Doorgaan naar hoofdcontent

Bijbelstudie: Openbaring 3:14-22

Bijbelstudie Vereniging GG Beekbergen 

Geachte aanwezigen, 

Ik hoorde eens een verhaal over een jong meisje uit Frankrijk. Op een dag kwam haar oma naar haar toe en vroeg haar wat ze voor haar verjaardag wilde hebben. ‘Ik wil graag een spiegel hebben oma’, antwoordde het meisje wat nogal ijdel was. ‘Waarom een spiegel?’, vroeg oma. Omdat ik dan goed kan zien hoe mooi ik eruit zie. ‘Dat is een goed cadeau, lief kleinkind. Ik zal jou een spiegel geven waarin je jezelf goed kunt zien.’ De andere dag, op haar verjaardag, pakte het meisje het cadeau uit. Er zat geen spiegel in, maar een Bijbel. 

Ik heb de inleiding voor vanavond ingedeeld in drie gedachten: 

I. Het wonder van de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes 
II. De stad Laodicea en de christelijke gemeente aldaar 
III. De inhoud van de brief aan de gemeente van Laodicea 

I. Het wonder van de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes 

Het meisje uit ons voorbeeld kreeg dus een ander cadeau dan waarom ze gevraagd had. De christelijke gemeente van Laodicea kan daarover meepraten. Ongevraagd kreeg men een brief vanuit de hemel. Gedicteerd door de Koning van de kerk. Bezorgd via de apostel Johannes. De Heere gaat soms wonderlijke wegen en zoekt mensen op met Zijn Woord, die het totaal niet verwacht, laat staan verdiend hebben. 

Trouwens, de apostel Johannes zelf had ook niet kunnen bedenken hoe de Heere hem in zijn ouderdom nog in zou zetten in Zijn dienst. Op hoge leeftijd was hij verbannen naar het eiland Patmos. En daar zat hij dan, zonder gemeente. Uitgerangeerd, althans zo leek het. De meesten van de apostelen waren inmiddels de marteldood gestorven en bovendien was zijn lieve Heiland opgevaren naar de hemel. Dat zal eenzaamheid en misschien ook wel strijd hebben opgeleverd voor Johannes. En toch wordt hij niet moedeloos of nog erger, afkerig van God en Zijn dienst. In Openbaring 1:10 lezen we dat Johannes op de dag des Heeren een godsdienstoefening houdt. Anders gezegd, ook op dat kale eiland sloeg Johannes geen eredienst over. In Openbaring 1:10 staat het volgende: ‘En ik was in den geest op den dag des Heeren.’ De dag des Heeren, de zondag, de opstandingsdag. Daar op dat eiland waar de wereld Johannes vergeten lijkt en waar de situatie zo hopeloos schijnt, zoekt de oude apostel het aangezicht van de levende God. En Johannes krijgt hoog bezoek. In de Statenvertaling is geest hier onterecht met een kleine letter geschreven. Nagenoeg alle andere vertalingen schrijven geest hier met een hoofdletter. Dat lijkt meer recht te doen aan de grondtaal, en ook aan het vervolg van Openbaring 1. Op de dag des Heeren, op de zondag, maakt de Heilige Geest het hart van Johannes levendig. Het is het liefste werk van de Heilige Geest om de Heere Jezus in het middelpunt te zetten. En dan gebeurt het. Johannes hoort een grote stem en zo snel als hij kan draait hij zich om. Wat een moment moet dat geweest zijn! 

Daar ziet de apostel zijn Zaligmaker opnieuw. Veertig jaar geleden was de Heere Jezus opgevaren naar de hemel. Johannes had er nog vaak aan terug gedacht. En opeens is Christus er weer alsof Hij nooit was weggeweest. En Christus was ook nooit weggeweest. Vanuit de hemel heeft Hij Zijn trouwe dienstknecht Johannes gadegeslagen. Hij heeft gezien hoe Johannes geslagen werd omwille van het Evangelie. Hij heeft gezien hoe Zijn dienstknecht ruw in de boot werd gegooid die hem naar Patmos bracht. Maar de Heere Jezus heeft ook gezien hoe de apostel elke zondag opnieuw Zijn aangezicht in het gebed zocht. En dan komt er die ontmoeting. 

