 J.W.J. Treur


Inhoudsopgave


Inleiding
Inhoudsopgave
Achtergronden en opzet
I    De man
1 Kohlbrügge: ruig als een robbevel
2    Zijn tijd
    2.1 De negentiende eeuw
    2.1.1 Onrust in kerk en maatschappij
    2.1.2 Het Wuppertal
II Zijn preken
3   De Johannes preken
    3.1 De opbouw van de preken
    3.1.1 Een impressie
    3.1.2 Johannes 3:16
4 Analyse van de preken
    4.1 De perikoop
    4.1.1 Beschouwing van de perikoop
    4.2 In gesprek
    4.2.1 Jezus Christus
    4.2.2 Nicodemus en de Wet
    4.2.3 De gemeente
    4.2.4 Wedergeboorte en geloof
    4.2.5 De wereld
5 Conclusies
Dankwoord
Bibliografie


Achtergronden en opzet  


Zoals reeds vermeld zal deze masterscriptie zich bezighouden met de Johannesreceptie van Kohlbrügge. Hoewel er reeds uitgebreid onderzoek is gedaan naar zijn Romeinenreceptie is dit nog niet gebeurd voor zijn omgang met het Johannesevangelie. En dat terwijl een voorzichtige schatting laat zien dat Kohlbrügge ruim 90 preken heeft geschreven over het Johannesevangelie.(4)

De onderzoeksvraag waarop wij een antwoord zoeken, luidt als volgt:

Op welke wijze gaat dr. H.F. Kohlbrügge om met het Johannesevangelie in zijn acht leerrede-nen over het evangelie van Johannes, hoofdstuk 3:1-21?

De nadruk zal dus primair liggen op zijn gebruik van het Johannesevangelie. Kort gezegd: Wat doet hij ermee? En misschien wel net zo belangrijk: Wat doet hij er niet mee? Daarnaast zal getracht worden de gemaakte keuzes te verklaren met in het achterhoofd Kohlbrügges achtergrond en theologie.(5)  

Om tot een antwoord op de hoofdvraag te komen delen we de vraag op in twee delen: Wie was Kohlbrügge? En hoe gaat hij met het Johannesevangelie in zijn acht leerredenen om? 
Vandaar dat deze scriptie uiteenvalt in twee delen, namelijk: I De man en II Zijn preken. In het eerste deel zoomen we in op het leven van Kohlbrügge en de tijd waarin hij leefde. Op deze manier kunnen we zijn preken lezen tegen de achtergrond waarin ze geschreven zijn. 

In het tweede deel, dat tevens het belangrijkste deel van deze scriptie is, komen de Johannespreken aan bod. Allereerst zal er een ‘close reading’ van zijn Johannespreken plaatsvinden. Hierbij zullen we Kohlbrügge veelvuldig aan het w(W)oord laten. Vervolgens zullen een aantal opvallende thema’s en tendensen uit de preken verder onder de loep worden genomen. Na deze analyse zullen we in de conclusie tot een antwoord op de hoofdvraag proberen te komen.(6)

Tot slot is het van belang te vermelden dat de aangehaalde Bijbelteksten in deze scriptie, mits anders vermeld, uit de Statenvertaling (1637) komen. Naast het feit dat Kohlbrügge met deze vertaling is opgegroeid, wordt de Statenvertaling ook gebruikt in de acht leerredenen die wij onder de loep willen nemen. Vandaar deze keuze. Alle aangehaalde Bijbelteksten zullen tevens cursief vermeld worden. Als laatste nog een korte opmerking over de naam Kohlbrügge. In deze scriptie zal deze naam consequent met een umlaut worden geschreven, tenzij een citaat en/of bronvermelding een andere keuze maakt.(7) 





I De man






1 Kohlbrügge: ruig als een robbevel 


In dit hoofdstuk willen wij de persoon van Kohlbrügge nader bezien. Ik zal mij hierbij niet beperken tot een louter feitelijke biografie, maar zal proberen een vinger achter het karakter van deze man te krijgen. Wat bewoog hem? Hoe reageerde hij op keerpunten in zijn leven? Daar er tal van biografieën over Kohlbrügge zijn verschenen, zal ik in dit hoofdstuk de focus leggen op de belangrijkste gebeurtenissen in zijn leven en mij hierbij tegelijkertijd afvragen welke personen en overtuigingen hem het meest gevormd hebben. 

Op 15 augustus 1803 werd Hermann Friedrich Kohlbrügge geboren in Amsterdam. Hij was een zoon van Hermann Gerard Kohlbrügge en Petronella Teerhuys. De jonge Kohlbrügge werd vernoemd naar zijn grootvader Hermann Friedrich, die een beroemd zeeman was. Deze man die vriendschappelijke banden met de Engelse ontdekkingsreiziger James Cook onderhield, sprak volgens de overleveringen niet minder dan dertien talen.(8) Hoewel dit niet met zekerheid vast te stellen is, geeft het wel een mogelijke verklaring waarom zijn kleinzoon een grote voorliefde voor topografie, atlassen en talen had!(9)

Hoewel Kohlbrügge zijn jeugd doorbracht in Amsterdam, was het uit zijn kerkgang toch duidelijk dat hij van Duitse afkomst was. Zijn vader, die rond 1800 naar Holland was gekomen, ging in 1809 met zijn gezin over naar de hersteld-lutherse gemeente in Amsterdam.(10) Deze gemeente was ontstaan uit de lutherse gemeente vanwege onvrede met de rationalistische prediking die meer en meer haar intrede in de kerk had gedaan. Het is voor een juist verstaan van de vorming van Kohlbrügge van belang erop te wijzen dat hij is opgegroeid in een afgescheiden gemeente. Dit leerde hem al vroeg dat de kerk niet gevrijwaard is van polemiek en strijd. Iets waar hij later pijnlijke ervaringen mee zou hebben. 

Kohlbrügge groeide op in een politiek onrustige tijd. De Franse overheersing onder aanvoering van Napoleon trof de familie Kohlbrügge persoonlijk. Niet in de eerste plaats door de verplichte inkwartiering van Franse officieren, maar vooral door de economische malaise die volgde. De vader van Kohlbrügge die zeepfabrikant was, werd ernstig belemmerd in het inkopen van de benodigde grondstoffen. Dit kwam door het zogenaamde continentale stelsel wat Napoleon invoerde in 1806. ‘Dit behelsde een complex van maatregelen op economisch terrein om het drijven van handel van Engeland met het vasteland tegen te gaan.’ (11) Ondanks het bijspringen van de jonge Kohlbrügge in de fabriek van zijn vader, hing een faillissement als een donkere onweerswolk in de lucht. Het gezin met elf kinderen moest onderhouden worden en daarom besloot Kohlbrügge sr. met een kapitaalkrachtig persoon in zee te gaan. ‘Hij vond deze in 1822 in de persoon van Hendrik Bruyns Reynszoon, die de nodige bedrijfsmiddelen ten behoeve van het compagnieschap verschafte.’(12) Hoewel deze samenwerking op een fiasco zou uitlopen betekende dit wel dat de jonge Kohlbrügge kon gaan studeren. Daarom ging hij op zijn vijftiende jaar naar het gymnasium, toen nog de Latijnse school geheten.(13) Al snel bleek dat Kohlbrügge erg goed kon leren. Geïnspireerd door zijn vader en grootmoeder besloot Kohlbrügge om theologie te gaan studeren. Kohlbrügge sr. heeft ervoor gezorgd dat zijn jonge zoon het Oude Testament bijzonder zou gaan waarderen. Kohlbrügge schrijft hier later in het voorwoord van zijn boek Waartoe het Oude Testament? het volgende over: ‘Wanneer ik met dit boekje iets tot stand gebracht heb, dan dank ik dit, naast God, aan mijnen nu godzaligen vader, die, toen ik nog zeer jong was, tweemaal tot mij zeide: “Als ge de vijf boeken van Mozes verstaat, verstaat ge den geheelen Bijbel”.’(14) 

Tijdens zijn theologische studies raakte Kohlbrügge gefascineerd door oude dichters en de antieke filosofie. Later schrijft hij over deze periode het volgende: ‘Ik dacht niet meer aan het vroeger geleerde en begon eindelijk alle behagen te scheppen in heidense deugd en wijsheid, in joodse godsdienstigheid en eigengerechtigheid.’(15) Lang heeft zijn sceptische periode niet geduurd. ‘Zijn  breuk hiermee ervoer hij als zijn eerste bekering; deze vond plaats, nadat hij al geloofsbelijdenis had afgelegd in de Hersteld Evangelisch-Lutherse kerk, waartoe het gezin behoorde, en kandidaat in de theologie was geworden.’(16) Deze confrontatie met het moderne denken, wat met de Franse overheersing een nieuwe impuls had gekregen, maakte de jonge Kohlbrügge weerbaar, ja zelfs strijdbaar tegen alles wat volgens hem tegen Gods Woord inging.

Deze verandering in zijn denken en zijn waardering van de ‘moderne theologie’, leidde al snel tot conflicten binnen de Hersteld-Lutherse gemeente in Amsterdam waar Kohlbrügge als kandidaat was aangesteld. Zo kwam het tot een treffen met ds. D.R. Uckerman een oudere predikant die sinds 1817 in deze gemeente werkzaam was. Kohlbrügge diende een officiële klacht tegen hem in omdat hij ervan overtuigd was dat de leer van Uckerman niet met de Bijbelse leer in overeenstemming was. Hoewel de kerkenraad getracht heeft om een verzoening tot stand te brengen, wilden beide heren niet tot overeenstemming komen. Tekenend voor Kohlbrügge is dat hij, ondanks het vooruitzicht op ontslag, zich niet liet vermurwen tot spijtbetuiging. Met de bedelstaf in het vooruitzicht bleef hij voet bij stuk houden en op 19 juli 1827 werd hij officieel van zijn taken ontheven. 

Dit belangrijke keerpunt in het leven van Kohlbrügge zorgde ervoor dat hij in 1828 van Am-sterdam naar Utrecht verhuisde. Hier begon hij aan zijn promotieonderzoek. Dit had hij aan zijn vader bij diens sterfbed beloofd. Ook hier is zijn leven niet vrij van moeilijkheden. Zo leefde hij in armoede, had geen uitzicht op een baan en zijn verloving met Catherina Louisa Engelbert kwam onder druk te staan. Dit laatste kwam doordat de oom van Kohlbrügges verloofde, de heer H.J. Scholte hem eigenlijk niet mocht. Zo stuurde hij aan op een openbaar excuus van Kohlbrügge richting de door hem bekritiseerde D.R. Uckerman en stelde hij aller-hande eisen aan Kohlbrügge voordat hij diens zegen zou geven. Al deze problemen hebben ongetwijfeld een schaduw geworpen op het huwelijk wat op 30 juli 1829 dan toch eindelijk gesloten werd. Het excuus is er nooit gekomen. 

Ondertussen was het niet alleen in familiair verband onrustig. Wederom had Kohlbrügge de strijd aangebonden met het, in zijn ogen, verfoeilijke rationalisme. Zijn proefschrift over Psalm 45, die hij zonder begeleiding van de universiteit had geschreven, deed het nodige stof opwaaien. In zijn proefschrift komt zijn voorliefde voor het Oude Testament opnieuw duidelijk naar voren.(17) Met in zijn achterhoofd de aan populariteit winnende Friedrich D.E. Schleiermacher (1768-1834) en de theologie van de Verlichting schreef hij zijn studie. In het spoor van Luther en Calvijn wilde hij Christus de plaats geven die Hem, in zijn ogen, toekomt.(18) In zijn dissertatie legt hij Psalm 45 daarom christologisch uit.(19) Hoewel de hoogleraren van de universiteit Utrecht deze gedachtegang verouderd en zelfs onwetenschappelijk vonden, werd hij toch cum laude bevorderd tot doctor in de godgeleerdheid(!)(20)

Wat men ook over Kohlbrügge kan zeggen, men moet hem nageven dat hij niet de makkelijkste wegen koos. Zijn overtuigingen, die hem eerst werkloos maakte, bezorgde hem nu veel tegenstanders vanuit het liberale kamp. Dit was ook goed te merken toen Kohlbrügge toenadering zocht tot de Hervormde Kerk. Door grondige studie was hij tot de overtuiging gekomen dat hij lid moest worden van de Hervormde Kerk en dat hij zich volledig moest scharen achter de gereformeerde leer. De van huis uit Lutherse Köhlbrugge was tot de con-clusie gekomen dat hij, vooral wat betreft de sacramentsleer, meer in het spoor van Calvijn wilde gaan. Maar net als bij de Hersteld Lutherse gemeente ging het ook hier mis. ‘De synode, de provinciale kerkbesturen van Utrecht en Noord-Holland werden er in gemengd, totdat eindelijk, in november 1832, dus na bijna drie jaar, een definitieve afwijzing volgde op louter formele gronden.’(21) De Hervormde Kerk was bevreesd, en niet zonder reden, dat Kohlbrügge weleens voor problemen zou kunnen gaan zorgen. Hoewel Kohlbrügge aangeslagen was door deze afwijzing, liet hij het hier niet bij zitten. In 1833 publiceerde hij de correspondentie met de Hervormde Kerk onder de veelzeggende titel: Het lidmaatschap bij de Hervormde gemeente hier te lande mij willekeurig belet.

Als men de roerige biografie van Kohlbrügge op zich in laat werken lijkt het net alsof hij niet zonder polemiek door het leven kon gaan. Dat hij een man was die continue mensen tegen zich in het harnas joeg. Toch is het waar wat P.J. Stam over Kohlbrügge schreef: ‘Wie hem oppervlakkig bestudeert ontmoet een harde en verbitterde man maar wie hem beter leert kennen door langdurige omgang met zijn werk ontmoet een mens van vlees en bloed met een heel klein hart.’(22)

Dat Kohlbrügge een mens van vlees en bloed was komt duidelijk naar voren tijdens het sterven van Catherina. Net voordat het hierboven vermelde boek uitkomt sterft zijn vrouw, na amper drie-en-half jaar huwelijk, op 12 februari 1833. Zij laat een man en twee kinderen achter.(23) Kohlbrügge schrijft in een bewogen overlijdensbericht hierover het volgende: ‘In de nacht van 11 op 12 februari kwam het einde en is zij met blijdschap en verheuging ingegaan in het paleis van onze Heere en Koning, in het paradijs van onze God.’(24)

Een tweede punt waaruit duidelijk blijkt dat Kohlbrügge ook een zachte kant had, zijn de gepassioneerde preken waarin hij duidelijk laat merken dat hij een kind van de romantiek is. Zo kon hij met verve preken over de pracht van de schepping en haast in extase raken als hij de geheimen van Gods (heils)werk probeerde te doorgronden. Een voorbeeld uit zijn oeuvre: 

‘Maar voorwaar, zon en maan, ja, alle sterren zullen eerder terneervallen, dan dat de Heere God de opengebarsten akker, de dorstige ziel niet zou verkwikken met Zijn genadige regen. Hij zal, wat vol is, verbreken en wat leeg is, zal Hij vervullen. Hij heeft teveel kostelijke wijn; Hij moet vaten hebben, om deze wijn in te gieten, Hij kan het toch niet in de Rijn gooien! Daarom lege vaten, kom hierheen! Hierheen, gij allen, die in uzelf leeg bent! Hij heeft genoeg wijn!’(25)  

Ten slotte laat ook zijn veelvuldige correspondentie met talloze personen zien dat Kohlbrügge een pastorale kant had. ‘Hoewel Kohlbrugge op zijn sterfbed heeft bepaald, dat de in zijn huis aanwezige correspondentie moest worden vernietigd, bevat het Kohlbrugge-archief een verzameling van duizenden brieven.’(26) Zo blijkt Kohlbrügge een man van uitersten te zijn. Voor de mensen die hem goedgezind waren was hij hartelijk, maar je moest hem niet tegen je hebben.(27) Er zit een kern van waarheid in het oordeel dat sommige tijdgenoten van Kohlbrügge over hem velden: ‘Hij is ruig als een robbevel’.(28) 

Dat het tact en wijsheid vroeg om met Kohlbrügge om te gaan wist ook Isaäc da Costa. Deze bekende Réveilman was een goede bekende van Kohlbrügge. Ook in de Réveilkring, die onder leiding van Bilderdijk bijeenkomsten belegden, was Kohlbrügge een graag geziene gast en werd hij zelfs als geestelijk leidsman erkend.(29) Toch was Da Costa er niet helemaal gerust op hoe Kohlbrügge zich zou gaan ontwikkelen. Toen de Afscheiding in 1834 definitief doorbrak onder leiding van ds. H. de Cock, was hij bang dat Kohlbrügge zich bij deze groep zou voegen. Zijn angst bleek ongegrond. Kohlbrügge verzette zich dan wel tegen het (fysieke) geweld waar de afgescheidenen mee te maken kregen, maar hij dacht er geen moment aan om zich bij deze groep te voegen.(30)

Ondertussen ging het niet goed met Kohlbrügge. Zijn ambteloos thuiszitten en de spanningen in de maatschappij eisten hun tol. De spreekwoordelijke druppel kwam toen zijn vrouw hem, zoals reeds vermeld, ontviel op 12 februari 1833. Tijdens haar ziekbed is Kohlbrügge zelf ook ziek geworden en dusdanig verzwakt dat hij een dokter in moest schakelen. ‘De behandeld geneesheer adviseerde hem in het Rijnland herstel van zijn gezondheid te zoeken. Hij nam zijn driejarig zoontje Gerrit mee op reis.’(31) 

Kohlbrügge, die als jonge man reeds eerder een reis naar deze contreien had gemaakt stemde dus in het met voorstel. Echter, de voorgeschreven rust nam hij niet. Kohlbrügge, die de Duitse taal goed machtig was, ging in deze periode enkele malen voor als gastpredikant in Elberfeld. Zo ook op 31 juli 1833. Het was tijdens de voorbereiding op deze preek dat hij ‘de komma’ in Romeinen 7:14 ontdekte. ‘Door zijn ontdekking kwam hij tot het inzicht dat een christenmens niet onder de zonde verkocht is voor zover deze vleselijk is, maar dat hij geheel een “vleselijke”;  is en blijft.’(32) In deze beroemde preek komt duidelijk Kohlbrügges achting voor de wet naar voren.

‘De Wet zelf is een vuur, waarmee Hij Zijn eeuwige macht en majesteit heerlijk toegerust en versierd heeft en wonderlijk handhaaft; zij is een reine vlam van eeuwige werkzaamheid, van onophoudelijke onrust van de rust van het onuitputtelijk allesomvattend en overstromend licht van Zijn gerechtigheid en Zijn goedheid: een eeuwige weerklank van Zijn lof, hoog uit de hemelen naar beneden in de oren van de mensenkinderen.’(33)

Tot zover zullen de meeste van zijn hoorders het met Kohlbrügge eens zijn geweest. Deze hoogachting van de Oudtestamentische wetgeving was ook niet het hoogtepunt van Kohlbrügges ontdekking. Dit lag meer op het tweede gedeelte van Rom. 7:14: maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. 

‘Wat ik ben, ben ik het eigendom van de zonde; wat ik denk, is van de zonde; wat ik werk, doe of laat, is van de zonde. Zij heeft mij onder haar beheersing, en overal spreekt zij: U bent van mij, om mij te dienen, onder mijn macht te staan, u te keren en te wenden naar mijn believen.’(34)

De opbouw van Kohlbrügges preek vond haar culminatie in de overtuiging dat de mens de wet niet kan en mag houden(!) Het zogenaamde heiligheidstreven wat Kohlbrügge zag in de gemeenten van Elberfeld en waar hij eerst van onder de indruk was, keurde hij in de preek sterk af. De man van geen concessies kon hier niets mee want hij merkte dat hij alleen maar faalde in ‘het houden’ van Gods geboden. Zijn ontdekking van het ‘vleselijk’ maakte dat hij er voor eens en voor altijd mee ophield om zichzelf op te poetsen voor God. Deze existentiële ontdekking, dat de mens enkel in Christus, en dus niet in zichzelf heilig en rechtvaardig is, bracht hem een betere rust dan een dokter ooit had kunnen voorschrijven. 

‘Wie nu uit geloof van Jezus is, die houdt het “doe dat” niet aan de hand om zich van de zonde los te werken, want dat streven is zonde; en het is het bedrog van de zonde, wanneer iemand meent dat hij wat zal, moet, kan, met hulp van de genade van Christus; dat hij niet zó vleselijk is, niet zó onder de zonde verkocht, als ik het u van mijzelf beschreven heb; en meent dat hij nog het “doe dat”, juist omdat het geestelijk is, met zijn doen te vervullen heeft, en niet door geloof van Christus alleen.’(35)

Deze preek heeft het leven van Kohlbrügge, naar eigen zeggen, drastisch veranderd. Aan Ursulina Philippina baronesse van Verschuer, schreef hij op 23 november 1833 een brief, waarin hij het volgende over zijn ontdekking meldde: ‘Ik weet niet, dat mij in mijn leven iets meer heeft aangegrepen als die komma te zien. Ik viel neder voor de Heere, loofde Zijn Naam, prees Zijn erbarming en schreef met een mijzelf onbegrijpelijke snelheid de preek op, in einem Guss.’(36)

Aan de innerlijke rust die Kohlbrügge van deze ontdekking kreeg, kwam snel een einde. De bovenstaande brief vermeldt namelijk ook het volgende: ‘Goddeloos vind ik het schrijven van Da Costa: “Hoe kunt gij u met mogelijkheid nog beschouwen, als iemand, die de gereformeerde belijdenis toegedaan, alleen door de vijandschap der mensen verhinderd zijt geworden, overeenkomstig deze belijdenis, in de kerk, die dezelve bewaart, te worden toegelaten?”’(37)

Al snel na het houden van zijn preek ontmoette Kohlbrügge tegenstand. Niet alleen reageerde men overwegend afwijzend op zijn preek in Elberfeld, maar ook vanuit Nederland kwamen kritische vragen. Waar Da Costa eerst een brief van vriendelijke aard naar Kohlbrügge stuurde, veranderde deze al snel van toon. Da Costa, en met hem vele anderen, beschuldige Kohlbrügge van antinomianisme. Hij zou het belang van de heiliging niet genoeg benadrukken. Wat Kohlbrügge echter bestrijdt is een wetsvisie waarin deze van haar geestelijke karakter wordt ontdaan en zij in de aard van de zaak niet meer is dan een moralistisch gebeuren en als richtlijn tot het bereiken van een ‘beter ik’ wordt gebruikt.(38)

Hoewel wij niet verder ingaan op deze theologische discussie, is het wel van belang om de schrijnende gevolgen van deze strijd te benadrukken. Kohlbrügge verloor door deze verhitte discussie zijn vriendschap met Da Costa en met vele andere mannen van het Réveil. ‘Kohlbrugge zag vóór zich een rij van mensen, die met zijn preek niet konden instemmen, zoals –behalve Da Costa – predikanten in het Réveilcentrum Wuppertal, de Afgescheidenen en de Hersteld-Luthersen.’(39) 

Opnieuw kreeg Kohlbrügge dus te maken met polemiek en afwijzing. Alleen dit keer kwam het niet van een instituut (de Hervormde Kerk) maar van zijn dierbare vrienden. ‘Vandaar dat Kohlbrugge eens op de vraag van wie hij toch het meest verdriet heeft gehad zonder aarzeling antwoordde: “van mijn vrienden”.’(40) 

Toch was het niet alles kommer en kwel in deze periode. Op 31 oktober 1834 trad Kohlbrügge in het huwelijk met de zojuist genoemde baronesse Van Verschuer. Dit huwelijk, wat niet kerkelijk is bevestigd en ingezegend, heeft Kohlbrügge veel goeds gebracht. Het was deze vrouw die door haar invloed op hem ervoor gezorgd heeft dat Kohlbrügge in het geval van conflicten gematigder reageerde dan voorheen.(41) Het patroon van polemiek en strijd leek doorbroken te worden. 

Toch was Kohlbrügges diepste wens nog steeds niet in vervulling gegaan. Hij was nog steeds ambteloos. Opnieuw besloot hij een reis te maken langs de Rijn. Daar verbleef hij enkele maanden in Godesberg om tot rust te komen. ‘De vraag of hij nog ooit als geordend predikant het Evangelie zou mogen bedienen liet hem echter niet met rust.’(42) 

Op datzelfde moment was de gemeente waar Kohlbrügge zijn ‘komma’ preek had gehouden in ernstig verval geraakt. Er waren spanningen ontstaan door regeringsmaatregelen van bovenaf.(43) Het gebeurde hierdoor steeds vaker dat gemeenteleden van de Reformierte Gemeinde zelf bijeenkomsten gingen beleggen. Net als bij de Nederlandse Afscheiding was men ook hier niet tevreden over de gang van zaken en de bemoeienis van overheidswege. 

Het waren de invloedrijke broers, Carl en Daniël von der Heydt, die het idee opperden om Kohlbrügge om raad en bijstand te vragen in deze moeilijke tijd. Hoewel Kohlbrügge eerst heftig twijfelde, besloot hij toch om toe te stemmen. ‘Zo bezocht hij op zaterdag 6 juni 1846 Daniël von der Heydt om in diens huis een ontmoeting te hebben met 21 bezwaarde gemeenteleden. Hem werd gedurende twaalf jaar een redelijk traktement gegarandeerd, mits hij de gemeente zou willen leiden en haar dienen in prediking en catechese.’(44) 

Hoewel Kohlbrügge nu eindelijk een vaste werkplek kreeg, was hij nog steeds geen predikant. Zijn functie leek meer op dat van een oefenaar en omdat hij nog niet bevestigd was kon Kohlbrügge de sacramenten niet bedienen. Hij was echter de laatste om hierin van de vast omlijnde (kerkelijke) paden af te wijken. Deze situatie duurde bijna twee volle jaren, totdat de groep toestemming kreeg om een ‘echte’ kerkelijke gemeente te worden. Niemand minder dan koning Friedrich Wilhelm IV had op 30 maart 1847 een verordening doen uitgaan, op grond waarvan naast de landskerk vrije godsdienstige gemeenschappen konden worden gesticht.(45) Hij was ook degene die de gemeente adviseerde om de naam Niederländisch-reformierte Gemeinde aan te nemen, zodat er geen onenigheid kon ontstaan met de reeds bestaande gereformeerde gemeente ter plaatse. 

