Doorgaan naar hoofdcontent

Augustinuskring, avond 1

Hartelijk welkom op deze eerste avond van de Augustinuskring! Deze avond zal in het teken staan van de persoon Augustinus en van de opzet van de komende kringavonden. Graag wil ik als opening met jullie Romeinen 13 lezen. 

Waarom nu juist de Belijdenissen van Augustinus bestuderen? 

Er zijn een aantal redenen te noemen waarom het waardevol is om de Belijdenissen te bestuderen: 
Ten eerste, omdat wij als christenen anno 2014 veel te danken hebben aan Augustinus. Zijn denken heeft de kerk blijvend beïnvloed en het is goed om hier kennis van te nemen. Zo heeft Augustinus bijvoorbeeld uitgebreid nagedacht over de vrije wil van de mens, de kerk, het leven nu en het leven straks, het christelijke huwelijk, enzovoort. 

Ten tweede, omdat zijn Belijdenissen laten zien wie de mens van nature is en wat een wonder het is dat de heilige God toch met zulke mensen van doen wil hebben. Dat zit ook in het Latijn confessio, wat ‘bekentenis’ betekent. Aan de ene kant bekent/belijdt Augustinus zijn zonde, maar het is tegelijkertijd ook een lofprijzing op Gods genade en goedheid! Deze twee kernbegrippen: (schuld)belijdenis en lofprijzing zullen we telkens opnieuw tegenkomen in zijn Confessiones, ofwel zijn Belijdenissen

Ten derde, omdat ieder mens van nature op zoek is naar geluk. Velen zoeken het in de wereld. Sommigen in de godsdienst. Ook Augustinus heeft het geluk op meerdere plekken gezocht. Ten slotte heeft hij rust gevonden in de Heere Zelf. ‘Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart in onrustig, tot het rust vindt in U!’ (Augustinus, 2008, pp. I, 1.1) Het is onze wens en bede dat ook wij dat heilsgeheim mogen leren kennen in ons leven. 

Ten vierde, omdat Augustinus een warmbloedig en existentieel schrijver is die tegelijkertijd midden in het leven stond, heeft iedereen ‘iets’ aan het lezen van de Belijdenissen. Omdat Augustinus zowel rationeel-analytisch als emotioneel-bevindelijk denkt, zal iedereen zich tot zijn teksten kunnen verhouden. 

Ten vijfde, omdat het uithoudingsvermogen vraagt om de Belijdenissen door te lezen zijn deze avonden zeer wenselijk! Ze zijn als het ware een stok achter de deur om de Belijdenissen door te worstelen en er samen over na te denken. Als je eenmaal aan zijn stijl van schrijven bent gewend, zul je zien dat het lezen makkelijker en sneller zal gaan.

Wie was Augustinus? 

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: hij zag er in ieder geval niet zo uit als op dit plaatje.
Op deze afbeelding heeft Augustinus een West-Europees uiterlijk en is hij afgebeeld met een baard. En dat terwijl Augustinus uit principe geen baard wilde dragen! In zijn dagen was er namelijk een monnikenorde die niet wilde werken met hun handen, maar teerde op de hardwerkende burger. Augustinus gruwde hiervan en wilde hun merkteken, je raadt het al, de baard daarom onder geen beding dragen. En daarbij komt dat de mijter een uitvinding is uit de 11e eeuw en Augustinus dit dus helemaal niet gedragen kan hebben. 

Maar hoe zag hij er dan wel uit? Prof. dr. P.J.J. van Geest omschreef Augustinus’ uiterlijk eens als volgt: ‘Augustinus had een licht getinte huid, vergelijkbaar met dat van een noord-afrikaan, met heldere blauwe ogen. Hij was klein van stuk en fel van karakter.’ (Treur, 2009) Deze briljante man werd op 13 november 354 in Thagaste geboren. Dit was een kleine provinciestad in de Romeinse provincie Numidië in Noord-Afrika, het huidige Algerije. De bevolking bestond uit Berbers, Phoeniciërs en Romeinen en was sterk gelatiniseerd. Hoewel Augustinus vanaf zijn geboorte Romein was, net als de apostel Paulus, was hij in tal van opzichten een rasechte Afrikaan. Zijn hartstochtelijke levensaard, zijn vurig en levendig temperament en zijn Afrikaans accent verrieden duidelijk inheemse invloeden. (Van der Zwaag, 1993, p. 15) Deze hartstocht zullen we zeker ook terugvinden in zijn Belijdenissen