Johannes schrijft daar het volgende over: 
En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren; En in het midden van de zeven kandelaren Een, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht. Openb. 1:12-16 

Het is opvallend dat Johannes telkens het woord ‘gelijk’ gebruikt. Zijn ogen waren gelijk een vlam vuurs, Zijn voeten blinkend koper gelijk, etc. Johannes zoekt als het ware naar woorden om uit te drukken hoe de verheerlijkte Christus eruit zag. Mensenwoorden schieten daarvoor tekort. Wie ooit hoog bezoek heeft gehad, weet hoe mensenwoorden dan schromelijk tekort schieten. Johannes ziet hier op dit kale eiland de Koning van de kerk in al Zijn heerlijkheid, majesteit en goddelijkheid. 

En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij leide Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Openb. 1:17-18 

Wat een genade. Wat een mededogen van Christus. Wat moet er door Johannes heen zijn gegaan toen de Heere Jezus Zijn rechterhand op hem legde. Die hand, met het litteken van de spijker er nog in. 

Maar waarom is de Heere Jezus nu eigenlijk aan Johannes verschenen? Dat is een belangrijke en wezenlijke vraag! De apostel Johannes had dit niet verwacht. Het is een groot wonder dat wij nu de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes in onze Bijbel aantreffen. Om goed zicht te krijgen op het wonder van de Openbaring, moeten we in gedachten terug gaan naar het kruis van Gogoltha. Daar heeft de Heiland het uitgeroepen: ‘Het is volbracht.’ Een uitroep die de satan en de demonen heeft doen sidderen. Hun macht was voorgoed gebroken. Maar ook een uitroep die al Gods kinderen leren nastamelen. Het is door U alleen, om het eeuwig welbehagen. Het is volbracht. De Heere Jezus zegt hierover het volgende in het Hogepriesterlijk gebed: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.’ Joh. 17:4 

Na het sterven van Christus en Zijn opstanding is de Heiland teruggegaan naar de hemel. Met zegenende handen is Hij opgevaren naar Zijn Vader. Terug naar het vaderhuis met de vele woningen. Zijn discipelen hebben Hem mismoedig nagestaard. Maar niet voor lang. Opeens verschenen daar engelen die aan hen vertelden dat Christus op dezelfde manier zou terugkomen. Verwonderd, maar bemoedigd zijn de discipelen toen teruggelopen naar Jeruzalem, waar ze vijftig dagen later vervuld werden met de Parakletos, letterlijk: de erbij Geroepene, ofwel met de Heilige Geest. 

Vaak hebben ze nog teruggedacht aan de woorden van Christus aan het kruis. Het is volbracht. Christus’ offer is volmaakt. Niets hoeft er van onze kant meer bij. De Messias Die in het Oude Testament beloofd werd, is gekomen en heeft het werk dat de Vader Hem gegeven had volbracht. Maar, vraagt u zich misschien af, als dat zo is, waarom is de Heere Jezus dan nog een keer verschenen aan Johannes op Patmos? Als alles volbracht is, hoefde dat toch niet meer? Dat klopt! Daarom was de verschijning van de Heere Jezus ook zo verrassend onverwacht voor Johannes. De Heere Jezus Christus toont hiermee aan dat Hij de kerk op aarde niet is vergeten. Je zou het met eerbied gesproken, goddelijke nazorg van de Heere Jezus kunnen noemen. Wat een bemoediging voor Johannes en de christelijke gemeenten toen, en voor ons nu. 

Maar er is meer. Naast het tonen van Zijn betrokkenheid op de kerk geeft de Heere Jezus in Openbaring 1:19 nog een andere reden voor Zijn verschijning: Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen. Dit vers geeft in het kort het doel van de Openbaring weer. Johannes moet de openbaring die hij krijgt opschrijven voor de christenen in Klein-Azië. Hij moet opschrijven dat hun benarde situatie van vervolging bekend is bij de Heere. Sterker nog, niet alleen is hun benarde situatie bekend bij de Heere, Hij staat er boven! Niet de keizer van Rome toen of de radicale islam nu bepalen de loop van de geschiedenis. God de Heere regeert. De Heere Jezus wil de kerk voorbereiden op wat er nog komen gaat, zodat ze zich kunnen voorbereiden en standvastig kunnen blijven. Daarom moet Johannes opschrijven wat er allemaal aan de hand is en wat er nog moet gebeuren. Daarmee kijkt Johannes vanaf dat korte eiland Patmos de lange wereldgeschiedenis door. Hij ziet dat ondanks alle aanvechtingen en beproevingen de Heere Jezus opnieuw zal terugkomen in heerlijkheid. Maar Johannes ziet meer. Hij krijgt zelfs zicht op de grote witte troon. Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen. Openb. 7:9 

Johannes ziet de doden voor de troon staan, klein en groot. Hij ziet alle mensen die ooit geleefd zullen hebben. Hij heeft dus ook ons zoals wij hier vanavond zitten, zien staan voor het Lam. Aan welke kant van de troon zal hij ons gezien hebben? 