Op 9 mei 1848 werd Kohlbrügge dan eindelijk bevestigd tot predikant van de Niederlandisch-reformierte Gemeinde. Talloze preken die Kohlbrügge hier gehouden heeft zijn op schrift gesteld en ook in de Nederlandse taal uitgegeven. Zo ook de Johannespreken die in deze scriptie de aandacht zullen vragen. 

Kohlbrügge die na veel rondzwerven, letterlijk en figuurlijk, zijn plek in Duitsland had gevonden is hier tot aan zijn dood op 5 maart 1875 gebleven. Op 9 maart werd hij door leden van de inmiddels bloeiende gemeente aan de aarde toevertrouwd. 


2 Zijn tijd



Zoals uit de levensbeschrijving van Kohlbrügge blijkt, heeft hij vaak op gespannen voet gestaan met het kerkelijk gezag. Het was een man die zich niet makkelijk liet inpassen in bestaande kaders en geen genoegen nam met wat in zijn ogen een gezapige ‘status quo’ voorstond. Toch is het een misvatting te denken dat dit enkel en alleen aan Kohlbrügges karakter en overtuigingen te danken valt. Ook de tijd en context waarin hij leefde spelen een rol. Kohlbrügge mag daarom niet in een vacuüm gelezen worden. Hij was tenslotte ook kind van zijn tijd. En dat was een roerige tijd. In de komende paragrafen wil ik kort stilstaan bij de eeuw waarin Kohlbrügge opgroeide, de onrust die er heerste in kerk en maatschappij, maar vooral bij de plek waar hij eindelijk predikant werd: het Wuppertal. 

2.1 De negentiende eeuw  


‘Elke tijd heeft recht op eigen waardering. Maar niet elke tijd is even gemakkelijk te verstaan. Het vroegnegentiende-eeuwse Nederland draagt het odium van gezapigheid.’(46)

Deze kwalificatie van gezapigheid was vooral een waardeoordeel van kerkmensen die ontevreden waren met de toenmalige Hervormde Kerk. Men was onrustig en verlangde naar een nieuw elan in de kerk. Deze onrust en drang naar vernieuwing had haar wortels onder andere in de Verlichting en de moderne theologie die haar intrede in de kerk had gedaan. Deze ontwikkelingen resulteerde onder andere in de zogenaamde Afscheiding.(47)

Buiten de kerk had men inmiddels genoeg van de godsdienstpolemieken en riep men openlijk om verandering en tolerantie. Dit laatste was veelal gericht tegen de Hervormde Kerk en werd geuit door zowel afvalligen als voorstanders van andere geloofsrichtingen en denominaties, zoals bijvoorbeeld de Mennonieten en volgelingen van de Afscheiding. Deze worsteling tussen oud en nieuw, dit verzet tegen de status quo, maakte van de negentiende eeuw een dynamische tijd. Niet voor niets gaf de bekende historicus H. Algra zijn boek de veelzeggende titel ‘Het wonder van de negentiende eeuw’ mee.(48) Het was in deze roerige eeuw dat Kohlbrügge geboren werd. 

Omdat het onmogelijk is om een uitputtende beschrijving van de negentiende eeuw te geven, zullen we ons beperken tot de krachten en fronten waarmee Kohlbrügge te maken had. 

2.1.1 Onrust in kerk en maatschappij


De negentiende eeuw was een tijd van veranderingen. Zowel in politiek, godsdienstig als economisch opzicht. De regering van Willem I had met grote economische problemen te kampen om nog maar te zwijgen over de moeizame verhouding tussen Noord en Zuid.(49)
Willem I stond voor de moeilijke taak om Nederland tot een eenheid te smeden. De bevolking van Nederland had kort van te voren een diep ingrijpende mentaliteitsverandering ondergaan onder invloed van de Franse Revolutie van 1789. Door deze revolutie hadden de ideeën van de Verlichting een nieuwe impuls gekregen.(50) Tolerantie, vrijheid en gematigdheid waren de hoop van velen, maar al snel bleek dat Napoleon zich verregaand bemoeide met kerkelijke aangelegenheden.(51) 

Een gevolg van deze overheersing was dat de ideeën van de Verlichting hun doorwerking vonden in de theologie van de universiteiten. De nadruk kwam hoe langer hoe meer op de menselijke rede te liggen in plaats van op de autoriteit van de Schrift. Of scherper gesteld, de menselijke rede ging steeds openlijker uitmaken wat wel en wat niet gezaghebbend was.(52) Morele en theologische implicaties werden niet langer als vanzelfsprekend beschouwd, maar werden onderwerp van discussie. Kohlbrügge kwam hier voor het eerst mee in aanvaring tijdens de affaire met ds. D.R. Uckerman. Deze laatste sprak openlijk zijn voorkeur uit voor de Verlichting en loochende, in de ogen van Kohlbrügge, de fundamentele waarheden van de Bijbel. 

Al deze ontwikkelingen maakten van de overgang tussen de achttiende en negentiende eeuw een roerige tijd. Uiteindelijk leidde dit onder andere tot de zogenaamde Afscheiding. Als gevolg van de roep om de praxis pietatis, als reactie op de verscholastisering der theologie en het intellectualisme van de prediking, waarin de gewone man geen geestelijk voedsel kon vinden, begonnen velen zich af te zetten tegen de geest der Verlichting.(53) Het ‘gewone kerkvolk’ bleek dus niet onverdeeld positief over de veranderingen in de Hervormde Kerk. Het gevolg was dat men zich ging organiseren in zogenaamde conventikels.(54) Deze opstandigheid, als je het zo kunt noemen, is iets kenmerkends voor de negentiende eeuw. Juist de Verlichting had laten zien dat men zich wel degelijk aan bestaande structuren kon ontworstelen. 

Toch werd deze opstandigheid, met de godsdienstpolemieken nog vers in het geheugen, niet gewaardeerd. Zo werd de bekende ‘afgescheiden’ ds. H. de Cock (1801-1842) bij voorbaat beschuldigd van opzettelijke oproep en werd hem in de schoenen geschoven dat het hem om ‘vernieuwing der heillooze kerktwisten der 17de eeuw’ te doen was.(55) Men wilde van hem af en hij werd op dubieuze gronden geschorst.(56) Deze confrontatie met de Hervormde Kerk leidde in 1834 tot de Afscheiding. Twee jaar hiervoor had Kohlbrügge een soortgelijke ervaring toen hij zich stuk liep op de machtsstructuren van de Hervormde Kerk. 

Het was dan ook niet verwonderlijk dat Isaac da Costa vreesde dat Kohlbrügge zich bij deze beweging aan zou sluiten. Kohlbrügges hartenwens, namelijk het bekleden van het ambt, zou hierdoor immers in vervulling gaan. Reeds in 1835 waren er zo’n tachtig kleine afgescheiden gemeenten die maar wat graag een erudiet man als Kohlbrügge zouden willen aantrekken.(57) Toen een zekere ds. Brummelkamp Kohlbrügge een brief stuurde met de vraag of hij een beroep naar een afgescheiden gemeente in overweging zou nemen, antwoordde hij  met niet mis te verstane woorden: 

‘Brummelkamp, voordat er een Afgescheidene gemeente was, is er een zonde begaan, is er onschuldig bloed vergoten gelaten, dat de vloek heeft doen kleven op die en die, die de Afscheiding begonnen, voortgezet en tot hiertoe samengehouden hebben, en dat hetzij men zich daarvan bewust of onbewust was; op al kleeft dat oordeel, die die zonde begaan of zich aan de vergieters van dat bloed aangesloten hebben en die, zolang het eigen er niet ook gemoeid was, gehoorzaamd hebben; zonder die zonde was er zeker geen afscheiding gekomen, en gijlieden hadt [sic.] het heil van de Heere gezien met kracht, met wonderen en met tekenen van de God Israëls.’(58)

Dit harde antwoord getuigt van oud zeer. Volgens J.C.S. Locher had zijn weerzin tegen de afscheiding haar wortels in een eerdere teleurstelling bij zijn afwijzing door de Hervormde Kerk. Vele vooraanstaande theologen, die toen zwegen, wilden hem nu bij de afscheiding betrekken.(59) Kohlbrügge bedankte hier onhartelijk voor. 

Te midden van de onrust in kerk en maatschappij werd Kohlbrügge dus telkens gedwongen om een positie in te nemen. Er werd nauwlettend op zijn doen en laten gelet. Dit toont aan dat hij reeds tijdens zijn leven een invloedrijk figuur is geweest. Toch lijkt er in de rechtlijnigheid van Kohlbrügge een scheur te komen als hij uiteindelijk predikant van de Niederländisch-reformierte Gemeinde wordt. Deze gemeente stond buiten de staatskerk en desondanks stemde Kohlbrügge ermee in om er te gaan werken. De vraag of deze keuze inconsequent was valt buiten deze scriptie, maar voor een juist zicht op de gemeente is het wel van belang om de situatie in de regio Wuppertal in het algemeen, en van de gemeente te Elberfeld in het bijzonder, onder de loep te nemen.(60)

2.1.2 Het Wuppertal 


In dit gedeelte willen wij kort de aandacht vestigen op de godsdienstige en sociaal-maatschappelijke situatie van het Wuppertal ten tijde van Kohlbrügge. De kerk leefde ook toen niet in een vacuüm en het is daarom van belang om een beter beeld te krijgen van de context waarin Kohlbrügge zijn Johannespreken hield. 

Het hedendaagse Wuppertal ligt in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. De stad dankt haar naam aan de rivier de Wupper. De stad heeft bijna 400.000 inwoners en is tot stand gekomen door een samentrekking van verschillende dorpen. Sinds 1929 behoort ook Elberfeld tot het Wuppertal. Net als vroeger speelt de industrie ook nu nog een belangrijke rol in dit gebied. Het is dit gebied waarnaar Kohlbrügge vertrok vanuit Nederland. 

Net als in Nederland had ook in Duitsland de Verlichting voet aan wal gekregen. Vooralsnog was er geen sprake van secularisatie toen Kohlbrügge in het midden van de 19e eeuw arriveerde in het Wuppertal. Hij kwam terecht in een bruisend gebied wat gold als het centrum van de beginnende industrialisatie en scherpe klassentegenstellingen.(61) ‘Textielnijverheid en handel bepaalden het beeld van het economische landschap in het Wuppertal.’(62) Ook in Elberfeld waren velen werkzaam in de industrie. De sterk groeiende economie had echter ook schaduwzijden. Zo gingen kleine zelfstandigen onderuit en groeide de kinderarbeid exponentieel. J. Kommers zegt hierover het volgende: ‘Al op zeer jonge leeftijd werkten kinderen in de fabrieken. De verschrikkelijke toestanden die dit met zich meebracht en de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden, waren ten hemelschreiend.’(63)

Deze ontwikkelingen hebben uiteindelijk geresulteerd in (gewapende) protesten van de arbeiders en een sterke opkomst van het communisme. Van de kant van de kerk bleef het vooralsnog erg stil. Ook Kohlbrügge zwijgt hierover in de Johannespreken. En dat terwijl hij aan den lijve heeft ondervonden hoe het is om als kind hard te moeten werken. Waarom Kohlbrügge hier over zwijgt is niet duidelijk. Misschien zaten zijn hoorders niet te wachten om op zondag ook met de harde realiteit geconfronteerd te worden.(64) Er waren in ieder geval behoorlijk hoge verwachtingen van Kohlbrügge en op een enkel conflict na, was de gemeente in Elberfeld tevreden met hem.  

Naast alle sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen kende het Wuppertal ook een diepgeworteld godsdienstig leven. ‘De ervaring van de predikanten die toentertijd in het Wuppertal werkten was dat daar, vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, een levende gemeente met een krachtig kloppend geestelijk leven bestond.’(65) Het kerkelijk leven was voornamelijk evangelisch-reformatorisch van aard. Het geestelijk profiel is te zoeken in een vermenging van een – overwegend - calvinistische orthodoxie, het piëtisme en het gedachtegoed van de erweckungsbeweging in een tijd waarin wij een opkomende kapitalistische gezindheid en een sociaal-democratische beweging zien, aldus Kommers.(66)  

De vraag naar een rechtvaardig God en de nadruk op wedergeboorte, geloof en bekering, waren niet vreemd voor de kerkgangers van het Wuppertal. Mede daarom vond Kohlbrügge afname en waardering voor zijn prediking.       





II Zijn preken






3   De Johannes preken



In dit gedeelte van de scriptie willen wij een aantal Johannespreken van Kohlbrügge onder de aandacht brengen. In een achttal preken, ook wel leerredenen genoemd, behandelt Kohlbrügge het derde hoofdstuk van Johannes en daarvan de eerste eenentwintig verzen.(67)  
Deze serie heeft Kohlbrügge in een tijdbestek van ongeveer twee maanden behandeld en hij sluit deze, opvallend genoeg, af met een slotrede over Romeinen 8:32. Ook deze slotrede zal in de analyse worden meegenomen. 

De rede waarom voor deze prekenserie gekozen is, is vierledig. De eerste rede ligt in het feit dat Johannes 3 tot één van de bekendste hoofdstukken van het Johannesevangelie behoort en vers 16 is misschien wel het bekendste vers van de hele Bijbel.(68) C.L. Blomberg zegt hierover het volgende: ‘Verse 16, of course, is one of the most precious promises in all the Bible and is often memorized.’(69) Dit vers werkt, zeker heden ten dage, als een duidelijke identiteitsmarker van het christelijk geloof en niet minder voor hen die een exclusiviteitsclaim voorstaan. Vanwege het gewicht van dit hoofdstuk, laat het zich dus goed lenen voor een nadere exploratie, ten einde de Johannesreceptie van Kohlbrügge op het spoor te komen. 
Een tweede reden is gelegen in het feit dat dit hoofdstuk interessant is om te bespreken vanuit de theologische achtergrond van Kohlbrügge. Hij wil - naar eigen zeggen - graag in de gereformeerde traditie staan. Het is juist dit bekende hoofdstuk wat het belang van een nieuwe geboorte (ook wel wedergeboorte genoemd) bepleit. Johannes 3 behandelt dus één van de pijlers van het gereformeerd belijden. Daar Kohlbrügge veelal vanuit ‘zijn’ Romeinenvisie wordt benaderd, is het interessant om te zien hoe hij dit kernhoofdstuk van Johannes behandeld.(70) Legt hij dwarsverbanden? Hoe functioneert zijn duidelijke hang naar Paulinische noties binnen deze preken? 
Een derde reden om voor deze preken te kiezen is het feit dat ze als een serie gepreekt zijn. De preken behandelen stap voor stap de perikoop en iedere preek op zich moet dus in een breder verband worden gelezen. Dit maakt het goed mogelijk om de preken onderling te vergelijken, zeker omdat ze in dezelfde periode van het leven van Kohlbrügge zijn gehouden. Na jarenlang ambteloos thuis gezeten te hebben werd Kohlbrügge op 9 mei 1848 dan eindelijk bevestigd tot predikant van de Niederlandisch-reformierte Gemeinde. Vier maanden later op 10 september 1848 hield hij de eerste preek van deze serie. Het is van belang te beseffen dat Kohlbrügge alvorens hij deze preek uitsprak al een hele (levens)weg achter zich had liggen. Dit was het moment waar hij naar uit had gezien. Omdat zijn theologische bagage zich min of meer had uitgekristalliseerd kun je stellen dat Kohlbrügge hier op de top van zijn kunnen zat. J. Kommers zegt hier het volgende over: ‘Kohlbrügge was nu in zijn element. Met zijn eruditie, zijn warm hart voor prediking en gemeente en zijn pastoraal invoelingsvermogen kon hij zich nu helemaal ontplooien.’(71) 
Tot slot is het methodologisch verantwoord om deze serie preken onder de loep te nemen. Deze prekenserie bestaat uit preken die Kohlbrügge zelf heeft opgeschreven.(72) Hier komt nog bij dat Kohlbrügge van de uitgave van deze preken afwist en dat hij hier en daar nog latere correcties heeft doorgevoerd. Dit kunnen we opmaken uit correspondentie met zijn vriend Johannes Wichelhaus (1819-1858).(73) Op 9 februari 1849 schrijft hij het volgende aan Wichelhaus: 

‘Ich habe nichts dagegen, daß die Nikodemuspredigten bald aufgelegt werden, meine aber, wir können damit wohl bis nach Ostern warten! Die zweite Predigt gefiel mir nicht, da ich sie geschrieben hatte. Ich sah beim Aussprechen ungemein viel mehr in dem Text. Laß davon eine Abschrift machen und schicke mir sie per Fahrpost zu, so will ich mal sehen, ob ich noch wieder darauf kommen kann. Ich werde im März am besten Zeit haben, um zu ergänzen, was der geschriebenen Predigt abgegangen ist.’(74)

En ten slotte op 5 juli 1849: 

‘Herzlichen Dank Dir und dem lieben Meier für die Mühe, die Ihr Euch gegeben habt, meine Predigten, so schön ausgestattet, zum Druck zu befördern. Nach längerer Überlegung gefällt es uns am besten, einen ein-fachen Titel drucken zu lassen, so: „Acht Predigten über Evang. Johannes 3,1-21, nebst einer Schlußpredigt über Röm. 8, Vers 32. (Ein Inhalt braucht nach unserm Dafürhalten diesmal nicht besonders angegeben zu werden.) Von H. F. Kohlbrügge, Dr. theol. und Pastor etc., Elberfeld, bei Julius Bädeker“.’(75)

Waarom Kohlbrügge uiteindelijk heeft besloten om af te zien van de titel ‘Nikodemuspredigten’ is niet duidelijk. 

3.1 De opbouw van de preken 


De Johannes 3 preken van Kohlbrügge beginnen, op de eerste preek na, met een zogenaamde voorspraak.(76) Dit is een soort van korte reden waarin wordt teruggegrepen op de vorige preken en/of waarin een nieuwe geloofswaarheid wordt geponeerd die in de daarop volgende preek zal worden uitgelegd. Kohlbrügge blijkt oog te hebben voor de context van het derde Johannesevangelie en voor de doorlopende lijn in de perikoop. Zo begint hij de eerste preek van deze reeks met een verwijzing naar hoofdstuk twee, wat hij direct koppelt aan de relevantie voor het derde hoofdstuk van het Johannesevangelie.(77) Naast het uiteenzetten van de context gebruikt Kohlbrügge de voorspraak ook vaak als een soort van ‘luisterwijzer’. Niet alleen hoort men in het kort wat er komen gaat of wordt men herinnert aan wat reeds gezegd is, maar Kohlbrügge benadrukt zonder omhalen de relevantie van de komende preek. Een duidelijk voorbeeld hiervan vindt men in de achtste preek uit de serie:

‘In dit morgenuur hebben wij hoogstbelangrijke woorden te behandelen, woorden, die zonder gedruis te maken voortgaan met over het eeuwig wel of wee van de mens te beslissen; woorden, die blijven en waar niets tegen te doen valt. […] De Heere geve ons genade, dat wij Zijn woorden ter harte nemen.’(78) 
Na de voorspraak volgt in de meeste gevallen een nadere verdeling van de preek in drie, dan wel vier punten. Waar hij dit niet doet fungeert het verloop van de tekst als leidraad voor de preek. In dit laatste geval is de structuur van de preek niet altijd even doorzichtig. 
Hoewel Kohlbrügge de tekst al toepassend uitlegt, volgt er aan het einde van de preek nog een aparte toepassing van het gehoorde op de hoorders. Verdere inhoudelijke punten zullen worden behandeld in hoofdstuk 4.

3.1.1 Een impressie 


Kohlbrügge was een man met visie. Een visie die hij wilde overdragen op de gemeente van Elberfeld en verder aan iedereen die maar naar hem wilde luisteren. De preken die we willen onderzoeken zijn allen van zijn hand. Kohlbrügge wilde als doorgeefluik van de Bijbelse boodschap fungeren. Het moge duidelijk zijn dat de persoon en geschiedenis van Kohlbrügge in de preken terugkomen. Juist daarom is het bij een receptiestudie van belang om het profiel van de auteur in het oog te houden. Duidelijk is dat Kohlbrügge zichzelf zag als een ambtsdrager die belast is met het prediken van het Woord. Hij zegt hierover het volgende: ‘Ik oefen het predikambt niet uit als een handwerk, om daarvan te leven, of daarvan eer, gewin en genoegen te hebben, maar ik dien u als iemand, die ook dood was in zonde en ongerechtigheid, maar die toch nooit ofte nimmer beschaamd werd, wanneer hij zich op het Woord verliet.’(79) 

Het zijn de overtuigingen, geschiedenis en persoon van Kohlbrügge die mee hebben gespeeld in zijn hermeneutische en exegetische keuzes.(80) Zo is zijn interpretatiekader onder andere gevormd door zijn ontdekking van de komma (ofwel zijn visie op de Paulinische theologie). Maar ook zijn drang naar authenticiteit en zijn visie op de verhouding tussen vleselijke en aangevochten mensen speelden hierbij een belangrijke rol.  Dit zal in hoofdstuk 4 verder worden uitgewerkt.

Voordat we de preken zullen analyseren en de karakteristieke trekken van Kohlbrügge proberen te destilleren, zullen we eerst een impressie geven van een preek uit de serie. Het doel hiervan is om zowel Kohlbrügges inhoud als retoriek recht te doen. Door Kohlbrügge in dit gedeelte zelf aan het w(W)oord te laten, zullen we meer voeling krijgen met zijn stijl en opbouw van zijn preken. Daarnaast zal deze preek het ‘vertrekpunt’ vormen van onze verkenning van de overige preken.

3.1.2 Johannes 3:16


Zoals gezegd gaat deze prekenserie over de eerste eenentwintig verzen van Johannes 3. De keuze van Kohlbrügge om deze perikoop zo af te bakenen, ligt voor de hand aangezien het inhoudelijk een afgerond geheel vormt. Het hoofdstuk gaat over een bezoek van Nicodemus aan Jezus, waarbij het belang van een nieuwe geboorte uit water en Geest benadrukt wordt. Ook legt Jezus uit dat slechts zij die in de eniggeboren Zoon van God geloven niet verloren zullen gaan, maar eeuwig leven zullen hebben. Het geven van de Zoon door de Vader wordt in vers 16 een liefdesdaad genoemd en geldt als een van de meest bekende verzen van het Johannesevangelie.(81) In deze subparagraaf willen wij een korte impressie geven van de preek over Johannes 3:16. Hierbij zullen wij vooral letten op de opbouw, stijl en retoriek van Kohlbrügge.  

Zoals bij meerdere preken uit deze serie wordt ook deze preek begonnen met een voorspraak/inleiding.(82)  Deze wordt ingezet met een voorbeeld van een Roomse man, die Christus niet wilde erkennen als degene die voor eeuwig de zonden heeft uitgewist. De fout van deze man zat, volgens Kohlbrügge, in het feit dat hij barmhartigheid wilde verkrijgen zonder de gerechtigheid te omhelzen die alleen voor God geldig is. De functie van dit voorbeeld is tweeledig. Het trekt de aandacht van de hoorder en maakt, door een negatieve omschrijving van de (valse) gerechtigheid, nieuwsgierig naar wat het dan wel moet zijn. 

Na dit inleidende voorbeeld voegt Kohlbrügge er direct aan toe dat de hoorders van de preek gelukkig beter onderwezen zijn. Waar de Roomse man het zonder gerechtigheid moest stellen, leert Christus aan de gemeente dat zij zich als rechtvaardigen in Hem moeten zien. 

‘Aangezien wij beter onderwezen zijn schenke God ons genade, dat wij ook daarnaar handelen en wandelen. Onze dierbare en genadige Heiland Jezus Christus heeft ons geleerd wat Hij voor ons van Godswege geworden is. hij heeft ons geleerd hoe wij Hem hebben aan te zien: namelijk als zonde voor ons en als een vloek voor ons. Ook heeft Hij ons geleerd, dat wij onszelf te beschouwen hebben als rechtvaardigen in Hem.’(83) 

Het contrast tussen de Roomse man en de gemeente zit hem dus in het ‘beter onderwezen zijn’. Hiermee doelt Kohlbrügge onder andere op de achterliggende preken uit de serie waarin hij heeft uitgewerkt wat het betekent om door God rechtvaardig en heilig gerekend te worden. Kohlbrügge herhaalt na deze oproep aan de gemeente nog eens kort wat hij in de afgelopen preken heeft behandelt. Daarbij noemt hij opnieuw twee partijen die hij in de afgelopen weken telkens heeft laten terug komen, namelijk de eigengerechtige en de bekommerde, ook wel de farizeeër en de aangevochtene genoemd. Krachtig roept Kohlbrügge de hoorder aan het einde van de voorspraak op om te luisteren en te handelen naar de boodschap die komen gaat. Hoewel Kohlbrügge opvallend weinig in de eerste persoon over zichzelf spreekt, positioneert hij zich in de voorspraak als iemand die op Gods bevel de bazuin aan de mond zet:

‘Wie het nu horen en ter harte wil nemen, die hore opnieuw in dit morgenuur, hoe ik onverdroten, op bevel van mijn God, de bazuin aan de mond zet, opdat een iegelijk afstand doe van alle ongerechtigheid en eigen-gerechtigheid en tot de kwade gedachten van een iegelijk uwer zeg: “Er uit! Ga weg van mij!”’(84) 

Na deze voorspraak vervolgt Kohlbrügge zijn preek door vier aandachtspunten op te sommen die hij namens God wil doorgeven: 1. De wereld, 2. Dat God deze wereld heeft liefgehad, 3. Dat Hij haar zó lief heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, 4. Waartoe God Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. 