De moeder van Augustinus was een berbervrouw en zijn vader een Romein. Hoewel zijn familie van adel was waren ze sterk verarmd. Waarschijnlijk heeft Augustinus nog een zus en een broer (Navigius) gehad. Zijn vader Patricius zag hij weinig. Die was naar ‘goed’ Romeins gebruik een overspeler. Patricius was een heiden, te karakteriseren als een oppervlakkig en bruut man. Dat hij heiden was, sproot meer uit onverschillige sleur en toenmalige gewoontevorming voort, dan uit overtuiging. Hij was alleen begaan met de carrière van Augustinus en helemaal niet met diens godsdienstige en zedelijke opvoeding. Het is schrijnend om te zien dat Augustinus nergens op een waarderende toon over zijn vader spreekt. Ook niet als deze gedoopt wordt als Augustinus inmiddels zestien jaar is. 

Er had geen groter verschil kunnen bestaan tussen de vader en de moeder van Augustinus. Moeder Monnica was een vroom en ernstig christin, afkomstig uit een christelijk milieu. Hoewel ze vroom leefde was ze wel erg bijgelovig. Dit was vaker het geval met christenen uit Afrika. Vanaf zijn geboorte behoorde Augustinus tot de zogenaamde catechumenen (doopleerlingen). Hij had het teken van het kruis en de zoutkorrels op zijn voorhoofd ontvangen, maar was zelf niet gedoopt. Men dacht in die tijd namelijk dat de doop niet alleen de erfzonde, maar ook de dagelijkse zonden uitdelgde, waardoor men de doop graag zo lang mogelijk uitstelde. 

Augustinus bezocht eerst de lagere school in Thagaste. Hij had een gruwelijke hekel aan dit onderwijs. Vaak werd hij geslagen als de leraren weer eens ontevreden waren over hem. Toch werd zijn hoogbegaafdheid al snel ontdekt. Daarom werd hij naar Madaurus gestuurd, een school 25 kilometer verderop. Hier kreeg hij les van een zogenaamde grammaticus. Grammatica was het toenmalige onderwijs in de heidense literatuur waarbij extra aandacht werd besteed aan de kunst van de welsprekendheid (retorica) en een goede schrijfstijl (Van der Zwaag, 1993, p. 17). Dit onderwijs beviel Augustinus maar al te best. Hij stond graag in het middelpunt. Zijn eigenliefde die hieraan ten grondslag lag, heeft hij later dikwijls verfoeid en beweend. 

In 369 keert hij terug naar Thagaste. Zijn studie in Madaurus had hij afgrond, maar er was geen geld meer over voor een verdere studie in Carthago. Hierdoor werd Augustinus gedwongen zijn zestiende levensjaar in ledigheid door te brengen. Dit was een riskante ontwikkeling, want het spreekwoord luidt: ‘Hoe groter de geest, hoe groter het beest.’ Dat blijkt ook in het leven van Augustinus, want hij stort zich in tal van ‘liefdesavonturen’ en vleselijke verdorvenheden, zoals hij dit later zelf noemt. Patricius was trots op zijn zoon, maar Monnica waarschuwt hem om geen vrouwen tot echtbreuk te verleiden. We weten niet of Augustinus dit laatste heeft gedaan, maar we weten wel dat hij om de waarschuwingen van zijn moeder heeft gelachen. 

In dit jaar heeft hij ook de ‘beroemde’ perendiefstal gepleegd. Het is indrukwekkend hoe hij deze diefstal beschrijft. Op een onthutsende wijze omschrijft hij de zwartheid van de zonde. Wij kunnen hieruit leren dat Augustinus altijd op zoek is naar de diepste motieven van het verdorven menselijke hart. 

Als Augustinus 17 jaar is vertrekt hij naar de hoofdstad Carthago op te gaan studeren voor retor. Dankzij financiële steun van een zekere Romanianus, een rijk burger uit Thagaste, is dit mogelijk geworden. Carthago was een soort tweede Rome, middelpunt van het Afrikaanse geestesleven, maar ook berucht om haar grote zedeloosheid. (Van der Zwaag, 1993, p. 21) Hier blijkt pijnlijk dat zijn christelijke opvoeding slechts een vernisje was en dat het hem niet heeft kunnen bewaren voor de vele verzoekingen. 

