Doorgaan naar hoofdcontent

Meditatie: Lukas 17:11-19, Ware dankbaarheid

Waarschijnlijk hebben de discipelen verbaasd gevraagd: ‘Meester, moeten wij echt door Samaria reizen? Moeten wij echt door die verachte plaats gaan?’ De joden hadden over het algemeen niet veel op met de Samaritanen. Het was een volk wat vermengd was geraakt met heidenen en bovendien meer op had met de berg Gerizim dan met de berg Sion. 

Maar de Heere Jezus is vastbesloten. Vanaf Zijn geboorte is Hij er al mee bezig. Waar mee bezig? Om Gods raad te volbrengen. Om te lijden en te sterven voor zondaren. Om als een Vloekwaardige te worden gehangen aan het kruishout van Gogoltha. Daarom, dwars door Samaria en Galilea naar Jeruzalem. O, Liefde, Die, om zondaars te bevrijden, zo zwaar woudt lijden! 

Maar de Heere Jezus komt niet ver, want toen Hij een zeker dorp wilde binnengaan, kwamen er tien mannen naar Hem toe. Ze blijven op een afstand staan, want ze zijn melaats. Ze dragen als het ware hun doodsvonnis op zak, want deze ziekte zal hen vroeg of laat in het graf doen afdalen. Wat lijken ze daarin veel op ons. Misschien mogen wij naar lijf en leden gezond zijn. Dat is een zegen van de Heere. En toch, wij dragen na Genesis 3 een melaatse ziel in ons om. Een ziel die onrein is geworden. Waar de ware kennis, gerechtigheid en heiligheid niet langer in wordt gevonden. We zijn melaats en we hebben het niet eens in de gaten. 

Hoor! De tien melaatse mannen roepen. Jezus, Meester, ontferm U onzer! Ze moeten wel, ze kunnen niet anders meer. Verstoten uit de maatschappij en verlaten door vrienden en familie gaan ze hun weg. Slechts hun zieke naaste is er om hen straks ten grave te dragen. Vanaf het ontdekken van de eerste zweer, is bij hen langzaam het levenslicht gedoofd. Zo is het ook vaak in het geestelijke. Als de heilige Wet van God ons schuldig gaat stellen en de Heilige Geest ons gaat overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, dooft het licht van eigengerechtigheid langzaam uit. We proberen het nog aan te wakkeren met wat godsdienst en goede voornemens, maar dat zal niet baten. De schuld is te groot en de melaatsheid te ernstig. Maar kijk naar deze mannen! Volg hun voorbeeld na! ‘Jezus, Meester, ontferm U onzer! Het is donker geworden in ons leven en U bent toch het Licht der wereld!’ Heere, mijn zonden zijn ten hemel schreiend, kunt U mij nog redden?! Heere, ik kan niets meebrengen, echt niet! Schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden, Gij alleen! 

En dan gaat Christus spreken. Herkent u dat? Toen de Heere Jezus u als het ware persoonlijk aansprak door Zijn Woord en Geest? Toen u de schuldbrief thuis kreeg? Toen u een melaatse werd? Maar wat een Evangelie! Hij is niet gekomen voor gezonde mensen. Die hebben de Medicijnmeester niet van node, maar hen die ziek zijn. Hoor, Jezus Christus, God Zelf gaat spreken: ‘Ga heen en toon uzelf aan de priesters!’ 

Wat een vreemd bevel: Ga heen naar de priesters. Daar in de tempel, in Gods huis mochten melaatse, onreine mensen helemaal niet komen! In gedachten zien we de tien melaatse mannen staan. Misschien hebben ze elkaar wel moeten ondersteunen. Eindelijk zien ze de Messias van Wie ze al zoveel hadden gehoord. En dan dat Woord. En dan het wonder. Wat geen predikant, ouderling, diaken, nee geen mens van nature kan, krijgt Christus voor elkaar: ze gehoorzamen. Nog onder de zweren, keren ze om en lopen al strompelend richting de tempel. Richting het huis van levende God. En langzaam gaat het lopen beter. Hun kracht keert terug. De ziekte verdwijnt. De Levende heeft gesproken en de dood wijkt. Wat een wonder! En tegelijkertijd een vraag. Herkennen we Gods genezende kracht in ons leven? Klinkt er een echo door in ons hart als we horen hoe de Heere de hemelse Zielenarts wil zijn voor hen die de dood in zichzelf hebben aangetroffen? Hij de heilige God maakt heel dat wat gebroken van hart is. 

Het kan ook zijn dat we onszelf hierin niet herkennen. Dat we de hemelse diagnose naast ons neer hebben gelegd. Dat we weerstand in ons hart voelen, misschien wel tijdens het luisteren naar deze meditatie. Dat we niet met de melaatse mannen willen roepen: ‘Onrein! onrein!’. Dat we niet als een vloekwaardige tevoorschijn willen komen. Maar zalig bent u als u hongert en dorst naar de gerechtigheid uit God. Als u heeft leren bidden als de moordenaar aan het kruis: ‘Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn’. 

Wat zullen de tien mannen blij en dankbaar zijn geweest toen ze ontdekten dat ze genezen waren! Niet langer hoefden ze afgezonderd te leven, niet langer hoefden ze de tempel te mijden. Maar wat een pijnlijke afloop. Slechts één keert terug. Slechts één die naar het lichaam genezen is geworden keert terug om Jezus te bedanken. Hij werpt zich ter aarde neer voor de voeten van Christus en dankt Hem. Wat een zoete plaats om te zijn! Herkennen we dat? Zijn we vaak in de binnenkamer aan Zijn voeten te vinden? Om te bidden en te smeken om genade, om een blijk van Zijn liefde en trouw jegens ons? Deze man buigt zich in dankbare aanbidding neer. 

En dan laat de evangelist Lukas ons als het ware schrikken. Kort en bondig vermeldt hij: En deze was een Samaritaan. Maar wacht even, dat was toch dat volk wat nergens voor deugde? Die Gods gunst eigenlijk helemaal niet waard waren? Die er toch een eigenzinnige en gearriveerde godsdienst op na hielden? Die toch zo slecht van genade konden leven? Die toch zo op ons lijken? Ja! En wat een heerlijk Evangeliewoord is dit toch! En deze was een Samaritaan. Dat betekent dat het ook voor ons nog kan! Want voor wie nergens meer voor deugt, die deugt alleen nog maar voor vrije genade. 

De vraag dringt zich aan ons op, aan ons die al zoveel hebben gekregen van de Heere, ook in ons kerkelijk leven: kunnen wij nog steeds alleen maar van algemene genade leven? Van Gods goede zorg in ons leven voor ons aardse bestaan? Of hebben we Hem ook nodig leren krijgen voor de bijzondere genade? Voor ons geestelijke bestaan? Bid dan maar in de binnenkamer: Heere, geef mij toch een nieuw hart. Of zoals Augustinus eens bad: ‘Spreek tot mijn ziel: Ik ben Uw heil alleen en zeg het zo dat ik het kan horen. In Naam van de Heere Jezus Christus, Uw Zoon Die U altijd hoort. Amen.’ 

En de Heere Jezus sprak tot de Samaritaan: Sta op en ga heen. Uw geloof heeft u behouden. 



Zingen: Ps. 103:2