Kohlbrügge behandelt elk afzonderlijk punt even lang, waarbij opvalt dat de eerste drie punten vooral een uitleg van de tekst zijn en het vierde punt een toepassing van het gehoorde is op de (geestelijke) situatie van de hoorders. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze wisselwerking van uitleggen en toepassen gedurende de gehele preek toegepast wordt, maar in het bijzonder bij het vierde punt. Hierdoor wordt de hoorder bij de preek betrokken en uitgedaagd om een antwoord te vormen op het gehoorde. Dit proces van toepassing bestaat in deze preek uit de volgende drie vormen: 1. Het stellen van vragen waarop de gemeente antwoord dient te geven. 2. Door geloofswaarheden vanuit de ‘wij-vorm’ te poneren en zo de gerichtheid van de hoorder te bepalen. 3. Door als het ware de hoorder te laten spreken in de eerste persoon enkelvoud. Dit vindt meestal plaats door fictieve gesprekken tussen de tekst en de hoorder, of de spreker en de hoorder, of tussen de hoorder en God. 

Het eerste punt dat Kohlbrügge behandelt is de vraag wat nu precies met ‘de wereld’ in Joh. 3:16 wordt bedoeld. Hij stelt zich hardop de vraag waarom God hier niet exclusief over ‘Zijn volk’ spreekt. Het antwoord wat volgt heeft, zo zal blijken, een belangrijke functie in de preek. Het is didactisch sterk te noemen dat Kohlbrügge in dit eerste gedeelte terugwijst naar eerdere preken uit de serie als hij opnieuw Nicodemus introduceert en tegelijkertijd laat zien waar het in deze preek om zal draaien, namelijk wie en wat de wereld is en waarom de hoorders zich tot deze wereld dienen te rekenen. 

‘Waarom zegt onze Heere niet: Alzo lief heeft God Zijn volk gehad? Dáárom niet, omdat dit voor Nicodemus geen troost zou zijn geweest, wanneer hij later tot de erkenning van zijn verlorenheid zou gekomen zijn. Want wie een arm zondaar geworden is, kan zich niets meer aanmatigen, is met de wereld op één hoop geworpen.’(85)

Hier wordt dus al duidelijk een koppeling gemaakt tussen verlorenheid en wereld. Wat Kohlbrügge met de wereld bedoelt werkt hij vervolgens uit waarbij hij zijdelings ook ingaat op de vraag of God, aangezien Hij de wereld liefheeft, een algemene genade tentoonspreidt. 

‘De wereld bestaat uit een ontelbare menigte mensen, die in volslagen vijandschap met God leven. Afvalligen van God, opstandelingen, schenners van Zijn heilige Majesteit, doden in zonden en misdaden, slaven der zonde en zonder verwachting. […] Geheel van God afgevallen, ligt zij in de banden der zonden en des doods, en komt uit zichzelf daar nimmer van los.’(86)

‘Heeft de Heere dan een algemene genade geleerd? Geenzins. De Heere, die ook eenmaal zeide:  Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt – weet wel wat Hij onder de wereld verstaat.’(87)

Omdat niet alleen Nicodemus, maar ook de gemeente van Elberfeld goed dient te weten wie er met de wereld wordt bedoeld, wijst Kohlbrügge aan het einde van het eerste punt nogmaals op het belang hiervan. De kern van dit eerste punt is dat de gemeente de wereld is en dit ook moet beseffen en belijden. De gemeente mag zich getroost weten omdat God juist deze wereld heeft liefgehad.  

‘Daarom zeide onze Heere niet: “de Farizeeën”, niet “het volk Gods”, niet “Zijn uitverkorenen”, maar “de wereld”. Hij zeide het met dit woord, opdat Nicodemus zou erkennen, wie hij was – en tot dit doel lezen en vernemen wij ook: “Alzo lief heeft God de wereld gehad.” Dit alles is dan tot troost gezegd voor degenen, die niets kunnen aanwijzen, dat hun op de genade aanspraak zou kunnen geven. […] Wie zich alzo onder alle diepgezonkenen en van God afgevallenen als de diepstgezonkene en als de van God meest afgevallene kent, die zal gaarne tot die wereld willen behoren, die God heeft liefgehad.’(88)

Nadat Kohlbrügge uiteen heeft gezet wat de wereld is, werkt hij in het tweede punt uit dat het een wonder is dat God deze wereld heeft liefgehad. Hij begint hiermee door een leerstellige opsomming van Gods eigenschappen te geven. God is algenoegzaam en volmaakt gelukkig in Zichzelf, aldus Kohlbrügge. Omdat God volkomen heilig is heeft Hij ‘moeite en arbeid’ met de wereld. Zijn gerechtigheid zou Hem ertoe moeten zetten om de wereld in de verdoemenis te laten liggen. Dat God de wereld echter niet in de verdoemenis laat liggen is de kern van het tweede punt en Kohlbrügge vervolgt met het benadrukken van het wonder hiervan. Hij doet dit door te benadrukken wie God is en dat Hij vanaf het begin het goede met de mens heeft voorgehad.

‘Laten we toch goed verstaan, van wie hier gesproken wordt. Er wordt hier niet gesproken van een keizer of koning dezer aarde, dat die ons lief heeft gehad, maar van de volzalige God, van de grote en levende God, die de hemel der hemelen niet bevatten kan. Bovendien is Hij door de wereld schrikkelijk beledigd geworden. Want Hij heeft ons allen goed en naar Zijn beeld geschapen; en Hij heeft ons een heerlijk Paradijs gegeven, overvloed van alles, en slechts één gebod, dat echter zó goed, zó rechtvaardig, zó wijs en geheel zó gesteld was, dat het alleen tot ons geluk kon bijdragen.’(89)  

Volgens Kohlbrügge is God beledigd doordat wij argwaan tegen God gekregen hebben en tot op de dag van vandaag verkeerde gedachten van Hem hebben. Dit is volgens Kohlbrügge onterecht omdat God juist de wereld heeft liefgehad. Ter illustratie haalt Kohlbrügge vervolgens enkele teksten aan uit het Oude Testament om aan te geven hoe groot het wonder is dat God ‘nochtans’ de wereld heeft liefgehad.(90)  

Nadat Kohlbrügge duidelijk heeft gemaakt dat God de wereld liefgehad heeft, vervolgt hij met uit te leggen waarom God de wereld heeft liefgehad. Hij lijkt hiermee te anticiperen op vragen die bij de hoorders tijdens het luisteren gerezen zijn. Vanuit retorisch oogpunt gezien, geeft de onderstaande vraag richting aan de preek en vanuit didactisch oogpunt gezien wordt de hoorder bij de preek betrokken en wordt er weer vanuit een ander oogpunt naar de tekst gekeken. 

‘Maar is er misschien toch nog iets in de wereld, die God heeft liefgehad, waarom Hij haar heeft liefgehad?’(91) 

Kohlbrügge gaat op deze vraag in door het antwoord van de hoorders te sturen: 

‘Een ieder antwoorde daarop voor zichzelf, of er iets in hem is of geweest is, waarmee hij de liefde van de heilige God heeft kunnen winnen. De Wet oordeelt geestelijk, d.w.z. de zonden, zowel verborgene als openbare, zowel gedachte als bedreven, de schrikkelijke ontrouw jegens God, de hardheid des harten, het ongeloof, de duizendvoudige doodsheid, bovendien al het gruwelijke en afschuwelijke, dat in het hart der mensen omgaat.’(92)

Het antwoord wordt voor de hoorder dus al vorm gegeven door op de Wet van God te wijzen die geestelijk is, en de mens veroordeelt. Kohlbrügge werkt deze opmerking over de geestelijkheid van de Wet niet verder uit, maar zoals in hoofdstuk 4 zal blijken, speelt hier een hele belangrijke overtuiging van Kohlbrügge mee op de achtergrond. Kohlbrügge eindigt dit tweede punt door als het ware God direct tot de hoorders te laten spreken en vervolgens opnieuw op te roepen tot het beseffen van het wonder dat God de wereld heeft liefgehad.

‘“Wat was er in mij, dat Gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben? Wat was er in mij, dat Gij U over mij hebt willen ontfermen en mij hebt willen liefhebben?” […] Is het liefde, liefde Gods, laten wij met deze liefde tevreden zijn. Ja, dat moet gij willen, gij, die daar zucht onder de last van uw zonde en onder de last van alles wat hier beneden is.’(93)

De wereld uit Joh. 3:16 wordt via een omweg toch weer teruggevoerd tot het gelovige individu, of beter gezegd tot het gemeentelid dat zich heeft leren identificeren met de wereld. Het antwoord op de vraag waarmee Kohlbrügge het eerste punt begon, waarom God niet over ‘Zijn volk’, sprak lijkt hier een extra dimensie te krijgen. Waar Kohlbrügge in het eerste punt inging op wat de wereld precies inhoudt en beschouwelijk sprak over degene die zich tot deze wereld rekent, gaat hij hier een stapje verder. Hij laat hier de gemeente vanuit het perspectief van de wereld, als het ware, naar God roepen: 

‘Ja, God heeft de wereld vrijwillig liefgehad. Op de duizendmaal herhaalde vraag: “Waarom wij? Waarom wij?” – zal het antwoord duizendmaal hetzelfde zijn: “Zó was Mijn liefde: Ik heb u liefgehad, omdat Ik u lief heb gehad.”’(94)

In het derde punt werkt Kohlbrügge uit waaruit blijkt dat God de wereld heeft liefgehad, namelijk uit het geven van Zijn eniggeboren Zoon. Dit doet hij door eerst in te zoomen op het feit dat Christus de enige Zoon van God was en daarna door uitgebreid stil te staan bij wat dit voor God betekend moet hebben. Opvallend is hierbij dat hij vele oudtestamentische voorbeelden geeft van Bijbelfiguren die zorgen om hun kinderen hadden.(95) Dit doet Kohlbrügge met als doel om de hoorder tot het prijzen van God aan te zetten. Binnen dit derde punt werkt Kohlbrügge wisselend met hoge, doxologische taal terwijl hij tegelijkertijd de rauwe realiteit van de wereld, zoals hij deze eerder heeft uitgewerkt, niet uit het oog verliest. 

‘O, het was een vrijmachtig besluit van Zijn liefde! En waar bleef Hij, toen Hij de Zoon overgaf? God offerde Zijn vreugde op, Zijn lust, Zijn leven, Zijn andere Ik. Hij maakte Zijn paleis als het ware ledig. Hij gaf Zijn Zoon als voor Zijn aangezicht weg en gaf Hem over van uit de vreugde Gods. Hij liet Hem in deze verpeste lucht komen, liet Hem mens worden, een mens als wij.’(96) 

Dat de lucht van deze wereld ‘verpest’ is, blijkt uit het feit dat wij deze dingen eigenlijk niet kunnen begrijpen, aldus Kohlbrügge.

‘Ach, wij te aards, te mat, te dood, te veel van onszelf en de zichtbare dingen vervuld om dit geven te begrijpen.’(97)

Toch eindigt Kohlbrügge niet in de mineur en roept de gemeente op om zich met de wereld gelijk te stellen en God te loven voor de gave van Zijn eniggeboren Zoon. 

‘O gij allen, die mij hoort, stelt u gelijk met de wereld! […] De wereld is een madenzak, en als gij mij er uit neemt, hebt ge de allerellendigste worm! En zulk een wereld heeft God liefgehad, alzo liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Weg met alle gave en als wereld in de Gever geloofd! Loven wij Hem voor Zijn onuitsprekelijke gave!’(98)

Kohlbrügge heeft dus achtereenvolgens uitgelegd wat de wereld betekent, dat de hoorder zich tot de wereld dient te rekenen en waaruit blijkt dat God de wereld heeft liefgehad. 

In het vierde en laatste punt gaat Kohlbrügge in op de vraag waartoe God Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Het is in dit laatste punt waar Kohlbrügge erg dicht bij de hoorder probeert te komen door deze als het ware zelf aan het woord te laten. Hij lijkt een discussie met de hoorder aan te gaan over het belang van het geloof. Het geloof wat ervoor zorgt dat de hoorder niet verloren gaat, maar het eeuwige leven vindt. Kohlbrügge werkt dit uit door zowel te laten zien wat geloof is en wat het niet is. 

‘Nu zal menigeen denken: “Ja, om het geloof is het mij juist te doen. Ik kan het echter niet geloven.” Maar hoe stelt ge u dan het geloof voor? Als een werk van uw kracht? Dan zijt ge verkeerd onderricht. Gevoel u verloren, verdorven, zó wil God u hebben. Stel u gelijk met de gehele wereld, dan zal God u lief gehad hebben.’(99)

Juist dit geloof zorgt ervoor dat de hoorder de dingen weer in het juiste perspectief gaat zien. Kohlbrügge hamert er in deze preek doorlopend op dat de hoorder geen harde gedachten van God mag hebben en ook niet moet denken dat de mens wat moet bijdragen aan wat God wil schenken. Blijkbaar was het toch niet alleen de Roomse man die het niet helemaal had begrepen, maar ook de gemeente van Elberfeld. 

‘Het leven te hebben, het eeuwige leven, dat is toch om van enkel vreugde op te springen! Weg met alle harde gedachten van God, alsof wij ons dat leven nog eerst moesten verdienen, alsof het nog enigszins van onze vroomheid en van ons werk afhankelijk was!’(100)

Na deze oproep eindigt de preek van Kohlbrügge met een haast euforische jubel over de liefde van God die de doden levend en de harten vrolijk maakt.

‘O, die liefde Gods! Moge zij ons aller hart veroverd hebben. Alleen zij is der zonde dood! Alleen zij maakt de doden levend en het hart voor eeuwig vrolijk! Alleen zij stelt de meest verontruste in rust en grote vrede! – Amen.’(101)


4 Analyse van de preken



4.1 De perikoop


1  En er was een mens uit de Farizeeën, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; 
2  Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is. 
3  Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand we-derom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. 
4  Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden? 
5  Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. 
6  Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 
7  Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 
8  De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 
9  Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? 
10  Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet? 
11  Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan. 
12  Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen? 
13  En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in den hemel is. 
14  En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 
15  Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 
16  Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 
17  Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 
18  Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. 
19  En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 
20  Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 
21  Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. Joh. 3:1-21

4.1.1 Beschouwing van de perikoop 


Zoals reeds vermeld gaat deze perikoop over een bezoek van Nicodemus aan Jezus, waarbij het belang van een nieuwe geboorte uit water en Geest benadrukt wordt.(102) Deze perikoop bevat tevens de eerste publieke verhandeling van Jezus in het Johannesevangelie.(103) Het vormt het eerste leerstellige gedeelte van het Johannesevangelie, uit de mond van Jezus Zelf. De opzet van dit verhaal is typisch voor het Johannesevangelie. Door middel van een aantal vragen aan Jezus, wordt diens identiteit (en leer) steeds verder onthult. Zo vraagt Nicodemus, als reactie op Jezus’ woorden of een mens wel opnieuw geboren kan worden. Doordat Jezus niet ingaat op de aanvankelijke vraag, stuurt Hij het gesprek de diepte in. Nicodemus mag dan wel in de nacht komen, wat hoogstwaarschijnlijk een symbolische ondertoon van spirituele duisternis heeft, wat Jezus van hem wil zal duidelijk aan het licht komen.(104) Het valt dus op dat Johannes 3 een duidelijke vraag bevat, namelijk: Wie is deze Jezus? De vraag naar identiteit speelt überhaupt een belangrijke, zo niet de belangrijkste rol in het Johannesevangelie. Zo begint het evangelie al in de proloog met een uiteenzetting van wie Jezus was, namelijk het Woord (1:14). Maar ook aan het einde van het evangelie wordt in hoofdstuk 20 aan Thomas duidelijk gemaakt dat Jezus Heere en God is.(105) Ook wordt hier het doel van de auteur blootgelegd in vers 31: ‘Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.’(106) 

In deze perikoop komen verder ook andere kenmerkende thema’s van het Johannesevangelie voor, zoals de relatie tussen geloof en tekenen, Jezus’ woorden en identiteit en het (eeuwige) leven. Het is dus niet verwonderlijk dat Kohlbrügge in zijn preken ervoor kiest om in ieder geval Johannes 3:1-21 te behandelen, terwijl hij bijvoorbeeld hoofdstuk 2 overslaat. 

Voor de verdere analyse zullen we met bovenstaande gegevens rekening houden en ons afvragen wat de Johannesreceptie van Kohlbrügge is. Wat doet hij met deze perikoop, gezien de context waarin deze staat en de grote informatiedichtheid? Welke thematische en exegetische keuzes maakt hij? Hoewel deze analyse niet vanuit een normerende houding plaatsvindt, zal ik wel degelijk in gesprek gaan met Kohlbrügge om helder te krijgen welke keuzes hij gemaakt heeft en waarom. 

4.2 In gesprek 


In zijn preken is Kohlbrügge voortdurend in gesprek. Zijn stijl van preken kan men omschrijven als dialogisch. De preken komen namelijk tot stand door een gesprek met de tekst, de gemeente en de hoofdrolspelers uit de perikoop. Kohlbrügge fungeert hierbij als mediator. Hij brengt als het ware de verschillende partijen met elkaar in gesprek.  Kohlbrügge lijkt zelf zo veel mogelijk op de achtergrond te blijven. Als hij al de gehele gemeente, inclusief zichzelf aanspreekt, dan doet hij dit zoveel mogelijk vanuit de ‘wij/ons-vorm’.(107) Wanneer hij wel over zichzelf spreekt, blijkt dat hij een hoog ambtelijke visie heeft en dat hij een duidelijke, afgebakende autoriteit is.(108) Iets wat in de context van het Wuppertal niet alleen gewoon, maar zelfs gewenst was. 

Hoewel Kohlbrügge weinig over zichzelf spreekt, moge het duidelijk zijn dat hij wel de regie in handen heeft. Hij is degene die de stemmen stuurt en de inhoud vormt geeft. Telkens terugkerende thema’s vormen hierbij als het ware een handtekening van de prediker uit Elberfeld. Om Kohlbrügge als prediker te omschrijven, is weinig tot geen wetenschappelijk materiaal beschikbaar. Nagenoeg alle literatuur is sterk hagiografisch getint. Mede daarom is een receptiestudie van belang om iets van de mens Kohlbrügge op het spoor te komen, al is het voorzichtig en voorlopig. 

Ik heb de preken onder de loep genomen door de verschillende stemmen die in de preken aan bod komen eruit te lichten. Deze aanpak maakte het mogelijk om rode draden en kenmerkende elementen uit de preken op het spoor te komen. Hoewel het onmogelijk is om Kohlbrügge en zijn preken geheel recht te doen, geeft deze manier van werken inzicht op welke punten Kohlbrügge de nadruk legt. Door ook hem zelf aan het woord te laten, kunnen rode lijnen en tendensen aan de oppervlakte komen. Ook kunnen zo Kohlbrügges achterliggende motieven iets aan de oppervlakte gebracht worden. Kohlbrügge wil zijn hoorders namelijk ergens ‘hebben’. Ze moeten beseffen dat de status quo niet gehandhaafd kan worden en (zo zal blijken) dat ze ‘wereld’ zijn. 

Om zoveel mogelijk recht te doen aan de inhoud van de preken, heb ik ervoor gekozen om de preken thematisch te analyseren. Deze thema’s zijn gekozen na aanleiding van een grondige bestudering van de preken. Daarnaast is er ook gebruik gemaakt van secundaire literatuur. Dit is bewust in deze volgorde gedaan. De thema’s zijn dus uit de preken opgekomen en niet uit andere bronnen. Er zal wel naar andere bronnen verwezen worden, om zo een verdere bestudering van Kohlbrügge mogelijk te maken. De thema’s die aan bod zullen komen zijn de volgende: Jezus Christus, Nicodemus en de Wet, De gemeente, Wedergeboorte en geloof en de wereld. Hiermee pretendeer ik niet volledig te zijn, maar wel de belangrijkste thema’s eruit gelicht te hebben. Het voordeel van deze benadering is dat de eigenheid van Kohlbrügges receptie al snel duidelijk wordt. Om deze eigenheid in kaart te kunnen brengen heb ik onder andere gekeken naar wat het vierde evangelie over deze thema’s zegt en welke plaats ze binnen het geheel van het Johannesevangelie krijgen. Zoals zal blijken, is Kohlbrügges theologie doorspekt met Paulinische elementen. Waar nodig zullen ook deze (kort) onder de loep worden genomen.

4.2.1 Jezus Christus


Het belangrijkste onderwerp van het vierde evangelie is Jezus Christus.(109) Johannes tekent Jezus als de Messias, het Woord en de Zoon van God (Joh. 4:25 en 20:31). Hij is degene die de uiteindelijke openbaring van God heeft gebracht.(110) Jezus is de Zoon Die door God gezonden is en Zijn woorden spreekt. Dit kan Jezus doen omdat Hij de Geest van God heeft gekregen (Joh. 3:34-35). Deze Geest is publiekelijk op Jezus neergedaald in de vorm van een duif (Joh. 1:32). Het is ook deze Geest die nodig is in de nieuwe geboorte van Nicodemus en van iedereen die het evangelie hoort of leest. Hoewel Jezus de hoofdpersoon is van het evangelie, speelt de Heilige Geest ook een belangrijke rol. Hij is degene die de nieuwe geboorte kan bewerkstelligen en door wie men God op de juiste manier kan aanbidden.(111) De functie van de Geest is niet alleen het authentiseren van Jezus, maar ook die van helper. Een helper die de gelovigen verder helpt op de weg van het geloof.(112) Blomberg onderscheidt vijf verschillende rollen voor de Heilige Geest waarbij vooral de rol van ‘getuige’ opvalt (Joh. 15:26-16:4).(113) Getuige en waarheid zijn belangrijke kernwoorden voor Johannes.(114) Jezus is volgens Johannes degene die gezonden is door de Vader en aangesteld is om van Hem te getuigen.(115) Jezus zegt hierover het volgende: ‘Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge (Joh. 4:34b)’ en ‘Ik kan van Mijzelven niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft (Joh. 5:30).’ 

Het evangelie laat duidelijk zien dat Jezus de Zoon van God is, maar ook dat het cruciaal is dat men Hem op de juiste wijze leert kennen. Nicodemus is dan ook een belangrijk voorbeeld van iemand die wel geïnteresseerd was in Jezus, maar de benodigde kennis over Hem mistte. Nicodemus kon deze kennis niet incorporeren omdat hij (nog) niet ‘van boven’ geboren was. Deze geboorte zou tot gevolg hebben dat Nicodemus tot geloof zou komen in het getuigenis van Jezus. Dit geloof zou Nicodemus het eeuwige leven hebben geschonken. Of Nicodemus ooit tot dit geloof is gekomen, vermeldt het evangelie niet.