In Carthago leerde hij een vrouw kennen waarmee hij een aantal jaar in concubinaat zou leven. Augustinus noemt haar naam niet in de Belijdenissen, omdat de lezers haar misschien wel zouden kunnen kennen. Uiteindelijk moet hij haar wegsturen van zijn moeder, maar ze is altijd de liefde van zijn leven gebleven (Treur, 2009). Bij deze concubine krijgt hij een zoon, Adeodatus (dit betekent nota bene: ‘door God gegeven’) genaamd. Tijdens zijn studie leest hij een werk van Cicero getiteld ‘Hortensius’ (aansporing). Dit zorgt ervoor dat hij op zoek gaat naar ‘waarheid’. De naam van Christus kwam hij echter niet tegen in dit boek en als hij vervolgens de Bijbel ter hand neemt wordt hij teleurgesteld door het tekort aan literaire stijl. Hij sluit zich daarom aan als toehoorder bij de Manicheeërs (een gnostisch dualistische stroming). Hier blijft hij negen jaar lid van. Uiteindelijk biedt ook dit niet de helderheid die hij wenste. 

In 383 vertrekt hij naar Rome om daar retorica te gaan doceren, iets wat hij al eerder in Carthago deed. Na een jaar echter vertrekt hij naar Milaan, waar hij ook retorica doceert. In Milaan ontmoet hij bisschop Ambrosius. Zijn preken zorgen voor een omslag in het leven van Augustinus. Ambrosius’ allegorische schriftuitleg verklaart voor hem het gebrek aan literaire stijl, wat hem eerder zo dwars zat. In deze tijd dringt zijn moeder, die hem naar Milaan was gevolgd, erop aan zijn concubine weg te sturen en wil zij een beter huwelijk voor hem arrangeren. Ook neemt hij nu afscheid van de Manicheeërs, omdat hij inziet dat ook zij de waarheid niet hebben. Een tijdje verkeert hij nog in scepsis en vraagt zich af of de waarheid überhaupt wel te vinden is. Ook maakt hij in deze tijd kennis met het neoplatonisme en verdiept hij zich in de ‘boeken der platonisten’. Ondanks dit alles laat hij zich nog steeds niet dopen. Zijn zondige levensstijl hindert hem. 

Dit verandert als hij in 386 op een keer het levens- en roepingsverhaal van de woestijnvader Antonius hoort. Dit grijpt hem erg aan. Als hij even later in de tuin zit hoort hij kinderen zingen ‘tolle lege, tolle lege’, ‘neem en lees, neem en lees’. Hij neemt en leest Romeinen 13 vers 13 en 14: ‘Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; maar doet aan de Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet in begeerlijkheid.’ Vanaf dat moment zou hij een leven van onthouding leiden en zich laten dopen. Ter voorbereiding van zijn doop verblijft hij enige tijd op het landgoed Cassiciacum. In de paasnacht van 387 wordt hij uiteindelijk gedoopt. Hierna besluit hij terug te keren naar Afrika. In de havenstad Ostia overlijdt zijn moeder Monnica. Ook beleeft hij hier samen met zijn moeder een hele indringende ervaring, waarvan hij in boek negen van de Confessiones schrijft. 

Terug in Thagaste sticht hij een klooster, waar hij in alle rust een ascetisch leven wil leiden. Lang wordt hem deze rust niet vergund, want in 391 wordt hij, terwijl hij een kerkdienst bijwoont, door het volk naar voren geschoven en gewijd tot presbyter van Hippo Regius. De bisschop zelf, Valerius is al oud en spreekt enkel Grieks. Hij zocht iemand die hem kon helpen met het Latijn. Na zijn overlijden in 395 wordt Augustinus de nieuwe bisschop. Van een rustig leven is dan geen sprake meer. Hij draagt de pastorale zorg voor de gelovigen, moet leiding geven aan de clerici en preekt bijna iedere dag. Daarnaast heeft hij een rechterlijke functie en houdt hij zich bezig met armenzorg en catechese. 

Ondanks zijn drukke bestaan als bisschop ziet Augustinus ook nog kans om een grote hoeveelheid boeken, traktaten en brieven te schrijven. Rond 400, aan het begin van zijn carrière als bisschop schrijft hij de Confessiones. Het precieze jaartal hiervan is omstreden. Het is in ieder geval duidelijk dat hij het kort na zijn aanstelling als bisschop heeft geschreven. Naast deze ‘bestseller’ schreef hij nog een aantal grote werken waaronder De civitate Dei en De Trinitate. Ook schreef hij veel polemisch getinte werken. In zijn polemiek richtte hij zich met name tegen de Manicheeërs, de Donatisten en de Pelagianen. Aan het einde van zijn leven herlas hij al zijn boeken nogmaals en voorzag sommigen van commentaar. Dit is gebundeld in Retractationum libri duo en is helaas niet compleet (Terreehorst, 2007). 