Wat een gezicht moet dat geweest zijn! En Johannes dacht nog wel dat hij uitgerangeerd was na zijn verbanning. Hier wordt hij voor de laatste keer ingezet door zijn hemelse Heer en Meester. Johannes mag met zijn oude vingers de gloednieuwe openbaring opschrijven. Met zijn laatste werk heeft hij miljoenen, wat zeg ik, miljarden christenen mogen bereiken. 

Zo ontvangt de oude apostel dus de Openbaring van Jezus Christus met daarin de brieven aan de zeven gemeenten van Klein-Azië. Het is bedoeld om de gemeenten voor te bereiden op wat komen gaat. Om ze op te roepen om standvastig te blijven. Met die wetenschap moeten we ook de brief aan Laodicea lezen.

II. De stad Laodicea en de christelijke gemeente aldaar 

De stad Laodicea, gelegen in het huidige Turkije, was een trotse en rijke stad. Laodicea lag ongeveer 60 kilometer ten zuidoosten van Filadelfia en ten tijde van de Openbaring lag ze er prachtig bij. Dat was twintig jaar geleden wel anders! Toen had een grote aardbeving de stad nagenoeg vernietigd. De keizer van Rome had meteen financiële hulp aangeboden, maar de trotse inwoners hadden dit geweigerd. Hulp van buitenstaanders? Kom nou! Dat regelen we zelf wel. En we moeten het ze nageven, binnen korte tijd was Laodicea weer opgebouwd en was ze groter dan ze ooit geweest was. Zo waren er maar liefst drie theaters en een circus waar ongeveer 30.000 mensen in konden. Dat was uniek in die tijd! Tel daarbij de prachtige tempels voor Bacchus (god van de wijn) en Zeus (de oppergod) op en u kunt zich voorstellen dat de inwoners van Laodicea maar wat trots waren op hun stad! Ze hadden niet kunnen vermoeden dat in 100 n. Chr. de stad nogmaals door een aardbeving zou worden getroffen en nu voorgoed vernietigd zou worden. 

Samengevat kunnen we dus stellen dat Laodicea zeer rijk was. Naast de handel in goud stond de stad bekend om de uitstekende kwaliteit oogzalf en textiel. Vooral de oogzalf legde de stad geen windeieren en van heinden en ver kwam men om dit medicijn te kopen. Voor het maken van deze zalf gebruikte men het mineraalwater wat via een buizensysteem de stad werd binnengebracht. Voor de watervoorziening kon men de nabijgelegen rivier de Lycus niet gebruiken. Dit water was modderig en niet drinkbaar. Mede daarom besloot men tot de bouw van een aquaduct en buizensysteem wat het water uit de warme bronnen van Hiërapolis de stad binnenbracht. Het water overbrugde hierbij maar liefst 8 kilometer(!) Je zou denken dat de inwoners van Laodicea hier ook wel trots op zouden zijn. In het begin was dat ook het geval, maar hun oorspronkelijke enthousiasme was flink getemperd toen men erachter kwam dat het heerlijke warme water uit Hiërapolis lauw en vies was als het eenmaal de stad had bereikt. 

Het is in deze rijke en trotse stad waar we een kleine christelijke gemeente aantreffen. Deze gemeente is gesticht door Epafras, die werkte onder leiding van Paulus. De opziener van deze gemeente en dus ook de persoon aan wie de brief is geadresseerd, is Archippus. Deze Archippus was mogelijk een zoon van Filémon. Hoewel het op zich een wonder mag heten dat er een christelijke gemeente in deze zelfgenoegzame stad is ontstaan, is Paulus er weinig gerust op. In Kol. 2:1 zegt hij hier het volgende over: ‘Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn.’ Ook uit Paulus zijn bezorgdheid over de rol van de opziener Archippus: ‘En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij die vervult.’ Kol. 4:17 

Wat de reactie van Archippus is geweest weten we niet. Wat we wel weten is dat de gemeente zich er niets van heeft aangetrokken. Daarom komt er dertig jaar later weer een brief. Nu van de Koning Zelf. Deze brief had de gemeente niet verwacht, laat staan de scherpe inhoud ervan.