In tegenstelling tot de tendens in het evangelie van Markus, lijkt het bij Johannes glashelder wie Jezus is. Toch kan schijn bedriegen. Verschillende commentaren zijn het erover eens dat Johannes zich bedient van ambigue taal en symboliek. Zo verwijst bijvoorbeeld het licht van de wereld niet alleen naar Jezus, maar ook naar de symboliek van de Joodse feesten en instellingen.(116) Om deze reden zijn de tekenen (σμμειον) binnen dit evangelie ook zo belangrijk. Op het eerste gezicht lijkt het doel van de tekenen duidelijk, maar de betekenis blijkt vaak anders dan men in eerste instantie zou vermoeden. Bijvoorbeeld bij de eerste wonder-lijke spijziging. Johannes maakt vervolgens duidelijk dat het hier niet primair gaat om wat Jezus kan, maar om wie Hij is, namelijk het Brood des levens (Joh. 6:48).(117)   

De onderliggende vraag van het vierde evangelie is dus wie Jezus is. Het is fundamenteel voor Johannes dat Jezus de Zoon van God of ‘de Zoon’ is.(118) Deze wisseling van benamingen is typerend voor het Johannesevangelie.(119) Binnen de theologie is veel gesproken over de verschillen tussen het Johannesevangelie en de synoptische evangeliën. Deze discussie spitste zich vaak toe op de benadering van Jezus Christus. Waar de synoptische evangeliën een ‘lage christologie’ zouden hanteren, zou Johannes door verdere reflectie op het geloof en min of meer gedwongen door theologische en sociaal-maatschappelijke omstandigheden, hebben toegewerkt naar een vernieuwde, dan wel ‘hoge christologie’.(120) Een voorbeeld hiervan is de beschrijving van Jezus als ‘de Zoon’. Voor zowel Markus als Johannes is dit een belangrijk gegeven (vergelijk Mar. 1:1 en Joh. 20:31). Toch is het alleen bij Johannes direct duidelijk dat het om een hemels Persoon gaat.(121) 
Hoewel deze discussie niet verder besproken hoeft te worden, valt niet te ontkennen dat de christologie van Johannes een geheel eigen karakter heeft.(122) Beasley-Murray noemt niet zonder reden de christologie het belangrijkste element van het Johannesevangelie.(123) Gods bemoeienis met de wereld, de missie van de Heilige Geest, redding, eschatologie en alle overige thema’s worden allemaal in verband gebracht met Christus. Omdat het verkrijgen van eeuwig leven verbonden is met een juist verstaan van Christus, legt Johannes alle nadruk op Hem. De christologie staat daarom centraal in zijn evangelie.(124) 

In een catechismuspreek over vraag en antwoord 16-17 van de Heidelbergse Catechismus zegt Kohlbrügge het volgende over de menswording van Jezus Christus: ‘Uit hoeren en tollenaars wilde Hij geboren worden, in ons zondige vleesch en bloed wilde Hij komen, opdat wij, menschen, als wij wegzinken voor Gods Wet, Hem omvatten en zeggen: Mijn Jezus! mijn Broeder! Al heeft de duivel ons vleesch stinkend gemaakt, hij zal het toch niet eten, stof kan hij eten, maar het vleesch, van God afgevallen, God wil het terug hebben.’(125) Het ‘vlees’ is voor Kohlbrügge zeer negatief. Het tekent Christus’ diepe vernedering en de diepe val van de mens na Genesis 3. Deze term duidt de mens aan in zijn gebrokenheid, zwakheid en sterfelijkheid.(126) In zulk vlees te zijn gekomen, heeft Hij, die alleen heilig is, zich niet geschaamd, noch het geschuwd. In zulk vlees is God openbaar geworden.(127) Kohlbrügge legt zoveel nadruk op de vleeswording van Christus, dat hij in het verleden beschuldigd is van een zekere eenzijdigheid in zijn christologie. Hij zou te eenzijdig Jezus’ mensheid hebben benadrukt. Uit het werk ‘De Godheid van Christus’, samengesteld uit een viertal verhandelingen van Kohlbrügge, blijkt dat Kohlbrügge niet van mening was dat Jezus geen God was.(128) Hij zegt hierover het volgende: ‘Het woordje “Eniggeboren” is dus voldoende om Zijn eeuwig wezenlijk Zoon-zijn en Zijn waarachtige eeuwige Godheid onweersprekelijk te bewijzen. Want daardoor wordt Hij juist als de Enige in Zijn soort gekenmerkt naar Zijn wezen en Zijn verhouding tot de Vader, zoowel wat Zijn eeuwig zijn als wat Zijn tijdelijke stand in de dagen Zijns vleses betreft.(129) Tot slot moet hierbij nog opgemerkt worden dat uit Kohlbrügges christologie telkens blijkt dat in de vleeswording van Christus, niet alleen Zijn vernedering maar tegelijkertijd ook Zijn goddelijke hoogheid naar voren komt.(130) Het is deze dialectiek die Kohlbrügges christologie kenmerkt.(131)  

Zoals gezegd wordt Johannes vaak getypeerd als het evangelie met een hoge christologie. De nadruk zou vooral liggen op de Godheid van Christus. Voor deze scriptie is het van belang om erachter te komen welke rol Kohlbrügge aan Jezus toekent en hoe hij Hem benadert in zijn preken. Daarom zal ik de Johannes 3 preken onder de loep nemen en mij daarbij de volgende vragen stellen: Welke plaats kent Kohlbrügge aan Jezus toe in zijn preken? Waar legt hij de nadruk op? Is de kritiek dat Kohlbrügge Jezus teveel eenzijdig benaderd, terecht vanuit de Johannes 3 preken?

Het eerste dat opvalt is dat Kohlbrügge de belangrijkste benamingen uit het Johannesevangelie gebruikt in zijn preken. Zo spreekt hij afwisselend over Jezus als de Zoon en de Zoon van God. Daarnaast gebruikt hij verschillende doxologische en dogmatische omschrijvingen voor Jezus, zoals: enige Leraar, Koning, Hogepriester, Wetgever en Zaligmaker, de Borg, Koning der gerechtigheid, eeuwige Vredevorst, mijn Goël en mijn Al. 
Als Kohlbrügge in de eerste preek de perikoop inleidt, spreekt hij vooral over Jezus. Het is deze Persoon met wie Nicodemus een ontmoeting had. Hierbij neemt Kohlbrügge de hoorders mee in het denkproces van Nicodemus. ‘Maar wat zal hij nu tot Jezus zeggen? Ik zit vol onrust? Ik heb geen vrede? Ik, Nicodemus, ik, een Farizeeër, ik een overste der Joden, belijd voor U dat het niet goed met mij staat?’(132) Maar hier blijft het niet bij. Ook de hoorder zal Jezus niet kunnen begrijpen als zij Hem met verkeerde intenties zoekt. ‘En van diezelfde Jezus, nu echter ter rechterhand des Vaders verhoogd, zien ook wij niets naar waarheid, zolang wij onszelf zoeken.’(133) Wie Jezus is wordt in de eerste preek niet verder uitgewerkt. Dat komt pas later, als Kohlbrügge meer aandacht gaat besteden aan de functies die Jezus voor de gelovige heeft. 

Het tweede dat opvalt als men inzoomt op de rol en plaats van Jezus in de preken, is dat Hij altijd in combinatie met een eigenschap en/of functie wordt besproken. Anders gezegd, alle opmerkingen over Jezus proberen de hoorders iets bij te brengen (of van iets af te brengen!). Een voorbeeld van een eigenschap is Zijn genade. Jezus is genadig, niet alleen voor de mensen toen, maar ook voor de hoorders nu. Kohlbrügge kan hier lyrisch over preken: ‘Geliefden, laten we de genade van Jezus Christus erkennen. Welk een wonder van liefde is het, dat Hij voor ons verloren mensen heeft gehad!’(134) Maar ook wijsheid en geduld zijn eigenschappen van Jezus, aldus Kohlbrügge. ‘Dat die zelfhandhaving in de mens was en daar hem de knoop zat, wist Jezus heel goed. Toch hoorde Hij allen geduldig aan en maakte Zich aan een ieder beken als de Weg, de Waarheid en het Leven.’(135) Hierbij dient opgemerkt te worden dat Jezus’ eigenschappen en functies nagenoeg altijd samenvallen in de preken. 

Met de functies van Jezus bedoelt Kohlbrügge twee dingen. Namelijk, wat Jezus heeft bewerkstelligd en wat Hij nu bijdraagt aan de zaligmaking van zondaren. ‘Christus is het, de Zoon van de levende God, door Wie de wereld, door Wie alles, wat verloren was, verlost is. Daarom, al wat verloren is, zie op Christus en niet op eigen grote zonden, schulden en misdaden.’(136) Kohlbrügge ziet Jezus vooral als degene die de gelovige redt van de vloek van de Wet. De Wet drijft ons tot wanhoop, maar de gelovige mag Jezus als de genadige Wetgever hebben. Het is deze Jezus met wie de gelovige in verbinding moeten komen. Dit kan alleen door het opnieuw geboren worden, waar zowel de perikoop als Kohlbrügge zelf, grote nadruk op leggen.(137) Wie met Hem verbonden is door de Heilige Geest mag en moet alles van God de Vader verwachten. In de laatste preek zet Kohlbrügge dit uitgebreid uiteen als hij preekt over Rom. 8:32: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? De gelovigen hoeven niet bang te zijn dat ze verloren gaan. Het is Christus’ rechtvaardigheid die hen redt van de toorn van God. Een christen kan wel aangevochten worden door de duivel of door het eigen hart, het Woord van Rom. 8:32 blijft staan. ‘Deze woorden bevatten meer dan het testament van een machtig vorst. Zij maken ons tot universele erfgenamen des hemels en der aarde.’(138) Door het geloof is de gelovige ‘met Christus’. Het is opvallend dat Kohlbrügge, die zoveel nadruk legt op een persoonlijke wedergeboorte, hier heel inclusief spreekt door de gehele gemeente hierbij te betrekken. ‘Terwijl de gemeente dit “met Christus” uitspreekt, ziet zij op de bronader, waaruit zij met Christus ook alle dingen van God mag verwachten. En deze bronader is de onpeilbare liefde en barmhartigheid Gods. En met het oog op deze liefde en oneindige barmhartigheid sluit zij geen broeder uit, maar zegt: “Deze barmhartigheid is ons allen ten deel gevallen en zijn wij dus allen universele erfgenamen van alle dingen”.’(139)
Toch beperkt hij vervolgens direct zijn eigen woorden door te vermelden dat deze ‘allen’ wel met een voorwaarde komt. ‘Wie zijn deze “ons”? Het is duidelijk, dat het zij zijn, die niets hebben en daarover in nood en aanvechting zich bevinden.’(140) Verderop zal blijken dat het nu juist deze aanvechting is, wat het maakt dat iemand ‘zeker’ kan zijn van deelname in het heil van Christus. 

Zoals gezegd heeft het Johannesevangelie een hoge christologie. Maar Kohlbrügge beperkt zich in deze prekenserie niet alleen tot het vierde evangelie. Naast het Oude Testament speelt ook het corpus van Paulus een belangrijke rol.(141) Zoals zal blijken is Kohlbrügge duidelijk schatplichtig aan de Romeinenbrief als het gaat om de Wet.(142) Slechts een enkele keer haalt hij de Romeinenbrief aan in direct verband met Jezus. Zo haalt hij bijvoorbeeld Rom. 8:3 aan, waar Paulus zegt dat de Zoon van God in de ‘gelijkheid van het vlees is gekomen’.(143) In dit vers wordt Jezus’ pre-existentie en incarnatie bevestigd.(144) Echter, Paulus wil in dit vers allereerst duidelijk maken dat de Zoon van God gezonden is om te doen wat voor de Wet onmogelijk was, namelijk de zonde veroordelen. M.A. Seifrid zegt hierover het volgende: ‘It was into the world thus subjected to the power of sin and death that the Son of God was sent as an offering for in and in which he performed the decisive act of obedience on the cross (8:3; 5:19). Nevertheless, for Paul the law has a distinctly experiential goal, which it reaches only in Christ.’(145) In de context van deze preek wordt de gelovige inderdaad door de Wet op Christus gewezen. Het is onmogelijk om onder de vloek van de Wet uit te komen, zonder te zien op Christus, die ‘de zonde geheel verslindt’.(146) Deze koppeling tussen de Persoon van Christus en Zijn functie (namelijk het vervullen van de Wet voor de gelovige) is één van de rode draden van de prekenserie. 

In het Johannesevangelie wordt Jezus veelal in verband met de zonde behandeld. Zonde is hier is niet zozeer het schuldig staan tegenover de Wet, maar vooral tegenover het getuigenis van Jezus wat men niet aanneemt. Jezus is het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29). Jezus fungeert als degene die de zonde blootlegt in zijn ontmoeting met de mensen. ‘Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde (Joh. 15:22).’ Net als de Heilige Geest (Joh. 16:8), brengt Jezus ook de zonde aan de oppervlakte. De zonde dat ze niet in Hem (en Zijn getuigenis) gelooft hebben (Joh. 16:9). Deze tendens van het Johannesevangelie neemt Kohlbrügge niet over. In de prekenserie wordt de zonde in nagenoeg alle gevallen in combinatie met de Wet behandeld. Door het geloof in Jezus wordt men van deze vloek van de Wet bevrijd. 

Als Kohlbrügge dus spreekt over Jezus, doet hij dit altijd in combinatie met de functie voor de gelovige. Een enkele keer lijkt Kohlbrügge louter dogmatisch over Jezus te spreken. ‘Christus is de erfgenaam van Zijn Vader.’ Maar dit blijkt telkens ter voorbereiding op een latere toepassing op het (geloofs)leven van de gelovige. Want direct hierop volgt: ‘en de Koning van Zijn gemeente.’(147) Kohlbrügge heeft dus een pragmatische  benadering van Jezus. Hij vertelt niet alleen wie Jezus is, maar ook wat de gelovige aan Hem heeft of zou moeten hebben. ‘God wil echter, dat alle verlorenen Zijn Christus zien en aanschouwen zullen, opdat zij van hun verderf verlost mogen zijn. Daarom heeft Hij Zijn Christus hoog laten hangen en wel aan een vervloekt hout, en aan dit kruis hangt Zijn Christus nog, niet letterlijk, maar voor zoverre Hij als de Gekruisigde gepredikt wordt en Hij een offer heeft gebracht door Zijn zelfofferande, die eeuwig geldend is.’(148) 

De vraag of de kritiek dat Kohlbrügge Jezus eenzijdig benadert, terecht is, is vanuit deze preken moeilijk te beantwoorden. Er is een zekere tendens naar de vleselijkheid van Jezus te ontwaren. Echter, Jezus wordt in deze preken zowel in Zijn vleselijkheid als in Zijn goddelijkheid benaderd. Dit ligt soms erg dicht bij elkaar in Kohlbrügges preken. ‘Maar God gaf Zijn eniggeborene. Hij kon Zich geen tweede verwekken. En wat was er in de hemel of op de aarde, wat Hem daartoe verplichten kon? O, het was een vrijmachtig besluit van Zijn liefde! […] God offerde Zijn vreugde op, Zijn lust, Zijn leven, Zijn ander Ik (sic.). Hij maakte Zijn paleis als het ware ledig. […] Hij liet Hem in deze verpeste lucht komen, liet Hem mens worden, een mens als wij.’(149)

Een ’zelfstandige plek’, in de zin van een loutere beschouwing van Zijn Persoon, krijgt Jezus in deze preken niet. Kohlbrügge lijkt zijn hoorders vooral te wijzen op hun eigen onmacht om de Wet te houden en op degene die de Wet volbracht heeft. Om deze rede moeten de hoorders naar Jezus’ leer leven en Hem gehoorzamen. ‘Want wij hebben Hem niet alleen op het hoogst te eren als Hogepriester, maar ook als Koning en in het bijzonder als Profeet. […] Derhalve hebben wij naar Zijn leer te leven en Hem gehoorzaam te zijn.’(150) Wat wel geconcludeerd kan worden, is dat de hoorders een meer prominente rol krijgen dan Jezus. Anders gezegd, de hoorders staan in het middelpunt. Zij dienen opnieuw geboren te worden. Net zoals de perikoop legt Kohlbrügge de meeste aandacht op de wedergeboorte. Echter met dit verschil, dat het Johannesevangelie de wedergeboorte nodig acht om Jezus te leren kennen en Kohlbrügge Jezus primair ziet als degene die de wedergeboorte mogelijk heeft gemaakt.(151) Daarnaast legt Kohlbrügge niet de nadruk op het verkrijgen van (juiste) kennis van Jezus, maar op de functies van Jezus. Het ‘resultaat’ van het opnieuw geboren worden, ligt bij hem vooral in het volbrachte werk van Jezus wat op naam van de gelovige komt te staan. In Christus heeft men de Wet gehouden en is de gelovige rechtvaardig voor God.(152) ‘Hier echter zorgt Christus voor allen, die zich op Hem verlaten, dat zij nochtans gerechtigheid en heiligheid hebben, ofschoon zij volstrekt niets daarvan hebben, en dat zij nochtans zalig worden, hoewel zij in zichzelf verdoemenswaardige schepselen zijn en hun doodvonnis zelf moeten ondertekenen. Hij bekleedt hen namelijk met Zijn gerechtigheid en onschuld.’(153)

4.2.2 Nicodemus en de Wet


Zoals in hoofdstuk 1 valt te lezen, is Kohlbrügge vooral bekend geworden om zijn ‘ontdekking’ van de komma in Romeinen 7:14. Dit leerde hem dat hij geheel vleselijk was en dat hij geheel afhankelijk was van een gerechtigheid buiten hem. Een gerechtigheid waaraan hij niets kon bijdragen. Voor Kohlbrügge was dit een grote ontdekking die hem duidelijkheid gaf na een lange en existentiële zoektocht. Gods eisen aan de mens vat Kohlbrügge samen door te spreken over ‘de Wet’. Deze Wet zag Kohlbrügge zeer negatief en beklemmend. Hoewel Kohlbrügge bekend is geweest met Luthers worstelingen met de Wet en de rechtvaardigmaking, heeft het lange tijd geduurd voordat hij voor zichzelf een ‘consistente’ wetsvisie had gevonden. Hij schrijft hierover het volgende in zijn verklaring van Romeinen 7: ‘Het was voor mij geheel verborgen, dat de Wet mij gegeven is, opdat dit mij ontdekt werd en ik geheel mijzelf leerde kennen; opdat ik, in het volle bewustzijn van mijn verworpen-zijn, van mijn zonde en mijn eeuwige ellende, roemen en juichen mocht: “Zijn maaksel zijn wij, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, tot welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden gewandeld hebben.” Voor dat heldere licht van de genade waren mijn ogen te zwak, te vol van eigenliefde.’(154)

De Wet zet ons als het ware schaakmat en laat alle hoop op redding vanuit onszelf vervliegen. Wij kunnen de Wet niet houden omdat wij niet langer in Gods beeld zijn.(155) ‘En hier, zegt Kohlbrugge, waar het met ons uit is, waar wij leren dat wij totaal en volkomen uit Gods beeld zijn, gaat ons een Licht op in die Ene mens, Jezus Christus, in wie wij Gods beeld, ja, God zelf herkennen en erkennen, in wie wij de Wet van a tot z vervuld zien… voor ons en in onze plaats!’(156)

Hoewel Kohlbrügge Gods Wet als heilig en goed betitelt, is hij dus van mening dat er buiten Christus niet met de eisen van Gods Wet te leven valt. In Christus voldoet de mens aan de Wet en hoeft hij ook niet langer bevreesd te zijn voor de vloek die rust op het overtreden van deze Wet. Het zijn deze overtuigingen die Kohlbrügges leven en verdere oeuvre sterk hebben gestempeld. Zo ook de prekenserie over Johannes 3. Kohlbrügge legt de nadruk op de onwetendheid en de onwelwillendheid van de mens tegenover de heilige Wet van God. Anders gezegd, de onheilige mens wil met de heilige Wet van God ‘aan de slag gaan’. Kohlbrügge gebruikt in dit verband meerdere malen de zin: ‘Doe dat, en gij zult leven’. Hij verwijst hiermee naar Luk. 10:28.(157) Echter, in de directe context van dit vers gaat het om het houden van de geboden.(158) Kohlbrügge bepleit echter dat dit niet alleen onmogelijk is, maar dat dit zelfs niet mag(!) De mens moet afgebracht worden van alle eigengerechtigheid en ijver voor de Wet. ‘Dood is de mens in zonde en ongerechtigheid. Hij kan zichzelf niet helpen, ook niet met alle werken der wet.’(159) Dit is een nutteloze en verboden zaak, aldus Kohlbrügge. Hij is dan ook niet zachtzinnig in zijn veroordeling van mensen die zich niet druk maken over de Wet of die Gods Wet in eigen kracht willen houden. Deze groep mensen vat hij samen onder de noemer ‘farizeeërs’. ‘Wie nu een Farizeeër wil zijn, d.w.z. wie niet een mens, maar een halve engel wil zijn, kan zulke hemelse dingen niet geloven, hoeveel hij ook daarvan weet te roemen; want hij toont door zijn gedrag, dat het hem niet te doen is om de vervulling van Gods geboden; daarom verstaat hij ook in het geheel niets van zijn verlorenheid.’(160) Dat Kohlbrügge van mening is dat zulke ‘farizeeërs’ ook onder zijn gemeenteleden te vinden zijn is zonneklaar: ‘Ziet, mijn Geliefden, zo gaat het met menigeen ook van u; dat bemerk ik wel in de omgang en ben dat bij velen gewaar geworden. Zolang wij nog onder de Wet zijn, wat wij ook aan genade mogen ervaren hebben, zij wij ook Farizeeën en geven er geen acht op, hoezeer wij het ook konden weten, dat wij geheel en al mens zijn; wij menen met ons Evangelie boven de Wet te staan; wij overtreden in onze kring en met betrekking tot onze naaste letterlijk het ene gebod na het andere, ijveren ook voor gerechtigheid; elk ander mens deugt niet, maar wij hebben altijd iets om ons zelf te rechtvaardigen.’(161)

Bij het wijzen op de (functies van) de Wet, valt het op dat Kohlbrügge geen verschil maakt tussen het gebruik van de wet (νομος) bij Johannes en Paulus. Hoewel het te ver voert om een uitgebreide analyse te geven van de verschillende wetsvisies, valt niet te ontkennen dat er wel degelijk een verschil is tussen beide auteurs. G. Kittel zegt hierover het volgende: ‘Dieses radikale Gesetzesverständnis des Paulus ist nur zu verstehen von seinem inneren Ausgangspunkt aus, der im Kreuz des Christus geschehenen Tat der Vergebung und Rechtfertigung und damit der von Gott ausgehenden Neusetzung des Gottesverhältnisses des Menschen abseits von seiner Leistung, abseitz darum vom Gesetz.’(162) Paulus benadert de wet dus vanuit de rechtvaardigmaking door Jezus Christus, aldus Kittel.(163) Hier komt nog bij dat Paulus zeer negatief is over de Wet buiten Christus. De Wet is heilig, rechtvaardig en goed, aldus Paulus in Rom. 7:12. Maar tegelijkertijd is het wel de Wet die de zonde aan het licht heeft gebracht en daarmee ook de toorn van God over de zonde heeft geopenbaard.(164) ‘Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding (Rom. 4:15).’ Uit de werken der wet zal geen mens zalig worden en Paulus is dan ook duidelijk in zijn brief aan de Romeinen dat de mens alleen door het geloof gerechtvaardigd wordt (Rom. 3:28). Samengevat kan men stellen dat Paulus de Wet in de Romeinenbrief vooral behandeld vanuit het volbrachte werk van Christus. De gevolgen van de Wet zijn niet zondermeer positief omdat zij de zonde als zonde openbaart en zelfs de zonde in kwantiteit doet toenemen(!)(165)  

Tegen 51 verzen in Romeinen, gaan er maar 14 verzen in Johannes over de Wet. Dit is een significant verschil. Zeker als men bedenkt dat het Johannesevangelie maar liefst 5 hoofdstukken meer telt. Zoals eerder vermeld, speelt het thema ‘getuigenis’ een belangrijke rol in Johannes. De vraag naar de identiteit van Jezus staat centraal. Waar in de Romeinenbrief het vraagstuk van de Wet dient opgelost te worden, lijkt dit niet het geval in Johannes. De Wet wordt dan ook in combinatie met het getuigenis van Jezus Christus behandeld. De verhouding tussen het getuigenis van de Wet en van Christus is positief. G. Kittel zegt hierover het volgende: ‘Zwischen dem Gesetz als dem Wort der Schrift und der Offenbarung Gottes in Jesus besteht auch ein positiver innerer Zshg. Im Gesetz, in der Schrift ist Jesus als der Christus bezeugt und verheißen. […] Die Schriften zeugen von Jesus. In diesem Sinn ist bei J mehrmals vom Gesetz die Rede: das, was das Gesetz sagt oder auch anordnet, ist im Sein und Tun Jesu erfüllt.’(166) Johannes schildert Jezus dus als de vervulling van de Wet. Dit doet hij op een aantal plaatsen in de context van een vraaggesprek tussen Jezus en de joden (bijvoorbeeld in Joh. 10:34, 12:34 en 15:25). Een duidelijk voorbeeld hiervan staat in Joh. 12:34-35: ‘De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen? Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.’

Hier vormt de Wet een gelegenheid tot verduidelijking van de identiteit van Jezus en tot vervolgonderwijs. Johannes ziet de Wet meer als vertrekpunt dan als ‘probleemstuk’ waar zijn hoorders zich tot moeten verhouden. De Wet in Johannes bevestigt dus de identiteit van Jezus. Dit komt direct al in het begin van het Evangelie naar voren in de ontmoeting tussen Jezus en Nathánaël. ‘Filippus vond Nathánaël en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth (Joh. 1:46).’ Hierop volgt de vraag naar de identiteit: ‘En Nathánaël zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn?’ (Joh. 1:47a) en daarna de belijdenis: ‘Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls (Joh. 1:50).’

Samengevat kan men stellen dat de Wet een andere lading en functie heeft in het Johannesevangelie dan in de Romeinenbrief. Johannes heeft primair interesse in de Wet als openbaring.(167) Een openbaring die niet alleen helpt om Jezus te positioneren, maar ook om Hem te authentiseren. 

Als men de preken van Kohlbrügge over Joh. 3 onder de loep neemt, valt direct zijn voorkeur voor de Paulinische Wetsvisie op. Net als Paulus acht ook Kohlbrügge de Wet als heilig en goed. De Wet openbaart de rechtvaardigheid van God in Jezus Christus (zie o.a. Rom. 3:21).(168) Tegelijk maakt de Wet duidelijk dat de mens de vereiste gehoorzaamheid niet kan opbrengen. Dit illustreert Kohlbrügge in één van zijn preken door Jezus in de eerste persoon de hoorders te laten aanspreken: ‘”Boos zijt gij en uw werk is boos. Gij kunt niet doen noch willen, wat niet boos is. Gij moet wedergeboren zijn. Geloof alleen in Mijn Naam. Ik alleen ben uw gerechtigheid. Laat alle werk aan Mij over. Uit al uw werk komt niets voort dan echtbreuk, diefstal, valse getuigenis, ongehoorzaamheid, afgoderij en andere zonden en gruwelen. Trek Mij aan zoals gij zijt. In Mij hebt ge het leven, het werk, de gerechtigheid, de heiligheid. In Mij de gehele vervulling der Wet.”’(169) 

Hoewel de Wet niet genoemd wordt in Joh. 3:1-21, is het wel een thema wat Kohlbrügge uitgebreid behandelt. Hij introduceert de Wet via Nicodemus. De perikoop vermeldt dat Nicodemus een overste van de joden is, een farizeeër. Deze man raakt in gesprek met Jezus. Hoewel hij weinig aan het woord komt, blijkt wel dat hij de bedoeling van Jezus’ woorden niet meteen begrijpt (Joh. 3:4).(170) Jezus lijkt hem dit te verwijten in vers 10: ‘Zijt gij een leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet?’ Binnen het Johannesevangelie worden de farizeeërs negatief afgeschilderd. Zij staan model voor de goddeloze wereld die God tegenstaat.(171) Een typerend voorbeeld hiervan is Joh. 8:13: ‘De Farizeeën dan zeiden tot Hem: Gij getuigt van Uzelven; Uw getuigenis is niet waarachtig.’ De farizeeën nemen dus zowel het getuigenis als de getuige zelf niet aan. Het is opvallend dat Kohlbrügge geen oog lijkt te hebben voor deze houding van de farizeeën. In zijn preken bekritiseert hij deze groep fel, maar om een andere reden. Kohlbrügge verwijt ze dat ze de ware aard van de mens niet (h)erkennen en dat ze op een verkeerde manier zalig willen worden. ‘De Farizeeën hielden evenwel hun dode werken voor goed, Gode welbehagelijke werken en meenden, dat men zonder zulke dode werken niet zalig kon worden. Zij hadden geen kennis van zonde en ellende en verachtten de rechtvaardigheid uit het geloof. […] Zij bleven bijgevolg Farizeeën en wilden niet zalig worden, zoals God zalig en voor Hem rechtvaardig maakt.’(172)

Kohlbrügge laat de farizeeën niet alleen fungeren als negatief voorbeeld, maar vereenzelvigt een ieder die verkeerde denkbeelden over de rechtvaardigmaking heeft met deze groep. Kohlbrügge ziet een ieder die nog ijvert voor gerechtigheid, als een farizeeër en als iemand die nog onder de Wet is. Net als Nicodemus staan deze laatste twee categorieën model voor hen die het niet begrepen hebben. Of sterker, voor hen die het niet willen begrijpen. Hoewel Kohlbrügge deze categorieën vrij abstract neerzet, laat hij geen twijfel bestaan over wie hij eigenlijk op het oog heeft. Namelijk de gemeenteleden zelf. Het zijn zij die onder de Wet gekomen zijn door de zondeval. Het lijkt erop dat Kohlbrügge het woord ‘mens’ als een synoniem ziet voor iemand die de Wet wil onderhouden en niet van een vreemde gerechtigheid wil weten. Hoewel Kohlbrügge op het eerste gezicht erg negatief overkomt, heeft hij wel degelijk een doel voor ogen met deze classificaties en etiketten. Dit wil ik verder uitwerken in de volgende gedeelte over de gemeente.

