Doorgaan naar hoofdcontent

Meditatie: Een gespeend kind

O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. Ps. 131:1

De bovenstaande woorden komen rechtstreeks uit het hart van koning David. De grote en machtige vorst van Israël. Eens was hij schaapherder geweest. Als jonge jongen was hij gewend om te passen op die lastige beesten die telkens maar weer wegliepen. Wat heeft David later door ondervinding moeten leren dat het met hem net eender was. Maar niet alleen dat. Waar hij als dappere jongeman de kudde beschermde tegen hongerige roofdieren, kon hij de satan niet uit zijn hart houden. Begerige ogen. Een diepe val. Twee doden tot gevolg…

En dan die aanklacht die door merg en been gaat: Gij zijt die man. In de fonkelende ogen van de profeet Nathan ziet David de ogen van de Zaligmaker. En toen ging hij door de knieën. Hij kon ook niet anders meer. Wie ooit met de ogen van het geloof de Heere Jezus in Zijn opzoekende genade heeft gezien houdt het niet meer. Die wil zich ook niet meer groothouden. Zo’n mens valt op de knieën. Zo’n mens wordt een bedelaar aan Gods genadetroon. 

Het is deze grote koning die belijdt dat zijn ziel als een klein, gespeend kind bij God is (vs. 2). Een gespeend kind is hulpeloos. Kan zich alleen maar vervuilen en huilen om voedsel. Wat een lessen liggen hierin! Want wanneer stopt een gespeend kind met huilen en schreien? Als het voedsel heeft ontvangen. Als het verzadigd is geworden. Wanneer stoppen wij met huilen? Als wij verzadigd zijn met Zijn goddelijk Beeld? 

Doet het u niet zeer dat we om van alles verlegen zitten, maar zo weinig om het Brood des Levens? Zo weinig om Hem die midden in onze wereld werd geboren met haar honger naar meer en meer onrechtvaardigheid? Wie zo de dingen bekijkt kan het alleen maar belijden: Wij hebben dit land geen behoudenis aangedaan. Om tegelijkertijd de bede voor de Heere uit te storten: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt. 

Een gespeend kind. Zie het eens hulpeloos zijn. En toch, kijk dan ook eens in Wiens armen het ligt. Kijk toch ook eens waar Gods volk zich veilig mag weten. Dat christendom weet zich geborgen te midden van een zinkende wereld. Of u nu een grote koning bent in deze wereld of een kleine herdersjongen, eens komt u thuis en zal een ieder zijn kroon neerwerpen voor het Lam. 

Heeft u al dat geloof van een gespeend kind? Een ziel die naar den vrede haakt? Een ziel die zich vereend mag weten met Zijn wil? Dan mag u zich gedragen weten in de armen van de Middelaar. Die armen die u nooit meer laten vallen. Dan mag u het uitzingen: Doch gij mijn ziel, het ga zo ’t wil, stel u gerust, zwijg Gode stil; ik wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken.

Zalig bent u, als u dat Bijbelse geloof mag kennen. Dat is geen geloof wat altijd maar op de toppen zit. Dat is een geloof wat naar onze beleving soms helemaal weg is. En nochtans; de band met Christus is onverbreekbaar. Daarom, laat ons geloof maar niet rusten op toppen. Een heuvel is beter. De zalige heuvel Gogoltha.