Tot zijn dood is Augustinus bisschop gebleven in Hippo. Deze stad wordt in de laatste maanden van zijn leven belegerd door de Vandalen. De laatste dagen van zijn leven brengt hij door met het bidden van boetepsalmen. Hij overlijdt uiteindelijk op donderdag 28 augustus in het jaar 430. Augustinus is dan 75 jaar. Uiteindelijk mocht hij in de ware rust ingaan, waar hij heel zijn leven naar opzoek was geweest. 

Hoe gaan de avonden eruit zien? 

-De inleider zal de avond leiden. Hij/zij begint met een gedeelte uit Gods Woord. Hier mag hij/zij enkele inleidende woorden over spreken. 
-Alexander begint vervolgens met gebed. 
-De inleider leest dan een korte samenvatting (max. 1,5 A4-tje) voor van de gelezen stof. De gehele inleiding mag maximaal 4 pagina’s zijn. Als je dit tijdig mailt kan Alexander dit printen voor alle deelnemers. 
-Hierover hebben we vervolgens een gesprek. Wat vinden we ervan en wat hebben we ervan geleerd? 
-(Eventueel kan de inleider na dit gesprek nog iets extra’s voorlezen wat hij/zij heeft uitgezocht na aanleiding van het gedeelte uit de Belijdenissen. Bijvoorbeeld als het over het thema ‘tijd’ gaat, wat de Bijbel/Calvijn/Belijdenisgeschriften nog meer zegt over tijd. Maar dit onderdeel is niet verplicht!) 
-Vervolgens verzamelt de inleider de vragen/stellingen van de groep. 
-Na de bespreking hiervan wordt een nieuwe datum vastgesteld. 
-Een van de mannelijke leden sluit met dankgebed. 

De te lezen gedeelten 

Om iemand echt te leren kennen moeten we niet alleen over die persoon praten, maar hem ook zelf aan het woord laten. Dit geldt natuurlijk ook voor de bestudering van Augustinus. Ad fontes, terug naar de bronnen! Daarom willen we samen zijn meest bekende werk Confessiones, ofwel de Belijdenissen door gaan lezen. 


Extra aan te bevelen literatuur 

-F. van der Meer, Augustinus de zielzorger. Een studie over de praktijk van een kerkvader. 
-K. van der Zwaag, Augustinus, De kerkvader van het westen, Ingeleid door dr. J. van Oort. 
-P.J.J. van Geest, Stellig maar onzeker, Augustinus’ benadering van God. 
-Op digibron.nl staan ook prachtige artikelen over Augustinus’ werk en leven. 

Deze extra literatuur mag je gebruiken bij het bestuderen van de Belijdenissen, maar dit is zeker niet verplicht! De Belijdenissen kun je ook heel goed ‘blanco’ lezen. 

Tips bij het lezen 

-Begin op tijd met lezen. 
-Schrijf voor jezelf de dingen op die je opvallen/aanspreken/niet begrijpt. 
-Probeer voor jezelf twee vragen/stellingen te formuleren na aanleiding van wat je hebt gelezen. Dit mogen er natuurlijk ook meer zijn! 
-Neem deze de volgende kringavond mee, zodat we er met elkaar over kunnen nadenken. 
-Deze inleiding zal geplaatst worden op mijn blog: jwjtreur.blogspot.com, zodat je deze op een later moment nog een keer kunt nalezen. 

Literatuurlijst 

Augustinus, A. (2008). Belijdenissen, vertaling G. Wijdeveld. Amsterdam: Ambo. 
Terreehorst, G. K. (2007). “Inquietum est cor nostrum donec requiescat in te”. Vroege kerk en middeleeuwen. VU. Amsterdam. 
Treur, J. W. J. (2009). Collegestof: Augustine as a Negative Theologian, gegeven door P.J.J. van Geest. VU LRT. Amsterdam. 
Van der Zwaag, K. (1993). Augustinus, De kerkvader van het westen, Ingeleid door dr. J. van Oort. Leiden: Uitgeverij J.J. Groen en Zoon.