4.2.3 De gemeente 


Zoals 3.1.2 laat zien begint Kohlbrügge zijn preek over Johannes 3:16 met een voorbeeld van een Rooms-katholieke man. Deze man, die in zijn uitersten is, heeft Christus niet erkend als degene die voor eeuwig de zonden heeft uitgewist. Of Kohlbrügge met dit voorbeeld een werkelijk bestaand iemand op het oog heeft gehad is onbekend. Wat meer voor de hand ligt, is dat hij met dit voorbeeld de aandacht van de hoorder heeft willen vangen en ruimte heeft willen creëren voor de boodschap dit hij in de desbetreffende preek wilde overbrengen. De boodschap luidt dat een ieder die in Christus gelooft zeker moet zijn van de vergeving van de zonden. Het is geheel in de stijl van Kohlbrügge om een probleem te schetsen  en vervolgens naar een oplossing toe te werken. Het probleem is het ‘vleselijk’ zijn van de mens. De mens weet dat het niet goed zit tussen God en hem. ‘Elk mens weet, dat het oordeel hem wacht, waarin aan de dag zal komen, wat de mens innerlijk geweest is en wat de drijfveer was van al zijn daden.’(173) Enkel de liefde van God geeft werkelijk rust en grote vrede, aldus Kohlbrügge. Hij besluit zijn preek dan ook met een oproep om alle harde gedachten van God weg te doen. Een mens hoeft de zaligheid niet zelf te verdienen. Dat is een dwaling van de Rooms-katholieke kerk. De gemeente in Elberfeld zou beter moeten weten. 

Maar of Kohlbrügge er echt van overtuigd is dat de gemeente ‘beter weet’, is nog maar zeer de vraag. Uit de preken blijkt dat Kohlbrügge een duidelijk negatieve antropologie hanteert. ‘Een mens is een mens, d.w.z. een mens is een zondaar, verdoemelijk voor God, en indien hij de ware zaligheid niet heeft, gaat hij voor eeuwig verloren. Hem moet voorgehouden worden, dat het gaat om leven en dood, opdat God gerechtvaardigd blijve. De mens wete daarom, wat hij kiest.’(174) Het is deze profielschets die de gehele prekenserie stempelt.(175) Kohlbrügge probeert zijn gehoor in beweging te krijgen. Dit doet hij door een refrein van situatieschetsen en uitgebreide uiteenzettingen over de mens. Hoewel dit vaak in algemene termen gebeurt, is het duidelijk dat hij het over de gemeente zelf heeft. Op de momenten dat hij de gemeenteleden persoonlijk lijkt aan te spreken, gebeurt dit meestal in een pastorale setting. ‘Daarom, gij wie het om God, om gerechtigheid, om allerlei verlossing te doen is, hoewel gij ook niets dan het tegenstrijdige ziet, houdt moed, en verheugt u in het vertrouwen, dat die God, die ons het beste wat Hij had, gegeven heeft, met Zijn geliefde Zoon alles, niet een half, maar een heel Koninkrijk, ons uit genade zal schenken.’(176)

Toch laat hij geen misverstand ontstaan over de afkomst van zijn hoorders. Vanaf de zondeval is iedereen onder de vloek van de Wet gekomen. En degenen die hun eigen gerechtigheid tot stand willen brengen, zijn niets beter dan de farizeeën die Jezus tegenstonden. ‘Neen, dan denken wij in het diepst van ons hart, wat de Farizeeën ook dachten, dat wij zelf het door onze werken en godsdienst wel bij God in orde kunnen maken, en dat wij de omgang met God hebben, omdat wij zo godsdienstig zijn.’(177)  

Godsdienstig zijn, vroom zijn, eigengerechtig zijn, onbekommerd zijn, zijn allemaal omschrijvingen van wat Kohlbrügge afkeurt. Hij is niets dan negatief over deze groep mensen. Iemand kan zich uiterlijk wel goed gedragen, maar dat zegt nog niks over het innerlijk. Net als Nicodemus kan ook een kerkganger de schijn mee hebben. Echter, zonder wedergeboorte gaat de mens alsnog verloren. Dan is iemand nog steeds een vijand van God en Zijn heilige Wet, aldus Kohlbrügge. ‘Wat moeten wij hieruit leren? Ongetwijfeld dit: dat hoever men ook gevorderd moge zijn in alle mogelijke vroomheid, in allerlei kennis der dingen en wegen Gods, hoe hoog men ook sta, zoals Nicodemus in Israël stond, als men niet wederom geboren wordt, gaat men verloren.’(178)
Het valt op dat Kohlbrügge veel aandacht besteedt aan wat het, volgens hem, niet is. Hierbij stelt Kohlbrügge niet God en Zijn werken in het middelpunt van zijn preken, maar de hoorder. Nicodemus, Jezus en de voorbeelden uit de preek, staan allemaal in dienst om het gemeentelid te vertellen hoe hij/zij zalig moet worden. De vraag naar het heil is de belangrijkste vraag die Kohlbrügge uit de perikoop destilleert. Door wedergeboorte en geloof zal de gemeente tot haar ware bestemming komen. Anders gezegd, waar het Johannesevangelie de nadruk legt op een juist verstaan van Jezus, legt Kohlbrügge de nadruk op hoe men rechtvaardig voor God wordt. ‘Want waar het om God en Zijn zaligheid gaat, waar het gaat om eeuwig wel en eeuwig wee, om leven en dood, om verdoemenis of om in overeenstemming met de Wet en de Wil Gods te zijn, heeft niemand van ons tijd te verliezen.’(179)

Zalig worden krijgt in het Johannesevangelie een andere lading dan bij Paulus. In de Romeinenbrief, het Paulinische geschrift waar Kohlbrügge een duidelijke voorliefde voor heeft, is zalig worden vooral een eschatologisch gegeven. Met zalig worden wordt een spirituele redding [salvation] bedoeld.(180) T.R. Schreiner zegt hierover het volgende: ‘When Paul speaks of the gospel “which results in salvation” (Rom. 1:16), he has in mind eschatological salvation that will be our possession in the coming age. Similarly, the salvation that belongs to those who confess Jesus as Lord and believe on him in their hearts (Rom. 10:9-10; cf. Rom. 10:13) is fundamentally eschatological.’(181) In Rom. 2:3 zegt Paulus dat niemand het toekomende oordeel kan ontkomen.(182) ‘Sinful people, he says, have no defence before the wrath of God. They know enough from creation to worship God, but instead choose to worship the creation itself, going from bad to worse as they devote themselves to people, birds, four-footed beasts, and reptiles (1:18-23).’(183) 
Zalig worden heeft dus twee kanten bij Paulus. Aan de ene kant verkrijgt men de zaligheid in de komende aeon en aan de andere kant wordt men voor de toekomende toorn bewaard. Beide zaken zijn eschatologisch van aard. ‘Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn (Rom. 5:9).’ Deze toorn komt openbaar bij het laatste oordeel. De apostel drukt in niet mis te verstane woorden uit dat de ‘hardheid’ en ‘onbekeerlijkheid’ van het hart op een fiasco uit zal lopen. ‘Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods (Rom. 2:5).’ De gelovigen die in Christus Jezus zijn, worden versterkt door de ‘hoop der zaligheid’ (1 Thes. 5:8). Een ieder die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden (Rom. 10:11). Kortom, de zaligheid is een gave van God die in het eschaton geëffectueerd zal worden.(184) ‘That which is to take place at the day of judgement for those who believe is manifest here and now in the crucified and risen Christ (Rom. 2:6, 16; 3:5-6). For this reason, the ‘righteousness of God’ is simultaneously hidden and revealed.’(185)

Hierbij dient opgemerkt te worden dat Paulus wel over zalig worden kan spreken als iets wat reeds gebeurd is. Bijvoorbeeld in Rom. 8:24: ‘Want wij zijn in hope zalig geworden.’ Dit is volgens Schreiner te verklaren doordat Paulus de toekomende tijd zag als een tijdperk (aeon) wat reeds doorgebroken was.(186) Dit doet hij met een beroep op het Oude Testament. ‘Paul assumes in Romans 6:15-23, therefore, that believers have entered the eschatological era of which the prophets spoke. They are the restored people of God and should live in a way that is consistent with the new era that they occupy.’(187) 
Na het laatste oordeel zal dit tijdperk volledig doorbreken. Het is deze gezegende hoop waar Paulus zijn publiek op attent wil maken.(188) De hoop op de toekomende tijd. 

In tegenstelling tot het corpus van Paulus, heeft ‘zalig worden’ in het Johannesevangelie vooral betrekking op het hier en nu. Ook Johannes laat er geen misverstand over bestaan dat de gelovige met Jezus verbonden moet zijn. ‘Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God (Joh. 3:18).’ Dit is echter een veroordeling die nu plaatsvindt. Waar Paulus vooral waarschuwt tegen de komende wraak van God, legt Johannes een duidelijkere claim op het hier en nu. In tegenstelling tot Paulus spreekt Johannes niet van een es-chatologische redding. Redding vindt plaats in het hier en nu. ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven (Joh. 5:24).’ Het eeuwige leven en de eeuwige dood beginnen in dit tijdperk.(189) Het verkrijgen van eeuwig leven behoort tot de kernen van het Johannesevangelie. De term ‘leven’ (ζωη) verschijnt zesendertig keer in het Johannesevangelie. Dat is maar liefst een-vierde keer van alle keren dat het woord in het Nieuwe Testament voorkomt. In ongeveer de helft van deze keren voegt Johannes er het bijvoeglijk naamwoord ‘eeuwig’ (αιωνιος) aan toe.(190) 

Of men eeuwig leven verkrijgt hangt af van de vraag of men Jezus als de getrouwe Getuige aanneemt en gelooft. Voor wie in Jezus gelooft begint het eeuwige leven nu, zelfs nog voor de fysieke dood en ‘de laatste dag’.(191) ‘En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage (Joh. 6:40).’ Het is opvallend dat Johannes de traditionele volgorde van opstanding op de laatste dag en daaropvolgend het eeuwige leven, omdraait. Het eeuwige leven is nu beschikbaar voor hen die in Gods Zoon geloven, en hun opstanding uit de dood zal volgen ‘op de laatste dag’.(192) Anders gezegd, hoewel Johannes de uiteindelijke opstanding bevestigt, ligt zijn nadruk op het verkrijgen van (eeuwig) leven in het hier en nu. Een leven wat de dood niet kan onderbreken.(193) Iets wat duidelijk bevestigd wordt door de woorden van Jezus in Joh. 8:51: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.’

Samengevat kan men stellen dat redding bij Paulus vooral slaat op een ontkomen aan de komende toorn van God. Paulus legt de nadruk op de komende aeon, het tijdperk wat in het eschaton zal aanvangen. Johannes legt meer nadruk op het hier en nu. Wie in Jezus gelooft heeft nu eeuwig leven. Wie echter niet in Hem gelooft, is reeds veroordeeld (Joh. 3:18) en heeft de eeuwige dood. 

Zoals gezegd, heeft Kohlbrügge een sterke voorliefde voor de Paulinische brieven en dan met name de Romeinenbrief.(194) Gezien zijn voorgeschiedenis en theologische afkomst is dit ook niet verwonderlijk. Deze voorliefde heeft zijn exegese en homiletiek duidelijk beïnvloed. Net als Paulus ziet hij redding (in en door Christus) vooral als eschatologische redding. De mens is vleselijk en van nature een overtreder van Gods Wet, aldus Kohlbrügge. Als er geen verandering komt, gaat de mens voor eeuwig verloren. Dit verloren gaan plaatst Kohlbrügge, net als Paulus, duidelijk in de toekomst. ‘Het derde oordeel is de uiteindelijke, algehele en eeuwige verwerping van het aangezicht Gods, een eeuwig wenen en knersen der tanden in de tegenwoordigheid van de duivel en alle verdoemden in de hel. Dit laatste oordeel zal over alle onbekeerden, onrechtvaardigen en huichelaars komen.’(195) Bij de preek over Joh. 3:18-21 erkent Kohlbrügge wel dat iemand tijdens zijn/haar leven reeds geoordeeld kan zijn. Dit beschrijft hij echter vanuit God gezien en niet, zoals Johannes, vanuit de mens. Waar Johannes het oordeel in het hier en nu trekt en daarmee een oproep aan de hoorder doet, legt Kohlbrügge dit vooral uit in het licht van de voorzienigheid. ‘God slaapt niet tot op de dag des oordeels. In de hemel is het oordeel reeds over een iegelijk voltrokken. God ziet wel vooruit, wat de mens gedaan zal hebben. Daarboven heet het: “Heeft hij geloofd in de naam van Jezus?” En is het antwoord: “Ja!”, zo volgt er dadelijk op: “Dan is hij zalig”.’(196)  
Hier lijkt hij dus een gegeven van Johannes, namelijk het reeds in dit leven weten waar je aan toe bent, Paulinisch in te kleuren door dit weten bij God neer te leggen.(197)  

Een verklaring hiervoor is dat Kohlbrügge niet de nadruk legt op het (h)erkennen van Christus als de ware Getuige. De nadruk ligt in deze prekenserie vooral op wat de mens in Gods ogen is en wat hij moet worden (niet doen!) om behouden te worden. Hierover in de volgende paragraaf meer.

4.2.4 Wedergeboorte en geloof


Als het gaat om het zalig worden lijkt Kohlbrügge in eerste instantie dicht bij de Romeinenbrief en het Johannesevangelie te blijven. Om tot de zaligheid te komen, zal er wat in het leven van de gemeenteleden moeten veranderen. Zoals eerder vermeld, windt Kohlbrügge er geen doekjes om als het gaat om de afkomst en toestand van zijn gemeenteleden. Ze stammen af van Adam en liggen van nature onder de vloek van de Wet. Zonder nieuwe geboorte en het geloof in Jezus Christus gaat men voor eeuwig verloren, aldus Kohlbrügge. Alleen door het geloof in Christus kan men zalig worden en de toekomende toorn ontlopen. Twee woorden vallen hierbij op, namelijk geloof en geloven. Geloof komt eenendertig keer voor in de Romeinenbrief tegen twee keer in het Johannesevangelie. Het werkwoord geloven komt daarentegen zeven keer voor in de Romeinenbrief en maar liefst vierentwintig keer in het Johannesevangelie. Dit komt doordat Johannes de nadruk legt op het actieve geloven in (het getuigenis van) Christus, terwijl Paulus in de Romeinenbrief vooral beschrijft wat het geloof is en bewerkstelligt. ‘Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven (Joh. 5:46-47)?’ En: ‘Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus (Rom. 5:1).’ 

Net als Paulus behandelt Kohlbrügge het geloof vooral fenomenologisch. Het Johannesevangelie legt vooral de nadruk legt op het geloven als handeling van de mens. Kohlbrügge daarentegen legt de nadruk op wat het geloof is, wat het object van het geloof is en hoe de gelovige aan dit geloof komt. Dit geloof ziet hij niet als een voorwaarde die door God gesteld wordt, maar als een middel wat God welbehaaglijk is. Waar het Johannesevangelie het geloven vooral vanuit de gemeenschap benadert, benadert Kohlbrügge het geloof vooral vanuit het individu en mijdt hij iedere indruk dat het geloof iets is wat iedereen zomaar heeft.
Het geloof komt, volgens Kohlbrügges visie, voort uit het werk van de Heilige Geest. Deze werpt het ‘eeuwige en blijvende Woord van God’ in het hart van de mens. Niet voor niets noemt Kohlbrügge de Heilige Geest ook wel de ‘Drager van het levende Woord der belofte’.(198) A. de Reuver zegt hierover het volgende: ‘Alleen aan het herscheppende werk van Gods Geest is het te danken dat mensen tot geloof komen en er iets aan beleven.’(199) Hoewel Kohlbrügge Woord en Geest niet vereenzelvigt, lijkt hij aan beiden dezelfde functie toe te kennen. Zo spreekt hij afwisselend over het Woord en de Geest die het mensenhart binnendringen en veranderen. ‘Door dit Woord herschept Hij (JWJ: de Geest) de mens en maakt hem tot een nieuwe mens, die van de dood in het leven overgaat.’(200) Doordat Kohlbrügge het auteurschap van de wedergeboorte zowel aan het Woord als aan de Geest verbindt, valt de duidelijke correlatie tussen deze twee op.(201) Met het Woord lijkt Kohlbrügge in eerste instantie de Bijbel te bedoelen en niet Jezus Christus. Iets wat het Johannesevangelie in de proloog lijkt te vereenzelvigen (bijv. in Joh. 1:14).(202)

Kohlbrügge spreekt dus over het Woord en de Geest als entiteiten die de mens innerlijk overtuigen en tot verandering brengen. Dit ‘getuigen’ en ‘overtuigen’ van de Geest is een motief wat het Johannesevangelie niet vreemd is. ‘Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen (Joh. 16:13).’ Niet alleen maakt de Geest het dus mogelijk dat men het Koninkrijk van God binnengaat (Joh. 3:5), Hij getuigt ook van Christus in het leven van de gelovigen (Joh. 15:26). Iets wat Kohlbrügge volledig onderschrijft in deze prekenserie. 

Zoals gezegd legt Kohlbrügge de nadruk op wat het geloof is en bewerkstelligt. Hij ziet het geloof als iets wat de Heilige Geest schenkt. In het Johannesevangelie ligt de nadruk vooral op de Heilige Geest als degene die de nieuwe geboorte schenkt, getuigt van Jezus en als Trooster en Leidsman bij de gelovigen zal blijven (Joh. 16:13). Hoewel Jezus in Joh. 3 de nieuwe geboorte als overgang naar het Koninkrijk van God benadrukt, stelt Kohlbrügge dat deze geboorte voortkomt uit het geloof. ‘De waarachtige wedergeboorte is alleen door het geloof. Het geloof is de levenskiem, het zaad, dat in het hart van de mens geworpen wordt, en de mens geheel herschept, zodat hij gans nieuw is; en dat noch de beet van de slang, noch de dood in zijn leden hem verderft, daarvoor is de Heere borg, Die de gebetene aanziet.’(203)

Kohlbrügge lijkt hiermee de perikoop aan te vullen. Waar Nicodemus met de nodige vragen blijft zitten, onderwijst Kohlbrügge de gemeente hoe men opnieuw geboren kan worden en wat dit inhoudt. Door, in tegenstelling met de farizeeër Nicodemus, alle eigenrechtigheid te laten varen en God de nieuwe geboorte af te smeken komt men op de juiste weg. ‘En deze weg was: Hem, die God gezonden heeft, Jezus Christus, met waarachtig geloof, met verloochening van zichzelf, van de wereld en van alle eigengekozen vroomheid, te omhelzen als zijn enige gerechtigheid voor God.’(204) Kohlbrügge voegt hier nog aan toe dat hij hier later op terug zal komen. In de prekenserie ontvouwt hij geleidelijk, met veel herhaling, hoe de hoorders tot deze nieuwe geboorte kunnen komen. En welke gevolgen deze nieuwe geboorte heeft.

Uit het geloof volgt dus de wedergeboorte. Kohlbrügge benadert de wedergeboorte vooral in engere zin, dus als een eenmalige gebeurtenis. ‘Het spreekt vanzelf, dat de wedergeboorte van alle uitverkorenen plaats heeft gevonden in de dood en de opstanding van Jezus Christus, maar er is ook een tijd voor elk in het bijzonder, waarin hij deze wedergeboorte door vernieuwing des Geestes deelachtig wordt.’(205) Net zo min als de mens zichzelf geboren kan laten worden uit zijn moeder, kan de mens er iets aan bijdragen dat hij van boven af geboren wordt, aldus Kohlbrügge. Deze ontdekking laat Nicodemus zijn naaktheid en verlorenheid zien. Kohlbrügge kleurt de personage van Nicodemus verder in door hem gedachten, gevoelens en motieven toe te dichten. Later blijkt uit de preken dat Nicodemus model staat voor de mens van nature. Ook de gemeenteleden uit Elberfeld zijn farizeeërs en doen er van nature alles aan om zichzelf voor God te rechtvaardigen. Dit is onmogelijk in eigen kracht. Men kan zich wel laten dopen, maar het inwendige werk van de Heilige Geest moet van buitenaf komen. Slechts door wedergeboorte kunnen de hoorders behouden worden. 

Hiermee blijft Kohlbrügge dicht bij het Johannesevangelie, waar het opnieuw geboren zijn een duidelijke transitie is van de ene naar de andere status.(206) ‘Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest (Joh. 3:6).’ Het Johannesevangelie spreekt naast het ‘uit de Geest geboren zijn’, ook over geboren zijn uit God, uit water en Geest en opnieuw geboren zijn (Joh. 1:13, 3;3, 3:5, 3:6, 3:7 en 3:8). Deze beschrijvingen gebruikt Kohlbrügge ook in zijn prekenserie over Joh. 3. Het valt hierbij op dat Kohlbrügge deze begrippen veel meer invult dan het evangelie zelf. Zo poneert Kohlbrügge bijvoorbeeld dat iemand die waarlijk opnieuw geboren is, ervan overtuigd is dat de Geest soeverein is. ‘Bijna alles houdt zich voor wedergeboren, bijna allen menen, dat zij de eigengerechtigheid schuwen, bijna allen willen slechts weten van geloof en vrije genade, bijna allen willen arme zondaars zijn. En bij het gebruik van het woord “geloof” en “vrije genade”, bij dat van “arme zondaar”, leeft en beweegt zich het zelfde vleselijk bestaan der ongerechtigheid, dat de Farizeeën eigen was. Wat kan daarvan de oorzaak zijn? Ondanks alles, wat men van het blazen van de wind moge gehoord hebben of hoort, gelooft men niet, dat de wind blaast, waarheen hij wil. […] Gij begrijpt mij toch wel, Geliefden?’(207)   

Kohlbrügge lijkt hiermee een parafrase te maken van Joh. 3:8: ‘De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.’ Hoe de Geest precies werkt wordt in de perikoop niet uitgelegd, maar dat Zijn werk niet onopgemerkt blijft moge duidelijk zijn. Mensen die ‘echt’ zijn wedergeboren schuwen de eigengerechtigheid en het vleselijke bestaan, aldus Kohlbrügge. Voor hen is het een troost dat de wind waait waarheen hij wil. Dit komt omdat dit vers wijst op de vrijmacht der genade die zich openbaart en krachtig betoont waar zij wil, aldus Kohlbrügge in de tweede preek uit de serie. Men hoeft en mag het dus niet bij zichzelf te zoeken, maar bij de Heilige Geest. 

De Heilige Geest mag dan soeverein zijn, dit weerhoudt Kohlbrügge er niet van om minutieus Zijn werkingen uiteen zetten. Hoewel Kohlbrügge op het eerste gezicht weinig lijkt te spreken over (geloofs)gevoelens, werkt hij wel degelijk uit wat er in het leven van de gelovige gebeurt.(208) Zo werkt hij een volledige ‘toeleidende weg’ uit, waarbij de hoorders te horen krijgen hoe hen het voor en na de wedergeboorte zal vergaan. Hierbij valt op dat Kohlbrügge telkens benadrukt dat de mens ervan afgebracht wordt om de Wet te willen houden. De mens heeft iemand nodig die in zijn plaats God Zijn eer weergeeft en de Wet voor hem gehouden heeft. Alleen door zo’n plaatsvervanger kan God met de mens verzoend worden, aldus Kohlbrügge. De mens kan en mag hier niets aan bijdragen. Het is de Geest die dit besef in de mens werkt. ‘Dan is daar eerst de ontdekking van schuld en verdoemenis, van verlorenheid, van zonde en ongerechtigheid, van een geheel afgevallen zijn van God. Daar verwekt dan de Geest een smachtend verlangen naar verlossing van schuld en straf, naar vrijmaking van alle heerschappij der zonden. Daar ontvallen de mensen dan ook alle werken van gerechtigheid, van deugd en heiligheid, die uit het: “Doe dat, en gij zult leven” voortgekomen zijn, zodat hij in ’t geheel niets meer is en niets meer heeft en onder het vreselijke gevoel van Gods toorn ligt.’(209) 

Het is deze prediking die de hoorder tot Christus zal brengen, aldus Kohlbrügge. ‘Daar hoort hij Christus prediken, wie de Christus is, wat Hij gedaan en geleden heeft en hoe Hij de Middelaar van een beter verbond is geworden. [… ] Al wie nu in zulk een verlegenheid met zielsverlangen tot Christus gaat, verneemt uit het evangelie, hoe Christus aan alle armen en ellendigen, aan alle verlorenen wordt voorgehouden, hoe ieder, die wil, slechts heeft te komen en hoe ieder, die komt, niet verstoten zal worden.’(210) 

Kohlbrügge verzekert zijn hoorders er meerdere malen van dat zij niets hebben om bij te dragen aan hun zaligheid. Om dit te onderstrepen laat hij zelfs God in eerste persoon ‘spreken’: ‘Boos zijt gij en uw werk is boos. Gij kunt niets doen noch willen, wat niet boos is. Gij moet wedergeboren zijn. Geloof alleen in Mijn Naam. Ik alleen ben uw gerechtigheid. Laat alle werk aan Mij over. […] Trek Mij aan zoals gij zijt. In Mij hebt ge het leven, het werk, de gerechtigheid, de heiligheid. In Mij de gehele vervulling der Wet. Zo gij in Mij gelooft, in Mij gevonden wordt, is er voor u geen verdoemenis.’(211) 

Het heil is en blijft extra nos bij Kohlbrügge. Hij bevestigt dat er een moment van wedergeboorte is, maar het heil komt niet ‘in’ de mens. Het wordt de mens wel toegerekend, maar het heil blijft in Christus. ‘Die niet weten wat vlees is, willen de waarachtig in het vlees gekomen Jezus niet in hen laten leven.’(212) Mede daarom wil Kohlbrügge niets van een heiligingsproces weten. De mens blijft mens, maar is in Christus ‘nochtans’ rechtvaardig. Sterker, de gelovige wordt vele malen aangevochten als hij kijkt op zichzelf. Het enige wat de gelovige in zichzelf kan ontwaren, is dat hij vleselijk is. ‘Maar zolang vlees er niet van wil weten, dat het vlees is, ergert het zich aan God, “geopenbaard in het vlees.” […] Alleen daar, waar verlorenheid en liefde tot gerechtigheid is, verstaat men er tenminste iets van, dat de Zoon uit de Vader, en dat deze Zoon is geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet; want daar disputeert men niet over, maar laaft en verkwikt men zich aan deze waarheid, tot zijn eeuwige troost.’(213)

Volgens Kohlbrügge is de ware gelovige rechtvaardig in Jezus Christus en niet in zichzelf. En juist deze (geloofs)waarheid maakt dat iemand aangevochten wordt. Want de duivel, wereld en ons eigen vlees houden niet op ons aan te vechten, aldus Kohlbrügge.(214) Hoewel Gods beloften betrouwbaar zijn, wordt de gelovige geplaagd door het schijnbare tegendeel. ‘Zijn gemeente is in zichzelf verloren, ligt in de hel, woont waar de  zonde heerst, is in de macht des doods – deze evenwel zal Zijn dochter worden. […] Indien wij Hem slechts hebben, zijn wij tevreden, al moesten wij ook met Hem, ons gehele leven door, enkel gebrek lijden.’(215)

Het is de aanvechting, veroorzaakt door de schijnbare tegenstrijdigheid, waardoor men gaat twijfelen. Dit kan zelfs zo ver gaan dat men bijna het gehele Woord van God gaat verdenken. Omdat men van de toegezegde rijkdommen, heerlijkheid en zegeningen niets ziet, kan deze twijfel haast overslaan in vertwijfeling.(216) Toch komt deze aanvechting niet alleen van binnenuit. De wedergeboren christen wordt ook aangevallen door eigengerechtigden. Deze groep verklaart de gelovigen voor dwaas, omdat zij het ‘wagen’ met Christus’ gerechtigheid en niet bouwen op eigen werken. 

Maar ondanks de aanvechting die de ware gelovige zal ervaren, mag hij ervan verzekerd zijn dat hij op naam en rekening van Jezus staat. A. de Reuver zegt hierover het volgende: ‘Gezond geloofsleven wordt naar Kohlbrugge’s besef dus door de aanvechting gekenmerkt. Hij aarzelt niet om haar als een toetssteen aan te leggen die het onderscheid mankeert tussen schijn en zijn. […] Wat niet uit God is heeft geen weet van de paradox, dat men in de woestijn belandt waar het paradijs is beloofd.’(217)  

Hoewel Kohlbrügge niet ontkent dat de gelovige eigenaar wordt van ‘een vreemde gerechtigheid’, ontkent hij dat de gelovige het in zichzelf bezit. Hiermee lijkt hij een correctie te geven op het ‘Was du glaubst, hast du’, van zijn leermeester Luther. Bij Kohlbrügge is het eerder: ‘In Wie u gelooft, Die heeft het!’ Het is in deze paradox dat de gelovige geoefend wordt. Net als Christus eens op aarde, moet de gelovige zich er ook ‘doorheen geloven’.(218)

De opnieuw geboren mens is dus geen vijand meer van God. De Drie-enige God heeft de gelovige uit het oude wezen van Adam en de letterknechterij tot de gemeenschap van de Geest des levens in Christus Jezus gebracht. Dit is gebeurd door het machtige, onwederstandelijke en lieflijke trekken van de Vader tot Christus.(219) Door dit goddelijke handelen wordt de mens wedergeboren tot een nieuwe en levende hoop. Deze wedergeboorte volgt op het geloof. Dit wordt op haar beurt weer verwekt door Woord en Geest. Kohlbrügge is dus overduidelijk dat zalig worden een eenzijdig Gods werk is. Het is de aanvechting en twijfel die de hoorder van de authenticiteit van zijn geloof moet overtuigen.(220) Maar zelfs aan deze twijfel kan de gelovige twijfelen. Hij ontdekt dat hij vleselijk is en blijft. Deze ontdekking waardeert Kohlbrügge positief. In een preek over Luk. 2:10-14 zegt hij het volgende: ‘Gelukzalige verlorenheid, waar een mens zichzelf niet meer weet te helpen, waar hij rade- en reddeloos is en moet omkomen; hij kan zichzelf niet helpen, niet troosten; al heeft hij het hele Woord van God voor zich genomen en de Catechismusvraag ‘wat gelooft gij van de vergeving der zonden’ nog zo goed geleerd- hij kan het niet voor zichzelf geloven, hij kan het niet aannemen!’(221)

De gelovige is en blijft onwaar in zichzelf. Slechts het Woord blijft overeind in de zwaarste aanvechtingen. Het Woord wat verhaalt van het nochtans van Christus en de Heilige Geest. In Hem zijn de beloften ja-en amen. 
Daarom besluit Kohlbrügge zijn prekenserie met een pastorale oproep tot het vertrouwen van God en een opzien naar Hem. 

‘De gemeente, ziende op de ondoorgrondelijke barmhartigheid en liefde Gods, zegt: “Voor ons allen” en sluit hier, in haar aanvechting elke aangevochtene bij in en sluit geen enkele uit. […] Daarom, gij wie het om God, om gerechtigheid, om allerlei verlossing te doen is, hoewel gij ook niets dan het tegenstrijdige ziet, houdt moed, en verheugt u in het vertrouwen, dat die God, die ons het beste wat Hij had, gegeven heeft, met Zijn geliefde Zoon alles, niet een half, maar een geheel Koninkrijk, ons uit genade zal schenken. […] Dat onze ogen slechts op Hem, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de God aller genade gevestigd zijn.’(222)

4.2.5 De wereld 


Uit de vorige paragraaf is gebleken dat Kohlbrügge grote nadruk op de wedergeboorte legt. Tegelijk benadrukt hij dat het geloof en de wedergeboorte aan de mens geschonken moet worden door God. Het is Gods Geest die deze wedergeboorte zal authentiseren. ‘Waar nu zulk een vertrouwen des harten in Christus is, waardoor men tenslotte door de Heilige Geest verzekerd wordt van: “Ook mij is vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken, uit louter genade, alleen om de verdiensten van Christus”, - daar heeft men ook een vaste grond, dat men niet verdoemd zal worden in de dag des oordeels.’(223)

Er is Kohlbrügge dus veel aan gelegen om zijn hoorders op de zaligheid in Christus te wijzen. Zonder wedergeboorte en geloof staat de mens onder de vloek van de Wet en heeft hij verkeerde gedachten over God. Dan ziet men God als een strenge Heer en niet als een rechtvaardig en heilig God, aldus Kohlbrügge.(224) Hij roept zijn hoorders daarom op om zichzelf te onderzoeken. ‘Wij hebben ons in dit opzicht voor de Hartekenner te onderzoeken, want menigeen houdt zich voor wedergeboren, die met zijn werken, zoals hij zich gedraagt jegens de zijnen en jegens de naaste, bewijst dat hij het niet is en bijgevolg ook bewijst uit de gedachten zijns harten zoals die zich openbaren tegen God, tegen Zijn Wet en tegen Zijn heilig Evangelie.’(225) 

Kohlbrügge is duidelijk dat het heil extra nos is en blijft. Dit werkt hij bijvoorbeeld uit door telkens erop te wijzen dat de gelovige een aangevochtene is en blijft. Omdat men in Christus gerechtvaardigd wordt, wordt de christen een onheilige heilige. Heilig in Christus, maar men blijft onheilig in zichzelf. Echter, zoals uit het citaat 223 blijkt, kan de christen wel verzekerd worden door de Heilige Geest. Kohlbrügge timmert zijn het principe van extra nos dus niet helemaal dicht.
Christus heeft de Wet volbracht en de vloek aan het kruis van Gogoltha gedragen. Door de wedergeboorte en het geloof komt men in verbinding met Christus te staan. De gelovige is dan in Christus rechtvaardig voor God en niet in zichzelf. De wedergeboorte en het geloof moeten de mens gegeven worden door Gods Geest. Kohlbrügge sluit hierbij aan bij Joh. 3:6, maar bespreekt de wedergeboorte ook vanuit de andere Personen van de Triniteit.(226) 

Doordat Kohlbrügge grote nadruk legt op het eenzijdige werk van God in het leven van de mens, kom je een directe oproep tot geloof of bekering ook niet tegen. Zoals reeds vermeld behandelt hij het geloof vooral fenomenologisch. Kohlbrügge benadrukt wat het geloof is en wat het uitwerkt. Toch lijkt dit in eerste instantie een grote spanning op te leveren. Men kan zichzelf het geloof niet schenken en opnieuw geboren worden kan de hoorder ook niet bewerkstelligen. Deze spanning wordt overigens niet alleen door de beschrijving van de noodzaak van wedergeboorte en geloof veroorzaakt. Kohlbrügge kan ook extatisch verhalen over Gods goedheid voor de wedergeborenen. ‘Alles heeft Hij Zijn Christus gegeven, de troon Zij-ner heerlijkheid om met Hem daarop te zitten, het paleis Zijner heiligheid, de gehele hemel Zijner heerlijkheid. […] Verworven, verdiend heeft Hij voor Zich alle schatten en rijkdommen van de hemel om ons ze te schenken, leven en overvloed, zoals Hij Zelf gezegd heeft.’(227) Mede door deze positieve duidingen wordt de hoorder hoe langer hoe meer  in een klem gebracht. Men kan het niet zelf, maar moet wel opnieuw geboren worden. Toch is het onterecht om te stellen dat Kohlbrügge louter een vraagstuk opwerpt, maar geen antwoorden en hoop biedt. De manier waarop de mens, volgens hem, aan het heil komt is verrassend! 

De sleutel tot het verkrijgen van het heil is namelijk de wereld van Joh. 3:16. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). Het gaat Kohlbrügge dus om de wereld waaraan God Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Door het ‘wereld te worden’ komt men in de positie waar men een genadig God aantreft. ‘Gevoel u verloren, verdorven, zó wil God u hebben. Stel u gelijk met de gehele wereld, dan zal God u lief gehad hebben.’(228)  

Het woord ‘wereld’ (κοσμος) komt maar liefst negenenzeventig keer voor in het Johannesevangelie. De synoptische evangeliën, op Mattheüs na, vermelden het woord sporadisch.(229) Het Griekse woord κοσμος heeft een opvallend prominente positie binnen het Johannesevangelie.(230) G. Kittel zegt over de historische ontwikkeling van het woord het volgende: ‘Alle Bedeutungen, die κοσμος haben kann, fließen im Sprauchgebrauch des vierten Evangeliums zusammen.’(231) De nadruk ligt bij Johannes op het verschil tussen de wereld en de verkoren discipelen, aldus Barrett.(232) Ook G. Kittel benadrukt de clash tussen de wereld en dat waar het Johannesevangelie om draait, namelijk Jezus die in de wereld is gekomen. De wereld is een moreel donkere plaats waar Gods liefde en redding hard nodig zijn, aldus A.J. Köstenberger over het Johannesevangelie.(233) Deze sterke onderscheiding tussen Jezus en de wereld blijkt onder andere uit Joh. 17:9 en 14: ‘Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.’ En: ‘Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.’

Het is de wereld die Christus verworpen heeft en onder het oordeel ligt. ‘Indem aber bei Joh vom κοσμος gesagt wird, daß er den Sohn Gottes nicht erkenne, daß er Gott nicht erkenne, daß er nicht glaube, daß er hasse, wird der κοσμος in gewisser Weise persönlich verstanden als der große Gegenspieler des Erlösers in der Heilsgeschichte.’(234)

Tegelijk ligt er wel degelijk hoop voor de wereld. Jezus het Lam Gods, is gekomen om de zonde van de wereld weg te nemen (Joh. 1:29). Hij is gezonden door God om de wereld te behouden en niet om haar te veroordelen (Joh. 3:17). Jezus, de Zaligmaker der wereld, geeft de wereld het leven (Joh. 4:42 en 6:33). Zij die in Jezus’ woorden geloven, houden op ‘van de wereld’ te zijn (Joh. 17:6). Ze zijn kinderen van het Licht geworden.(235)

Net als in het Johannesevangelie is ‘de wereld’ bij Kohlbrügge een aparte categorie die veel aandacht krijgt. Bij Johannes staat deze categorie lijnrecht tegenover Jezus. Een ieder die in Hem gelooft zal niet verloren gaan maar het eeuwige leven krijgen. Zij behoren dan niet meer tot de categorie wereld. In deze masterscriptie ben ik tot de ontdekking gekomen dat Kohlbrügges eigenheid op dit punt het duidelijkst naar voren komt. Ook hij is niet positief over de wereld. Zo gebruikt hij het in de betekenis van iemand die geen juiste visie op de verzoening heeft. ‘De wereldling, de eigengerechtigde, de Farizeeër, de onoprechte wil Hem niet aanzien als degene, door wie wij alleen met God verzoend zijn.’(236) Of als de tegenstander van God bij uitstek: ‘De wereld wil God zijn en God moet van Zijn troon af. De wereld wil haar wil handhaven en God mag niet souverein zijn. […] Daarenboven slaat en spuwt de wereld God in het aangezicht, overlaadt Hem met smaad en spot, hecht Hem aan het kruis en doodt Hem.’(237)

Kohlbrügge drukt in niet mis te verstane woorden uit waar de wereld uit bestaat. ‘De wereld bestaat uit een ontelbare menigte mensen, die in volslagen vijandschap met God leven. Afvalligen van God, opstandelingen, schenners van Zijn heilige Majesteit, doden in zonden en misdaden, slaven der zonde en zonder verwachting; overtreders van al Zijn geboden, afgodendienaars, lasteraars van Zijn Naam, en verstoorders van de door Hem bevolen rust, vol begeerten naar wat van de naaste is, vloekwaardige zondaren, wier zonde hoofdzakelijk dáárin bestaat, dat zij zijn willen als God, dat zij God voor onheilig, voor de duivel houden en zichzelf voor heilig, wijs, edel en vroom. Een mengsel, een chaos van zonden en duisternis, van vijandschap en haat tegen God – dat is de wereld.’(238) 

Maar het spoor van Kohlbrügge scheidt zich duidelijk af van dat van Johannes als het gaat om de verbinding met Christus. De verbinding waardoor de gelovige zalig wordt. Waar Johannes de nadruk legt op het geloof in Jezus en het overgaan van de wereld tot kinderen van het licht, kiest Kohlbrügge een andere insteek. Juist door het ‘wereld worden’ is er redding mogelijk! ‘Dáár komt het op aan, of men zich door de Heere met de wereld op één hoop wil laten werpen, zodat men in waarheid belijdt, dat het vrije, onverdiende genade is.’(239) 

Zoals gebleken is het voor Kohlbrügge duidelijk welke mensen er buiten het heil van Christus staan. Namelijk zij die op hun eigen gerechtigheid en vroomheid steunen. Het zijn zij die er, net als Nicodemus, niets van begrepen hebben. Kortom, zij die geen wereld ‘willen worden’. Het frappante is hier dat Kohlbrügge een schakering lijkt aan te brengen. Waar hij eerst uitwerkt dat ieder mens van nature tot de wereld behoort, geeft hij vervolgens aan dat het behoren tot deze wereld de enige mogelijkheid is om zalig te worden. Want het is nu juist de wereld die God op het oog heeft! ‘Laat daarom een iegelijk van u, die dit woord “de wereld” hoort, aan zichzelf denken en zeggen: Daarmee ben ik bedoeld! Hij moet niet aan deugden of heiligheid denken, maar hij heeft te denken aan goddeloosheid, die zo groot was en nog zo groot is, dat er aan of in hem niets is, geweest is of zijn zal, waarom God hem genegen zou kunnen zijn. Wie zich alzo onder alle diepgezonkenen en van God afgevallenen als de diepstgezonkene en als de van God meest afgevallene kent, die zal gaarne tot die wereld behoren, die God heeft liefgehad.’(240) 

Uit dit citaat blijkt onder andere dat Kohlbrügge wars is van een eigen ‘bijdrage aan’ of ‘verdienen van’ het heil. Hierin is hij heel consistent. Er is en zal niets in de mens zijn, waarom God hem genegen zal kunnen zijn. De wereld is door Christus met God verzoend. Door onder deze geloofswerkelijkheid te buigen, kan men gered worden. Van nature ligt de mens onder de vloek van de Wet. De duivel heeft daarom recht op de zondaar, aldus Kohlbrügge. Maar het Woord leert de gelovige dat God Zijn Zoon in de wereld heeft gezonden om haar te verlossen. Als de mens zich onder de wereld wil scharen, zal hij de juiste waardering voor Christus krijgen. Tegelijk benadrukt Kohlbrügge dat de gelovige in zichzelf deze redding onwaardig is en blijft. Het wordt dus nooit een automatisme. Zoals gebleken, ziet Kohlbrügge de aanvechting als kenmerk van de ware gelovige. Ook na de wedergeboorte, blijft deze aanvechting de gelovige bezighouden. ‘Dit wordt niet alleen vóór de bekering ondervonden, maar ook na de bekering komen er schrikkelijke uren, waarin men zijn afval van God met zulk een kracht gewaar wordt, dat men het nauwelijks waagt ook slechts een zucht tot God te slaken; de gedachte zelfs aan geloof is weg.’(241)

Kohlbrügge leert zijn hoorders dus de noodzakelijke habitus van een ware gelovige. Slechts wie zich existentieel wereld weet, schaart zich onder hen die God op het oog heeft. Tegelijkertijd blijft Kohlbrügge resoluut in zijn mening dat de mens in zichzelf niet voor God kan bestaan. De vraag rijst of Kohlbrügge hiermee geen ‘tweede weg’ tot het heil suggereert. Men ‘kan’ dan wel niet geloven vanuit zichzelf, maar men ‘kan’ zich wel tot de wereld rekenen. Kohlbrügge lijkt deze gedachte te ondervangen door te stellen dat Christus het enige houvast is voor de gelovige. Zelfs het ‘wereld’ zijn van de gelovige, wordt namelijk sterk bestreden. Anders gezegd: Juist omdat men als onheilige tot het heil gerekend wordt, twijfelt de gelovige aan zijn deel hieraan. Het gevaar ligt op de loer om Kohlbrügges theologie kloppend te willen maken. Daarmee zouden we de preken overvragen. Kohlbrügge is in de Johannespreken meer spiritualiteit scheppend dan dogmatisch. Zo is bijvoorbeeld de grens tussen geloven en wereld zijn niet helemaal duidelijk. In eerste instantie lijkt het ‘wereld zijn’ te leiden tot wedergeboorte en geloof. Maar omdat Kohlbrügge, in tegenstelling met het Johannesevangelie, weinig zegt over het actieve geloven lijkt het wereld zijn soms een synoniem voor geloven. Want het ‘wereld zijn’ is niet alleen een staat waarin je blijft. De gelovige ervaart deze werkelijkheid telkens opnieuw in zijn leven. Deze realisatie van ‘wereld zijn’ wordt in de preken haast als een mystieke ervaring geduid.(242) ‘De wereld is iets afschuwelijks, iets ellendigs, iets geheel en al hatelijks en vergiftigd voor God. Dat Hij haar evenwel lief heeft gehad, is een eeuwig wonder van Zijn vrije ontferming, waarover alle engelen verbaasd staan en waarvoor alle gezaligden Hem in alle eeuwigheid lof, prijs en aanbidding zullen brengen. De wereld, de vloek- en verdoemenswaardige wereld zijn wij en een iegelijk van ons zegge het mij met een gebroken hart na: “De wereld, de vloek- en verdoemenswaardige wereld, ben ik!”’(243)

Te midden van Kohlbrügges negatieve uitingen over de vleselijkheid van de mens, lijkt het ‘wereld zijn’ een soort oase voor de hoorders. Dit is retorisch sterk. Maar het is ook pastoraal sterk. Juist in het niet kunnen bestaan voor God, is er hoop. ‘Zo even meende men nog voor eeuwig buitengesloten te zijn en opeens ziet men zich opgenomen in het bundelke der levenden. De worgende angst is voorbij; de last der zonden voor eeuwig in de afgrond geworpen. […] Degene, die zo even niets zag dan zonde en een gapende afgrond, niets dan duisternis, ziet nu niets anders meer dan een eeuwig voor hem geopend vaderhart, niets dan het Lam, dat zijn zonde droeg, dat overwonnen heeft, en hij verlustigt zich in de stroom en de glans der heerlijkheid van het eeuwige licht.’(244) 

Met de prekenserie wil Kohlbrügge zijn hoorders ervan overtuigen dat ze moeten worden wat ze van nature al zijn, namelijk ‘de wereld’. De wereld die niets van God wil weten, maar waar God wel Zijn Zoon naartoe heeft gezonden. Te midden van al Kohlbrügges afsnijdende en soms zelfs polemische uitspraken, is dit de ruimte voor de hoorders die als een rode draad door de preken loopt. Tegelijk lijkt hij huiverig voor automatisme en gearriveerdheid. Doelbewust probeert Kohlbrügge te balanceren tussen Wet en evangelie. Dit doet hij door mensen existentieel klem te zetten. Op een dynamische manier zet hij het evangelie vervolgens in, door te stellen dat het punt waarop ze klem worden gezet, nu juist het punt is waar God ze uit wil redden. Tegelijk blijft Kohlbrügge van begin tot eind afsteken naar de diepte van de mens. Dit doet hij door te blijven wijzen op het feit dat de mens in zichzelf geen heilige of vrome wordt. ‘Zijn naam is “de wereld” en hij weet voor zich geen andere naam. Zijn wij daarover heen? Als een enkel stofje van onze verdorvenheid slechts even in ons oog raakte, kent de oprechte, die Gods Wet meer acht dan zijn eigen leven, zijn nieuwe naam niet meer en is de diepst gezonkene, en de voornaamste der zondaren.’(245) Het blijft een wonder dat God nu juist de mens heeft willen opzoeken met het heil in Christus. Hierdoor wordt het heil niet goedkoop in deze prekenserie.  

De komma van Romeinen 7 houdt Kohlbrügge dus consistent overeind. De mens, ook die van ‘de wereld’, blijft vleselijk, verkocht zonder de zonde.   


5 Conclusies



In dit laatste hoofdstuk wil ik komen tot een samenvattende beantwoording van de onderzoeksvraag. Deze vraag luidt: Op welke wijze gaat dr. H.F. Kohlbrügge om met het Johannesevangelie in zijn acht leerredenen over het evangelie van Johannes, hoofdstuk 3:1-21?

In de bovenstaande hoofdstukken heb ik de prediker van Elberfeld onder de loep genomen. Dit heb ik gedaan door het eerste deel aan zijn persoon te wijden en het tweede deel aan zijn preken. Om de vinger achter Kohlbrügges Johannesreceptie te krijgen heb ik ervoor gekozen om enkele belangrijke thema’s uit zijn preken nader uit te werken. In dit afsluitende hoofdstuk zal ik mij beperken tot de meest karakteristieke en opvallende zaken van Kohlbrügges omgang met het Johannesevangelie.

Als eerste valt op dat Kohlbrügge zich in zijn Johannespreken niet tot het vierde evangelie beperkt. Zijn voorliefde voor het Paulinische corpus, en dan met name de Romeinenbrief, komt duidelijk naar voren. Kohlbrügge haalt Paulus vaak letterlijk aan. Überhaupt zijn Kohlbrügges preken doorspekt van Paulinische noties. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de Wet. Hoewel de Wet in Joh. 3:1-21 niet genoemd wordt, besteedt Kohlbrügge hier een substantieel deel van zijn preken aan. Waar de Wet in het Johannesevangelie vooral getuigt van Jezus Christus, wijst de Wet bij Kohlbrügge vooral op de vleselijkheid van de mens. Daarbij is Kohlbrügges jargon ook doorspekt met allusies naar Paulus. Wat dat aangaat blijf Kohlbrügges komma een komma en wordt nooit een punt. Kohlbrügge is in het verleden nog wel eens beschuldigd van rechtlijnigheid. Wat hier ook van waar moge zijn, één ding is zeker, hij is er veel aan gelegen om zijn hoorders te overtuigen van de zaken die hij cruciaal vindt. 

Een tweede punt wat opvalt is Kohlbrügges aandacht voor ‘het vlees’. In tegenstelling tot de Wet komt dit wel voor in Joh. 3:1-21. Net als Johannes vindt ook Kohlbrügge ‘het vlees’ negatief. Echter, waar Johannes zijn publiek oproept om het vlees van Christus te nuttigen, gaat Kohlbrügge hier een geheel eigen kant mee op. Hij benadrukt vooral dat de mens vleselijk is en blijft. Dit is een gegeven waaraan de mens niet kan ontsnappen. Iets waar het Johannesevangelie zelf wel ruimte voor ziet. 

Een derde punt waar Kohlbrügge duidelijk de nadruk op legt is de noodzaak van de wedergeboorte. Hierbij sluit hij in beginsel dicht aan bij de perikoop. De mens moet opnieuw geboren worden, anders kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan, aldus Johannes. Kohlbrügge koppelt ook hier de wedergeboorte aan de Wet. Zonder wedergeboorte en geloof ligt de mens nog onder de vloek van de Wet. Kohlbrügge haalt hierbij fel uit naar een ieder die hier anders over denkt of die zelf de zaligheid wil bewerkstelligen. Haarscherp zet Kohlbrügge verschillende (abstracte) categorieën van eigengerechtigde, vrome, enzovoort, op hun plek. De vraag naar het heil is dan ook de belangrijkste vraag die Kohlbrügge uit de perikoop destilleert. Nicodemus, Jezus en de voorbeelden uit de preek, staan allemaal in dienst om het gemeentelid te vertellen hoe hij/zij zalig moet worden. Want alleen door wedergeboorte en geloof zal de gemeente tot haar ware bestemming komen, aldus Kohlbrügge. 

Toch is er één punt wat Kohlbrügges Johannesreceptie een geheel eigen karakter geeft, en dat is ‘de wereld’. Net zoals het Johannesevangelie benadrukt Kohlbrügge Gods liefde in het zenden van Zijn Zoon naar deze wereld (Joh. 3:16). De wereld is zowel voor Johannes als voor Kohlbrügge een negatief gegeven. Voor Johannes is het zelfs een categorie die lijnrecht tegenover Jezus staat. Maar wie in Hem gelooft, gaat uit de wereld over in het eeuwige leven wat nu reeds begint. 

Hoewel Kohlbrügge ook uitvoerig en extatisch over het heil in Christus kan spreken ziet hij hier wel een aantal problemen liggen. Zo wordt het leven van een ware christen gekenmerkt door aanvechting en niet door zekerheid. Daar komt nog eens bij dat de mens zichzelf niet opnieuw geboren kan doen worden. Maar deze onmogelijkheden heffen de vloek van de Wet niet op! Door nauwkeurig op de grens van Wet en evangelie te balanceren, voert Kohlbrügge de druk op zijn hoorders op. Het is op dit punt dat Kohlbrügge een opmerkelijke ‘oplossing’ ziet. Het probleem, namelijk het tot de wereld behoren, zal bij een juiste habitus van de gelovige, tevens de oplossing blijken te zijn! Wie zich waarlijk ‘wereld weet’, zal alle pogingen om de Wet te houden staken. Ook zal deze persoon alle eigengerechtigheid opgeven en zijn verdorvenheid existentieel beleven. En dat is nu precies de plaats waar Kohlbrügge zijn hoorders wil hebben. Één van de kernzinnen uit de prekenserie luidt daarom als volgt: ‘Gevoel u verloren, verdorven, zó wil God u hebben. Stel u gelijk met de gehele wereld, dan zal God u lief gehad hebben.’(246)     

Samengevat kan men stellen dat Kohlbrügges Johannesreceptie gekleurd is door zijn voorliefde voor het Paulinische corpus. De hoorders van zijn preken moeten komen tot het heil in Christus. De weg hiertoe is door wedergeboorte en geloof. Alleen de genadige God kan dit bewerkstelligen. Zij die zich ‘wereld weten’ worden door Hem in Jezus Christus gerechtvaardigd. Deze rechtvaardigheid wordt toegerekend en komt nooit in de gelovige zelf. Het heil blijft altijd extra nos bij Kohlbrügge. De man, wiens leven door veel (kerkelijke) polemieken getekend is, is wars van ieder automatisme. 

Hermann Friedrich Kohlbrügge, ruig als een robbevel, zet achter alles van de mens een punt. En tegelijkertijd kan iedereen, door genade, zijn naam invullen onder het kopje ‘wereld’. Want het is God die in Christus Jezus op Gogoltha voorgoed een komma zette. 


Dankwoord 



In 2005 schafte ik voor het eerst een theologisch werk aan. Dit betrof een prekenbundel van dr. H.F. Kohlbrügge met de titel: ‘Aanvechting’.(247) De inhoud maakte grote indruk op me. 

Aan het einde gekomen van deze scriptie kan ik melden dat deze fascinatie voor Kohlbrügge gebleven is. Sterker, ze is alleen nog maar gegroeid! Zijn warme, doordringende, soms scherpe manier van preken heeft ook mij gegrepen. Zoals gebleken is zijn komma altijd een komma gebleven en nooit een punt geworden. Kohlbrügge heeft zijn ontdekking omhelsd en nooit meer losgelaten. Typerend voor een man die liever droog brood at, dan dat hij van zijn principes af zou stappen. 

Ik ben dankbaar dat ik mocht participeren in het Johannesproject van dr.habil. P.M. Wisse. Hiervoor wil ik hem hartelijk bedanken! Zijn begeleiding en bemoediging waren zeer behulpzaam. Eveneens wil ik dr. J. Kommers bedanken voor zijn optreden als tweede begeleider. 

Daarnaast wil ik graag mijn vriendin, Femke van As, bedanken voor haar steun en gebed. Ook mijn ouders, Jaap en Herma Treur-van Dam, ben ik erkentelijk voor alles wat zij mij de afgelopen jaren gegeven hebben. Met vreugde draag ik deze scriptie aan hen op. 

Tot slot wil ik de Heere danken voor Zijn hulp en leiding. De God van Kohlbrügge leeft nog! Daarom sluit ik mij van harte aan bij de woorden van de prediker uit Elberfeld:

‘Wij hebben alle reden, God voor Zijn grondeloze barmhartigheid en genade dank te zeggen, dat Hij ons altijd zo wonderbaar leidt, dat wij toch ten slotte tevreden worden gemaakt met al Zijn wegen, en wij moeten belijden, dat er bij ons niets overblijft en overgebleven is dan beschaming des aangezichts en de lof van Zijn Naam.’(248)


Bibliografie 



Algra, H. Het Wonder Van De 19de Eeuw : Van Vrije Kerken En Kleine Luyden. Franeker: Wever, 1976.
Balke, W. Johannes Wichelhaus (1819 - 1858) ; Hoogleraar Te Halle En Vriend Van H. F. Kohlbrugge. Zoetermeer: Uitg. Boekencentrum, 2000.
Beasley-Murray, G.R. John. Vol. 36, Word Biblical Commentary. Waco, Tex.: Word Books, 1999.
Blomberg, C. Jesus and the Gospels : An Introduction and Survey. Nashville, Tenn.: Broadman & Holman, 2005.
Bogaards, A.H. Die Christologie Van Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875). Potchefstroom: [s.n.], 1997.
Bruner, F.D. The Gospel of John : A Commentary. Grand Rapids, Mich.: W.B. Eerdmans Pub. Co., 2012.
Carson, D.A. The Gospel According to John. Leicester, England; Grand Rapids, Mich.: Inter-Varsity Press ; W.B. Eerdmans, 2008.
Cranfield, C.E.B., Driver, S.R. A Critical and Exegetical Commentary on the Epistle to the Romans 1 Introduction and Commentary on Romans I - Viii. II vols. Vol. I. Edinburgh: Clark, 2004.
Cullmann, O. Christ and Time; the Primitive Christian Conception of Time and History. Philadelphia: Westminster Press, 1964.
Danker, F.W., Bauer, W., Arndt, W. A Greek-English Lexicon of the New Testament and Other Early Christian Literature. Chicago: University of Chicago Press, 2000.
De Reuver, A. Bedelen Bij De Bron : Kohlbrugge's Geloofspvatting Vergeleken Met Reformatie En Nadere Reformatie. Zoetermeer: Boekencentrum, 1992.
———. Hermann Friedrich Kohlbrugge. Kampen: Kok, 2005.
Ehrman, B.D. The New Testament : A Historical Introduction to the Early Christian Writings. New York: Oxford University Press, 2004.
Fee, G.D. Pauline Christology : An Exegetical-Theological Study. Peabody, Mass.: Hendrickson Publishers, 2007.
Harinck, G., Gimpel, M. Christelijke Encyclopedie. 3 vols. Vol. 1. Kampen: J.H. Kok, 2005.
Hoek, W.A. H.F. Kohlbrugge : De Onheilige Heilige. Amsterdam: W. Ten Have N.V., 1964.
Kittel, G., Bauernfeind, O., Friedrich, G. Theologisches Wörterbuch Zum Neuen Testament. Vol. IV. Stuttgart: Kohlhammer, 1942.
———. Theologisches Wörterbuch Zum Neuen Testament. Vol. VIII. Stuttgart: Kohlhammer, 1942.
———. Theologisches Wörterbuch Zum Neuen Testament. Vol. III. Stuttgart: Kohlhammer, 1942.
Kohlbrügge, H.F. De Eenvoudige Heidelberger; Catechismuspreken. Franeker: T. Wever, 1967.
———. Waartoe Het Oude Testament? Kampen: Groot Goudriaan, 1988.
Kohlbrugge, H.F., Kalmijn, L.J.R. Acht Leerredenen over Het Evangelie Van Johannes, Hoofdstuk 3 Vs. 1-21, Benevens Een Slotrede over Romeinen 8 Vs. 32 Van Dr. H. H. Kohlbrugge Uit Het Hoogduits. Amsterdam: Vereeniging tot uitgave van Gereformeerde Geschriften, 1954.
Kohlbrügge, H.F., Langen, J.J. Briefe Von Dr. Theol. H.F. Kohlbrügge, Weiland Pastor Der Niederländisch-Reformierten Gemeinde Zur Elberfeld, an Johannes Wichelhaus, Weiland Ausserordentlicher Professor Der Theologie Zu Halle an Der Saale, Aus Den Jahren 1843-1857 : Ein Beitrag Zum Verständnis Der Persönlichkeit Pastor Dr. H.F. Kohlbrügge's Und Zur Geschichte Der Gründung Seiner Gemeinde : Mit Bildern Kohlbrügge's, Wichelhaus, Der Kirche Und Des Kirchhofes Der Niederländisch-Reformierten Gemeinde Zu Elberfeld. Elberfeld: In Kommission des reformierten Schriftenvereins, 1911.
Kohlbrugge, H.F., Locher, J.C.S. Over De Godheid Van Christus. Amsterdam: Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften, 1940.
Kohlbrügge, H.F., Locher, J.C.S., Boele, H., Van Es, T. De Wet Bevestigd : Verklaring Van Romeinen 7 Door H.F. Kohlbrugge : Met Daaraan Toegevoegd: Diens Leerrede over Romeinen 7:14 En Een Verhandeling Van Dr. J.C.S. Locher over De Verhouding Van De Christen Tot Gods Wet. Kampen: De Groot Goudriaan, 2009.
Kohlbrugge, H.F., Van Es, T. Aanvechting: 14 Preken. [Kampen]: De Groot Goudriaan, 2005.
———. In Zijn Beeld. [Kampen]: De Groot Goudriaan, 2005.
Kohlbrügge, H.F., Van Es, T. Het Is Mij Goed Nabij God Te Wezen : 47 Preken. Houten: Den Hertog, 2012.
Kohlbrugge, H.F., Van Heyst, D. Gebeden. Kampen: De Groot Goudriaan, 1994.
Kommers, J. "Ontwaakt, Gij Die Slaapt! : Het Reformatorisch Getuigenis Van Gottfried Daniel Krummacher, Hermann Friedrich Kohlbrügge En Paul Geyser Tijdens De Erweckung in Het Wuppertal Van De Negentiende Eeuw." Groen, 2005.
Köstenberger, A.J. John. Grand Rapids, Mich.: Baker Academic, 2008.
———. A Theology of John's Gospel and Letters : Biblical Theology of the New Testament. Grand Rapids, MI: Zondervan, 2009.
Ladd, G.E. A Theology of the New Testament. Grand Rapids, Mich.: Eerdmans, 1993.
Locher, J.C.S. Kohlbrugge En De Afscheiding. Amsterdam: Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften, 1934.
Loos, J. De Theologie Van Kohlbrugge. Amsterdam: Holland Uitgeversmaatschappij, 1948.
Marshall, I.H. The Gospel of Luke : A Commentary on the Greek Text. Grand Rapids: Eerdmans, 1978.
Otten, W. Uit Het Levensboek Van Dr. H.F. Kohlbrugge. Houten: Den Hertog, 1992.
Rasker, A.J. De Nederlandse Hervormde Kerk Vanaf 1795 : Geschiedenis, Theologische Ontwikkelingen En De Verhouding Tot Haar Zusterkerken in De Negentiende En Twintigste Eeuw. Kampen: Kok, 2004.
Schreiner, T.R. Paul, Apostle of God's Glory in Christ : A Pauline Theology. Downers Grove, Ill.; Leicester, England: InterVarsity Press ; Apollos, 2001.
Seifrid, M.A. Christ, Our Righteousness : Paul's Theology of Justification. Vol. 9, New Studies in Biblical Theology. Downers Grove, Ill.: Apollos/Intervarsity Press, 2000.
Smith, D.M. John. Nashville: Abingdon Press, 1999.
Stam, P.J. Hermann Friedrich Kohlbrugge : Een Licht Des Vuurs Bij Nacht. Kampen: De Groot Goudriaan, 1988.
Thielman, F. Theology of the New Testament : A Canonical and Synthetic Approach. Grand Rapids, Mich.: Zondervan, 2005.
Turner, N. Christian Words. Edinburgh: T. & T. Clark, 1980.
Van de Bank, J.H. "Theologie En Kerk in Het Tijdperk Van De Camera Obscura : Studies over Het Nederlandse Protestantisme in De Eerste Helft Van De Negentiende Eeuw." In Utrechtse Theologische Reeks. Utrecht: Faculteit der Godgeleerdheid, Univ. Utrecht, 1993.
Van den Brink, G. Oriëntatie in De Filosofie : Westerse Wijsbegeerte in Wisselwerking Met Geloof En Theologie. Zoetermeer: Boekencentrum, 2002.
Wisse, P.M. . "Scripture between Identity and Creativity : A Hermeneutical Theory Building Upon Four Interpretations of Job = De Schrift Tussen Identiteit En Creativiteit : Een Hermeneutische Theorie Voortbouwend Op Vier Interpretaties Van Het Boek Job." s.n.], 2003.


Voetnoten



1  Zie voor een uitgebreide studie naar zijn beroemd geworden preek over Romeinen 7:14: H.F. Kohlbrügge, Locher, J.C.S., Boele, H., Van Es, T., De Wet bevestigd : verklaring van Romeinen 7 door H.F. Kohlbrugge : met daaraan toegevoegd: diens Leerrede over Romeinen 7:14 en een verhandeling van dr. J.C.S. Locher over De verhouding van de christen tot Gods Wet  (Kampen: De Groot Goudriaan, 2009).
2  J. Loos, De theologie van Kohlbrugge  (Amsterdam: Holland Uitgeversmaatschappij, 1948), 7.
3  De dissertatie van dr. J. Kommers vormt hierop een belangrijke uitzondering. 
4  En dat is nog zonder de preken uit de Johannes brieven, die inhoudelijk dezelfde ‘sfeer’ ademen. 
5 Hierbij dient opgemerkt te worden dat Kohlbrügge schatplichtig was aan tal van theologische en sociologische factoren. Toch kunnen we van ‘zijn’ theologie spreken, omdat hij degene is die de voorhanden zijnde traditie en bronnen interpreteert, uitlegt en toepast in het hermeneutische proces van preken. 
6  N.B.: In deel II zullen de citaten die uit de Joh. 3 preken komen, cursief vermeld worden. 
7 Dr. J. Kommers zegt hierover het volgende in zijn dissertatie: ‘Ik schrijf consequent de naam van Kohlbrügge – in tegenstelling met de nu gangbare praktijk in Nederland – met de ‘Umlaut’, omdat Kohlbrügge zelf altijd zijn naam zo schreef.’ 
Uit: J. Kommers, "Ontwaakt, gij die slaapt! : het reformatorisch getuigenis van Gottfried Daniel Krummacher, Hermann Friedrich Kohlbrügge en Paul Geyser tijdens de Erweckung in het Wuppertal van de negentiende eeuw" (Groen, 2005), 23.
8  W. Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge  (Houten: Den Hertog, 1992), 9.
9  ‘In Amsterdam studeerde Hermann Friedrich theologie en Oosterse talen. Blijkbaar met succes, want toen hij twintig was kon hij met Amsterdamse rabbijnen in het Hebreeuws discussiëren!’
Uit: A. De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge  (Kampen: Kok, 2005), 11.
10  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 11.
11 Ibid., 12.
12  Ibid., 19.
13  Ibid., 21.
14  H.F. Kohlbrügge, Waartoe het Oude Testament?  (Kampen: Groot Goudriaan, 1988), 1.
15  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 23.
16  A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 : geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw  (Kampen: Kok, 2004), 100-01.
17  Zie voor uitgebreide studie naar Kohlbrügges visie op het Oude Testament: De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 26-49.
18  Dat het Kohlbrügge menens was blijkt wel uit deze volgende uitspraak: ‘Er zijn heden ten dage zeer weinig christelijke predikers, zeer weinig professoren en ach, hoe weinig christenen, die werkelijk bij Mozes, in de Psalmen en Profeten Jezus vinden. Er ligt een bedekking op aller ogen. Men dweept (“schwärmt”!) met het Nieuwe Testament, dat men toch niet verstaat.’
Ibid., 35.
19  ‘De in het Latijn geschreven dissertatie is getiteld: Specimen Philologico theologicum inaugurale, exhibens commentarium in Psalmun Quadragesimum, Amstelodami C.A. Spin, MDCCCXXXIX.’
Uit: Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 37.
20  Ibid., 36-37.
21  Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 : geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw: 102.
22  P.J. Stam, Hermann Friedrich Kohlbrugge : een licht des vuurs bij nacht  (Kampen: De Groot Goudriaan, 1988), 21.
23  ‘Uit het huwelijk Kohlbrugge-Engelbert werden twee kinderen geboren: Gerrit op 26 april 1830 in het huis Twijnstraat en Jakob op 5 september 1832 in het pand aan de Plompetorengracht (later nr. 25).’
Uit: Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 49.
24  Ibid., 50.
25  H.F. Kohlbrugge, Van Es, T., Aanvechting: 14 preken  ([Kampen]: De Groot Goudriaan, 2005), 111.
26  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 152.
27  Het is veelzeggend dat in 1846, net na zijn vertrek richting Elberfeld een heuse ‘Vrienden van Kohlbrügge’ kring werd opgericht. Deze had als doel om in woord en geschrift het gedachtegoed van Kohlbrügge te verspreiden en voor een rehabilitatie van zijn goede naam te zorgen in zake de gebeurtenissen omtrent het geweigerde lidmaatschap bij de Hervormde kerk. 
28  De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 116.
29  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 61.
30  ‘De afgescheidenen kregen van meet af aan te maken met repressieve maatregelen van de overheid, die de Hervormde Kerk als hoeksteen van het staatsbestel beschouwde. Zij dreef bijeenkomsten uiteen, legde boeten en zelfs gevangenisstraffen op.’
Uit: G. Harinck, Gimpel, M., Christelijke encyclopedie, 3 vols., vol. 1 (Kampen: J.H. Kok, 2005), 29.
31  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 65.
32  De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 12.
33  Kohlbrügge, De Wet bevestigd : verklaring van Romeinen 7 door H.F. Kohlbrugge : met daaraan toegevoegd: diens Leerrede over Romeinen 7:14 en een verhandeling van dr. J.C.S. Locher over De verhouding van de christen tot Gods Wet: 98.
34  Ibid., 107.
35  Ibid., 168.
36  H.F. Kohlbrugge, Van Es, T., In zijn beeld  ([Kampen]: De Groot Goudriaan, 2005), 322.
37  Ibid., 322-23.
38  Voor een verdere bespreking van deze zaak, zie: De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 103-22. 
39  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 64.
40  Stam, Hermann Friedrich Kohlbrugge : een licht des vuurs bij nacht: 23.
41  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 75.
42  Ibid., 93.
43  Zie hiervoor ook: 2.1.2 Het Wuppertal. 
44  Otten, Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge: 94.
45  Ibid., 96.
46  J.H. Van de Bank, "Theologie en Kerk in het tijdperk van de Camera Obscura : studies over het Nederlandse Protestantisme in de eerste helft van de negentiende eeuw," in Utrechtse Theologische Reeks (Utrecht: Faculteit der Godgeleerdheid, Univ. Utrecht, 1993), 7. Cursief JWJ 
47  Zie hiervoor ook: J.C.S. Locher, Kohlbrugge en de afscheiding  (Amsterdam: Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften, 1934).
48  H. Algra, Het wonder van de 19de eeuw : van vrije kerken en kleine luyden  (Franeker: Wever, 1976).
49  Van de Bank, "Theologie en Kerk in het tijdperk van de Camera Obscura : studies over het Nederlandse Protestantisme in de eerste helft van de negentiende eeuw," 7.
50  Hierbij dient opgemerkt te worden dat Nederland al ver voor de Franse revolutie en overheersing bekend was met Verlichte ideeën. Bijvoorbeeld al in de zeventiende eeuw met de cartesianen en de filosoof Spinoza (1632-1677). Zie ook: G. Van den Brink, Oriëntatie in de filosofie : westerse wijsbegeerte in wisselwerking met geloof en theologie  (Zoetermeer: Boekencentrum, 2002), hs. 6 en 7.
51  Zie voor een uitgebreide beschrijving van de invloed van Napoleon op de Nederlandse kerk en samenleving: Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 : geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw: hs. II.
52  ‘Met het rationele denken over de openbaring was echter ook de strenge geldigheid van het oude inspiratie-dogma vervallen. Het gezag der Schrift kon alleen gehandhaafd worden op een rationele grond: de “axiopistie”, of wel de geloofwaardigheid der bijbelschrijvers.’
Ibid., 33-34.
53  Ibid., 55-56.
54  ‘Deze mensen, die er zo veel voor over hadden om een preek te horen, die hun harten verkwikte, waren gewoonlijk des zondags ondergedoken in de “gezelschappen”.’
Uit: Algra, Het wonder van de 19de eeuw : van vrije kerken en kleine luyden: 107. 
55  Ibid., 108.
56  Zie voor een uitgebreide beschrijving van deze gang van zaken: ibid., hs. IX. En: Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 : geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw: hs. V.
57  Algra, Het wonder van de 19de eeuw : van vrije kerken en kleine luyden: 121.
58  Locher, Kohlbrugge en de afscheiding: 9.
59  ‘Meer dan eens beklaagt Kohlbrugge er zich over, dat men hem eigenlijk na het willekeurig beletten van zijn toetreding tot de Hervormde Kerk alleen heeft laten staan, dat toen niemand zich verroerd heeft, ook zij niet, die later de afscheiding begonnen.’
Uit: ibid., 9-10.
60  Zie voor een uitgebreide bespreking van deze kwestie: ibid., hs. II.
61  Kommers, "Ontwaakt, gij die slaapt! : het reformatorisch getuigenis van Gottfried Daniel Krummacher, Hermann Friedrich Kohlbrügge en Paul Geyser tijdens de Erweckung in het Wuppertal van de negentiende eeuw," 47.
62  Ibid., 54.
63  Ibid., 60.
64  Hoewel Kohlbrügge in zijn preken geen oog lijkt te hebben voor de harde realiteit van elke dag, is dit in zijn gebeden anders. Zo bidt hij opvallend vaak voor weeskinderen, de overheid in het algemeen en politieke gebeurtenissen in het bijzonder. Toch blijven de meeste van zijn gebeden abstract en algemeen. Zie ook: H.F. Kohlbrugge, Van Heyst, D., Gebeden  (Kampen: De Groot Goudriaan, 1994). 
65  Kommers, "Ontwaakt, gij die slaapt! : het reformatorisch getuigenis van Gottfried Daniel Krummacher, Hermann Friedrich Kohlbrügge en Paul Geyser tijdens de Erweckung in het Wuppertal van de negentiende eeuw," 37.
66  Ibid., 27.
67  De precieze perikoop verdeling over de preken is als volgt: 
Preek 1: Joh. 3:1-6, 10 september 1848; Preek 2: Joh. 3:7-11, 17 september; Preek 3: Joh. 3:12-13, 1 oktober; Preek 4: Joh. 3:14-15, 8 oktober; Preek 5: Joh. 3:16, 15 oktober; Preek 6: Joh. 3:17, 22 oktober; Preek 7: Joh. 3:18a, 29 oktober; Preek 8: Joh. 3:18-21, 5 november; Slotrede 9: Rom. 8:32, 12 november. 
68  J.G.R. Beasley-Murray zegt het volgende over Joh. 3:16: ‘A confessional summary of the Gospel follows: it originates in the love of God for a disobedient world, it centers in the giving of the only Son to and for the world, and its end is that people may not be lost but live under the saving sovereignty of God. […] It is the fundamental summary of the message of this Gospel and should therefore be seen as the background of the canvas on which the rest of the Gospel is painted.’
Uit: G.R. Beasley-Murray, John, vol. 36, Word Biblical Commentary (Waco, Tex.: Word Books, 1999), 51. 
69  C. Blomberg, Jesus and the Gospels : an introduction and survey  (Nashville, Tenn.: Broadman & Holman, 2005), 227.
70  Zie ook: Inleiding. 
71  Kommers, "Ontwaakt, gij die slaapt! : het reformatorisch getuigenis van Gottfried Daniel Krummacher, Hermann Friedrich Kohlbrügge en Paul Geyser tijdens de Erweckung in het Wuppertal van de negentiende eeuw," 170.
72  ‘De eerste tijd in Elberfeld werden de preken opgeschreven, maar vanaf de jaren vijftig gebeurde het vaak dat deze door hoorders werden opgeschreven tijdens het luisteren.’
Uit: ibid., 183.
73  Voor een nadere omschrijving van de vriendschap tussen Kohlbrügge en Wichelhaus: W. Balke, Johannes Wichelhaus (1819 - 1858) ; hoogleraar te Halle en vriend van H. F. Kohlbrugge  (Zoetermeer: Uitg. Boekencentrum, 2000).
74  H.F. Kohlbrügge, Langen, J.J., Briefe von Dr. Theol. H.F. Kohlbrügge, weiland Pastor der niederländisch-reformierten Gemeinde zur Elberfeld, an Johannes Wichelhaus, weiland ausserordentlicher Professor der Theologie zu Halle an der Saale, aus den Jahren 1843-1857 : ein Beitrag zum Verständnis der Persönlichkeit Pastor Dr. H.F. Kohlbrügge's und zur Geschichte der Gründung seiner Gemeinde : mit Bildern Kohlbrügge's, Wichelhaus, der Kirche und des Kirchhofes der niederländisch-reformierten Gemeinde zu Elberfeld  (Elberfeld: In Kommission des reformierten Schriftenvereins, 1911), 72.
75  Ibid., 78.
76  Kommers, "Ontwaakt, gij die slaapt! : het reformatorisch getuigenis van Gottfried Daniel Krummacher, Hermann Friedrich Kohlbrügge en Paul Geyser tijdens de Erweckung in het Wuppertal van de negentiende eeuw," 178.
77  ‘De evangelist Johannes deelt ons in het vorige hoofdstuk mede, dat Jezus wist, wat er in de mens was. Van deze waarheid geeft Hij ons een bewijs in het gesprek met Nicodemus.’
Uit: H.F. Kohlbrugge, Kalmijn, L.J.R., Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits  (Amsterdam: Vereeniging tot uitgave van Gereformeerde Geschriften, 1954), 5.
78  Ibid., 96-97.
79  W.A. Hoek, H.F. Kohlbrugge : de onheilige heilige  (Amsterdam: W. Ten Have N.V., 1964), 36. 
80  Met hermeneutiek wordt hier de interpretatie van de tekst bedoeld. Zie voor een verdere omschrijving van de verschillende vormen van hermeneutiek: P.M.  Wisse, "Scripture between identity and creativity : a hermeneutical theory building upon four interpretations of Job = De schrift tussen identiteit en creativiteit : een hermeneutische theorie voortbouwend op vier interpretaties van het boek Job" (s.n.], 2003), 12.
81  ‘The verse deserves underlining as the heart of the Gospel of John.’
Uit: F.D. Bruner, The Gospel of John : a commentary  (Grand Rapids, Mich.: W.B. Eerdmans Pub. Co., 2012), 201.
82  ‘Zonder dat het een vaste regel is, hebben Krummacher, Kohlbrügge en Geyser inleidingen. Deze kunnen kort zijn, maar ook zijn er lange, uitvoerige inleidingen. De inleiding, in de homiletiek exordium of proemium genoemd, heeft de eeuwen door een prominente plaats in de preekgeschiedenis ingenomen.’
Uit: Kommers, "Ontwaakt, gij die slaapt! : het reformatorisch getuigenis van Gottfried Daniel Krummacher, Hermann Friedrich Kohlbrügge en Paul Geyser tijdens de Erweckung in het Wuppertal van de negentiende eeuw," 506.
83  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 53.
84  Ibid., 54.
85  Ibid., 55.
86  Ibid., 56.
87  Ibid.
88  Ibid., 57-57. Kohlbrügge werkt vaker met hyperbolen als hij spreekt over de mens. Gezien zijn gerichtheid op de Paulinische theologie (en antropologie) is het niet ondenkbaar dat hij zich bij bovenstaand citaat heeft laten inspireren door 1 Tim. 1:15: ‘Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.’
89  Ibid., 58.
90  Het woord ‘nochtans’ geldt als één van Kohlbrügges handelsmerken, alhoewel het niet zijn ‘uitvinding’ is. Hij gaat hiermee in het spoor van Luther, die ondanks de voorhanden zijnde realiteit, telkens wees op de realiteit in Christus die vaak zo anders is dan wat men om zich heen ziet. In deze preek wordt het ingezet om het wonder dat God ondanks alles de wereld toch liefheeft, te onderstrepen. A. de Reuver zegt hierover het volgende:
‘In tegenstelling tot het “vleselijk overleg” van het ongeloof, dat zich door het tegenstrijdige laat betoveren, heeft het geloof een doeltreffend weerwoord. Het is gelegen in het woordje “nochtans”. In dit nochtans ligt uitgedrukt dat het geloof zich tussen twee werkelijkheden bevindt, namelijk die van het gehoorde Woord en die van het zichtbare tegendeel.’
Uit: De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 95.
91  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 60.
92  Ibid.
93  Ibid.
94  Ibid.
95  Kohlbrügge noemt bijvoorbeeld Abraham en Jakob en Lot en zijn dochters. 
96  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 62.
97  Ibid.
98  Ibid., 63.
99  Ibid., 65.
100  Ibid., 66.
101  Ibid.
102  Zie: 3.1.2 Johannes 3:16. 
103  B.D. Ehrman, The New Testament : a historical introduction to the early Christian writings  (New York: Oxford University Press, 2004), 158.
104  ‘Coming by night probably does indicate covertness of operation and perhaps also fear of publicity.’ 
Uit: A.J. Köstenberger, John  (Grand Rapids, Mich.: Baker Academic, 2008), 120.
105  ‘These two affirmations of Jesus’ divinity in terms of his filial relationship to God, one at the beginning and one near the end of the gospel, encourage the reader to understand the whole gospel as a redefinition of traditional categories of divine sonship.’ 
Uit: D.M. Smith, John  (Nashville: Abingdon Press, 1999), 62. Aangehaald in: F. Thielman, Theology of the New Testament : a canonical and synthetic approach  (Grand Rapids, Mich.: Zondervan, 2005), 155.
106  ‘The ultimate goal of John’s gospel, according to his purpose statement, is that its readers may have “life” in Jesus’ name. The term “life” (zōē) is important throughout the book. It appears thirty-six times, over one-fourth of the total occurrences of this word in the New Testament. In nearly half of these instances, John pairs it with the adjective “eternal” (aiōnios), and the expressions “life” and “eternal life” have the same meaning.’ 
Uit: ———, Theology of the New Testament : a canonical and synthetic approach: 171.
107  ‘O, die liefde Gods! Moge zij ons aller hart veroverd hebben. Alleen zij is der zonde dood! Alleen zij maakt de doden levend en het hart voor eeuwig vrolijk! Alleen zij stelt de meeste verontruste in rust en grote vrede! Amen.’
Uit: Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 66.
108  ‘Wie het nu horen en ter harte wil nemen, die hore opnieuw in dit morgenuur, hoe ik onverdroten, op bevel van mijn God, de bazuin aan de mond zet, opdat een iegelijk afstand doe van alle ongerechtigheid en eigenge-rechtigheid en tot de kwade gedachten van een iegelijk uwer zeg: “Er uit! Ga weg van mij!”.’ 
Uit: ibid., 54.
109  Beasley-Murray, John, 36: lxxxi.
110  Köstenberger, John: 13. 
111  ‘God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid (Joh. 4:24).’
112  ‘En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid (Joh. 14:16).’
113  Blomberg, Jesus and the Gospels : an introduction and survey: 166.
114  Ibid., 159.
115  ‘The “Father-Son” relationship is the key to the understanding of Jesus as portrayed by the Evangelist, and of his words and actions as interpreted by him.’
Uit: Beasley-Murray, John, 36: lxxxii.
116  Köstenberger, John: 14.
117  Voor een uitgebreide bespreking van de tekenen in Johannes zie: Thielman, Theology of the New Testament : a canonical and synthetic approach: 162-70.
118  D.A. Carson, The Gospel according to John  (Leicester, England; Grand Rapids, Mich.: Inter-Varsity Press ; W.B. Eerdmans, 2008), 95. Zie ook: 3F.W. Danker, Bauer, W., Arndt, W., A Greek-English lexicon of the New Testament and other early Christian literature  (Chicago: University of Chicago Press, 2000), 1024-27.
119  G. Kittel, Bauernfeind, O., Friedrich, G., Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, vol. VIII (Stuttgart: Kohlhammer, 1942), 389.
120  Zo zou alleen Johannes beweren dat Jezus daadwerkelijk goddelijk is. Dit wordt door Blomberg en anderen bestreden. Zie voor deze discussie: Blomberg, Jesus and the Gospels : an introduction and survey: 402-05. En: Carson, The Gospel according to John: 52.
121  Blomberg, Jesus and the Gospels : an introduction and survey: 162.
122  Zie voor een verdere bespreking van de christologie van Johannes: A.J. Köstenberger, A theology of John's Gospel and letters : biblical theology of the New Testament  (Grand Rapids, MI: Zondervan, 2009), 382-93. En: Ehrman, The New Testament : a historical introduction to the early Christian writings: hs.10.
123  Beasley-Murray, John, 36: lxxxi.
124  G.E. Ladd, A theology of the New Testament  (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans, 1993), 273.
125  H.F. Kohlbrügge, De eenvoudige Heidelberger; catechismuspreken  (Franeker: T. Wever, 1967), 147.
126  De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 57.
127  Hoek, H.F. Kohlbrugge : de onheilige heilige: 64.
128  Hierbij dient opgemerkt te worden dat Kohlbrügge dit geschrift niet zelf heeft uitgegeven, maar dat het later samengesteld is uit verschillende preken van zijn hand. 
129  H.F. Kohlbrugge, Locher, J.C.S., Over de godheid van Christus  (Amsterdam: Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften, 1940), 6.
130  Ibid., 18. A.H. Boogaard zegt hierover nog het volgende in zijn proefschrift: ‘Daar kan geen twyfel daaroor bestaan dat Kohlbrugge vashou aan die belydenis dat Christus ware God is nie. Die toorn van God is te groot vir 'n mens om te kan dra. Daarom moes die Middelaar werklik God wees. As ware God kon Hy die diepte van ons verlorenheid ten volle peil, ons skuld volkome bely en dit heeltemal betaal. Omdat Christus ewig God is, kon Hy ook 'n ewige geregtigheid daarstel, iets wat 'n tydelike mens nie kon doen nie.’
Uit: A.H. Bogaards, Die christologie van Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875)  (Potchefstroom: [s.n.], 1997), 175.
131  De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 53. 
132  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 7.
133  Ibid., 35.
134  Ibid., 38.
135  Ibid., 6.
136  Ibid., 79.
137  Zie verder: Wedergeboorte en geloof.
138  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 116.
139  Ibid., 117.
140  Ibid.
141  Voor Kohlbrügges visie en voorliefde voor het Oude Testament zie: De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: hs. 2. En: Kohlbrügge, Waartoe het Oude Testament?
142  Naast de Romeinenbrief haalt Kohlbrügge onder andere de brieven aan Korinthe, Filippenzen aan. Daarnaast worden Lukas, Marcus, Jacobus en Hebreeën ook geciteerd. Het aantal citaten uit het Oude Testament zijn er beduidend meer en komen onder andere uit Genesis, 1Samuël, Psalmen, Hosea, Prediker, Numeri, Jesaja, Jeremia en Ezechiël. De teksten uit het Oude Testament worden zonder verdiscontering van de oorspronkelijke context aangehaald. Bijna zonder uitzondering om (één van) de volgende zaken te bewijzen: de Wet is gegeven, de mens wil deze houden, de mens kan de Wet echter niet houden en er zal een Messias komen om de mensen te redden. Verder zijn er nog tal van allusies naar en parafrasen van Bijbelteksten wat ervoor zorgt dat Kohlbrügges preken doorspekt zijn van Bijbelse woorden en begrippen.
143  ‘Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees (Rom. 8:3).’
144  G.D. Fee, Pauline Christology : an exegetical-theological study  (Peabody, Mass.: Hendrickson Publishers, 2007), 246.
145  M.A. Seifrid, Christ, our righteousness : Paul's theology of justification, vol. 9, New Studies in Biblical Theology (Downers Grove, Ill.: Apollos/Intervarsity Press, 2000), 63.
146  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 51. En A.H. Bogaards: ‘Net so deurdronge as wat Kohlbrugge is van die gedagte dat die Wet vervul moet word, so oortuig is hy daarvan dat die mens hoegenaamd nie daartoe in staat is nie. Kohlbrugge stel dit onomwonde: 'n mens, 'n sondaar, kan geensins God se gebooie hou nie. Inteendeel, sy oortreding daarvan word daagliks groter. Hy lê in die dood.’
Uit: Bogaards, Die christologie van Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875): 172-73.
147  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 119.
148  Ibid., 47.
149  Ibid., 62.
150  Ibid., 97.
151  ‘Het spreekt vanzelf, dat de wedergeboorte van alle uitverkorenen plaats heeft gevonden in de dood en de opstanding van Jezus Christus, maar er is ook een tijd voor elk in het bijzonder, waarin hij deze wedergeboorte door vernieuwing des Geestes deelachtig wordt.’
Uit: ibid., 15.
152  ‘Dit gaan dus om 'n losprys waardeur aan die Wet voldoen word, om geregtigheid. Danksy die losprys van Christus se dood is die mens regverdig voor God gestel. Dit is ook die enigste losprys.’
Uit: Bogaards, Die christologie van Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875): 226.
153  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 88.
154  Kohlbrügge, De Wet bevestigd : verklaring van Romeinen 7 door H.F. Kohlbrugge : met daaraan toegevoegd: diens Leerrede over Romeinen 7:14 en een verhandeling van dr. J.C.S. Locher over De verhouding van de christen tot Gods Wet: 92.
155  Kohlbrügge is van mening dat de mens niet naar Gods beeld is geschapen, maar in Gods beeld. Na de zondeval is de mens uit Gods beeld geraakt en daarom ook onmachtig om aan Zijn rechtvaardige eisen tegemoet te komen. Zie hierover ook: Kohlbrugge, In zijn beeld: 17-71.
156  Stam, Hermann Friedrich Kohlbrugge : een licht des vuurs bij nacht: 55.
157  ‘En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven (Luk. 10:28).’ 
158  ‘Jesus improves the occasion by calling the lawyer to be sure to practise the commandments. The double imperative is equivalent to a condition: “if you do this, you will live”.’
Uit: I.H. Marshall, The Gospel of Luke : a commentary on the Greek text  (Grand Rapids: Eerdmans, 1978), 444.
159  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 99.
160  Ibid., 34-35.
161  Ibid., 31-32.
162  G. Kittel, Bauernfeind, O., Friedrich, G., Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, vol. IV (Stuttgart: Kohlhammer, 1942), 1067.
163  G. Kittel was onbekend met het ‘nieuwe Paulus perspectief’. Toch vertegenwoordigt hij een visie, die Kohlbrügge beaamt zou hebben. Kohlbrügge leefde voor de periode van het nieuwe Paulusperspectief en wilde de Wet, net als Kittel, niet los zien van de rechtvaardigmaking. 
164  ‘The presence of the law has actually resulted in death for man, but for this result the law is not at all to blame.’ 
Uit: C.E.B. Cranfield, Driver, S.R., A critical and exegetical commentary on the epistle to the Romans 1 Introduction and commentary on Romans I - VIII, II vols., vol. I (Edinburgh: Clark, 2004), 353.
165  ‘Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder
geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest (Rom. 5:20).’
166  Kittel, Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, IV: 1076.
167  Ibid., 1075.
168  Seifrid, Christ, our righteousness : Paul's theology of justification, 9.
169  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 103.
170  Köstenberger, John: 123.
171  Beasley-Murray, John, 36: lxxxix.
172  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 11.
173  Ibid., 81.
174  Ibid., 6.
175  Kohlbrügge spaart ook zichzelf niet als het gaat over zijn eigen persoon. Zo noemt hij zichzelf een madenzak en een ellendige worm. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat zijn leermeester Maarten Luther dit soort taalgebruik ook bezigde. Het kan dus goed zijn, dat dit door de gemeente van Elberfeld niet als schokkend, dan wel geheel nieuw, ervaren is. 
176  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 126.
177  Ibid., 35.
178  Ibid., 15.
179  Ibid., 20.
180  ‘In every instance in Paul the words sōteriā, sōzō, and sōtēr denote God’s spiritual work of delivering his people.’
Uit: T.R. Schreiner, Paul, Apostle of God's glory in Christ : a Pauline theology  (Downers Grove, Ill.; Leicester, England: InterVarsity Press ; Apollos, 2001), 227.
181  Ibid., 226.
182  ‘En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?’ (Rom. 2:3)
183  Thielman, Theology of the New Testament : a canonical and synthetic approach: 351.
184  Schreiner, Paul, Apostle of God's glory in Christ : a Pauline theology: 226.
185  Seifrid, Christ, our righteousness : Paul's theology of justification, 9: 47.
186  Schreiner, Paul, Apostle of God's glory in Christ : a Pauline theology: 228. Zie voor een verdere uitleg van het ‘alreeds maar nog niet’: O. Cullmann, Christ and time; the primitive Christian conception of time and history  (Philadelphia: Westminster Press, 1964).
187  Thielman, Theology of the New Testament : a canonical and synthetic approach: 362.
188  ‘Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus (Tit. 2:13).’ 
189  ‘John defines eternal life and death as beginning now in this age, based on  men’s and women’s responses to Jesus.’
Uit: Blomberg, Jesus and the Gospels : an introduction and survey: 164.
190  Thielman, Theology of the New Testament : a canonical and synthetic approach: 171.
191  Ibid., 172.
192  De klem om in Jezus te geloven wordt hiermee vergroot doordat het direct effect heeft op iemands zaligheid Het is daarom onterecht om Johannes als een ‘vriendelijker’ geschrift te beschouwen dan de ‘strenge en dog-matische’ Romeinenbrief. Zeker als men bedenkt dat het woord ‘oordeel’ dertien keer voorkomt in Johannes, tegen vier keer in Romeinen. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat Johannes het oordeel behandelt in combinatie met het getuigenis van Jezus. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en Jezus is ook niet primair gekomen om de wereld te oordelen maar zalig te maken (Joh. 12:47). Bij Paulus wordt het oordeel negatiever neergezet. Het is een oordeel wat niemand kan ontvluchten. Men wordt (individueel) aangesproken op het feit dat men niet leeft zoals het behoort en daarom Gods toorn en oordeel kan verwachten (Rom. 2:2-3).
193  Thielman, Theology of the New Testament : a canonical and synthetic approach: 172.
194  Zo haalt Kohlbrügge minstens acht keer de Romeinenbrief aan en besluit hij deze prekenserie met een preek over Rom. 8:32. Daarbij valt het op dat de preken doorwrocht zijn met Paulinische thema’s (bijvoorbeeld de Wet) en vocabulair (bijvoorbeeld het gerechtvaardigd zijn in Christus). 
195  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 81.
196  Ibid., 100.
197  ‘Hemelse dingen daarentegen zijn dingen, die tot God behoren, zoals Zijn eeuwige Raad, volgens welke Hij in Christus Jezus bij Zichzelf voorgenomen heeft, verlorenen te verlossen, en de wijze, waarop Hij deze Raad heeft willen volbrengen in Christus Jezus.’ 
Uit: ibid., 34.
198  Kohlbrügge, De eenvoudige Heidelberger; catechismuspreken: 301.
199  De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 66.
200  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 12.
201  A. De Reuver, Bedelen bij de bron : Kohlbrugge's geloofspvatting vergeleken met Reformatie en Nadere Reformatie  (Zoetermeer: Boekencentrum, 1992), 79.
202  Köstenberger, John: 22.
203  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 44.
204  Ibid., 14.
205  Ibid., 15.
206  Het valt op dat Kohlbrügge maar een enkele keer het woord ‘bekering’ gebruikt. Waar hij wel over de bekering spreekt, lijkt dit samen te vallen met de (eenmalige) wedergeboorte. Zo spreekt hij over mensen die maar niet tot bekering komen en over mensen die niet op hun bekeringsweg willen steunen. Dit laatste duidt Kohlbrügge positief en noodzakelijk. 
207  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 27. Deze vraag lijkt bijna ironisch, omdat Kohlbrügge kort hiervoor nog het volgende over zijn woonplaats zei: ‘Hier in het dal is, zoals bijna overal in het Christendom, de zaak omgekeerd.’
208  ‘Kohlbrugge laat niet na om op zijn tijd beschrijvend te verhalen wat er in het innerlijk van de gelovige zoal omgaat.’
Uit: De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 64.
209  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 12.
210  Ibid., 90-91.
211  Ibid., 103.
212  Ibid., 114.
213  Ibid., 42.
214  In een preek over Job 7:1a zegt Kohlbrügge het volgende hierover: ‘De duivel wil, dat u Gods vaderlijke goedheid, in de strijd, waarin u zich bevindt, in twijfel zult trekken, dat u de macht en volheid van het algenoegzame en eeuwige losgeld van Christus in twijfel zult trekken, terwijl duivel en wereld u overladen met zonde, schade en smaad; en uw vlees is bovendien met hen in het verbond. Zij willen niet toelaten, dat u in de Heilige Geest geheiligd zult zijn en blijven, en in deze Geest met onuitsprekelijke zuchtingen uw ellende en leed voor God brengen. En ach, hoe giftig zijn hun aanvechtingen!’
Uit dit kenmerkende citaat blijkt dat Kohlbrügge de ware gelovige ziet als iemand die in de Heilige Geest, en dus niet in zichzelf(!), geheiligd is. Juist omdat deze rechtvaardigheid extra nos is en blijft, wordt men aangevochten.
Uit: H.F. Kohlbrügge, Van Es, T., Het is mij goed nabij God te wezen : 47 preken  (Houten: Den Hertog, 2012), 209.
215  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 120-21.
216  De Reuver, Bedelen bij de bron : Kohlbrugge's geloofspvatting vergeleken met Reformatie en Nadere Reformatie: 320.
217  Ibid., 324.
218  Ibid., 329.
219  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 16.
220  ‘De aanvechting is dus niet in tegenspraak met de authenticiteit van het geloof, maar ze is er inherent aan.’
Uit: De Reuver, Hermann Friedrich Kohlbrugge: 92.
221  Kohlbrugge, Aanvechting: 14 preken: 186-87.
222  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 125-26.
223  Ibid., 92-93.
224  Kohlbrugge, Aanvechting: 14 preken: 46.
225  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 15.
226  ‘Men is derhalve in Christus rechtvaardig voor God, maar niet in zichzelf (Joh. 3:6).’
227  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 121.
228  Ibid., 65.
229  Mattheüs vermeldt het woord vijftien keer, Markus vier keer en Lukas zeven keer. 
230  ‘Außerdem steht der Begriff des κοσμος so im Mittelpunkt des theologischen Denkens, wie es in keiner anderen Schrift oder Schriftengruppe des NT der Fal list.’
Uit: G. Kittel, Bauernfeind, O., Friedrich, G., Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, vol. III (Stuttgart: Kohlhammer, 1942), 894.
231  Ibid.
232  Aangehaald in: N. Turner, Christian Words  (Edinburgh: T. & T. Clark, 1980), 499.
233  Köstenberger, A theology of John's Gospel and letters : biblical theology of the New Testament: 298.
234  Kittel, Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, III: 895.
235  Köstenberger, A theology of John's Gospel and letters : biblical theology of the New Testament: 282.
236  Kohlbrugge, Acht leerredenen over het evangelie van Johannes, Hoofdstuk 3 vs. 1-21, benevens een slotrede over Romeinen 8 vs. 32 van Dr. H. H. Kohlbrugge uit het hoogduits: 54.
237  Ibid., 56.
238  Ibid.
239  Ibid.
240  Ibid., 57-58.
241  Ibid., 40.
242  Hierbij dient opgemerkt te worden dat Kohlbrügge ook kan spreken over de wereld als het tegenover van de wedergeboren gelovige. Op zulk soort momenten ligt Kohlbrügge weer meer op één lijn met het Johannesevangelie. ‘De wereld wil van de Christus een lantaarn maken, die haar tot licht zal dienen en verbrandt hem ondertussen. Is het niet beter naar het vlees te wandelen, want in die wandel groet de een de ander als heilig en rechtvaardig, eert de een de ander. Is het niet beter dat men tot de wereld terug kere om van haar zijn heil te verwachten?’
Uit: ibid., 122.
243  Ibid., 76.
244  Ibid., 77.
245  Ibid., 75.
246  Ibid., 65.
247  Kohlbrugge, Aanvechting: 14 preken.
248  Kohlbrügge, Het is mij goed nabij God te wezen : 47 preken: 365.