III. De inhoud van de brief aan de gemeente van Laodicea 

Lezen: Openbaring 3:14-22 

3:14 En schrijf aan den engel van de Gemeente der Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods: 
De gemeente kreeg geen brief van de generale synode, geen brief van een oud-predikant, geen brief van een of ander deputaatschap, nee, men ontving een brief van God Zelf. De brief is gericht aan de engel, dat wil zeggen de boodschapper of voorganger van de gemeente van Laodicea. Hij moet de brief voorlezen in de gemeente en er zorg voor dragen dat deze onder de verschillende huisgemeenten verspreid wordt. Voordat de Heere Jezus met Zijn boodschap komt, maakt Hij zich eerst aan de gemeente bekend. Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige. Christus identificeert Zich dus aan de gemeente voordat Hij met de boodschap komt. Het is opvallend dat de Heere Jezus Zich hier nu juist als de waarachtige Getuige bekendmaakt. Dat is niet zomaar. Net als bij de andere brieven wil de Heere Jezus middels Zijn zelfbeschrijving wat duidelijk maken. En tegelijkertijd laten de zelfbeschrijvingen meteen zien wat er aan schort in de gemeenten. In dit geval dat de gemeente van Laodicea niet getuigt van het Evangelie naar de rest van de stad. Christus is de getrouwe Getuige, maar de gemeente van Laodicea was dat niet. 

Het gaat hier in Laodicea dus niet over de leer (zoals in de brieven aan Pergamus en Thyatire), maar vooral over de praktijk van het christen-zijn. De bazuin van het Evangelie klonk niet meer helder. Hoe was dit zo gekomen? Daar komen we zo op, maar we kunnen er vanuit gaan dat het heel stil is geworden in de gemeente van Laodicea. Een brief van ‘de Amen’. Amen betekent de bevestiging van iets dat is uitgesproken (het zal waar en zeker zijn), maar het wijst ook op de oprechtheid van degene die het uitspreekt. In dit geval is de Heere Jezus de Amen Zelf(!) Want in Hem is er niet ja en nee, maar in Hem is alles ja en amen. 

En wie goed heeft meegelezen heeft ook al gezien dat Christus Zichzelf bekendmaakt als het begin der schepping Gods. Dat betekent vanuit het Grieks niet dat Hij het eerste schepsel is, maar dat Hij aan het begin stond van de schepping. Hij was erbij toen de bergen geschapen werden, de zee en alles wat daarin is. Hij was erbij toen de grond geschapen werd waarop eens het ruwhouten kruis zou staan. Het is deze Koning der Kerk Die spreekt. 
3:15 Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet! 
3:16 Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen. 
Wat een boodschap! Wat moet er door die mensen heen gegaan zijn?! Niet koud, niet heet, maar lauw… De Bijbel in Gewone Taal (BGT 2014) vertaalt het zo: ‘Jullie zijn niet tegen mij, maar ook niet voor mij. Waren jullie maar voor mij of tegen mij!’ En hoewel dit er niet staat in de grondtaal, is dit wel de boodschap die de Heere Jezus wil afgeven. Ik walg van u. Noch koud, noch heet, maar walgelijk lauw. 

U begrijpt dat dit beeld niet uitgelegd hoefde te worden aan de gemeenteleden van Laodicea. Dagelijks hadden ze te maken met dat vieze, lauwe water wat via het aquaduct de stad binnenkwam. Misschien had er voordat de kerkdienst aanvang nog wel een gemeentelid een slok van genomen. En nu, vergelijkt de Heere Jezus hen met dit lauwe water. 

Het is opvallend dat de Heere Jezus liever heeft dat men koud is dan lauw. Koud staat hier voor onbekeerd, warm voor bekeerd en lauw als iets er tussenin, terwijl dat helemaal niet mogelijk is! Men was in Laodicea niet vijandig koud, maar onverschillig lauw. Het was een hinken op twee gedachten. Ze werden door de hemel niet verkwikt en door de hel niet verschrikt. Deze neutraliteit is onverdraaglijk in Gods Koninkrijk. De gemeenteleden waren niet veel meer dan een witgepleisterd graf. Deze houding van de Heere Jezus tegen de zogenaamde ‘derde weg’, dus wel godsdienstig maar onbekeerd, vinden we vaker terug in het Nieuwe Testament. De Heere Jezus liet Zijn afschuw tegen de farizeeën en sadduceeën meer dan eens blijken, maar ging daarentegen wel op bezoek bij hoeren en tollenaars. Dat waren mensen die tot het uitschot van de maatschappij behoorden. Mensen die koud waren door eigen schuld en zonden. Juist voor die mensen die nergens meer voor deugen dan voor vrije genade, is de Heere Jezus gekomen. 

De Heere Jezus walgt dus van deze gemeente in Laodicea. Echter, de gemeente komt tot een andere beoordeling. Alles leek voor de wind te gaan. Ook kerkelijk. Ze hadden veel verwacht, maar niet dit. 

In tegenstelling tot de gemeente van Smyrna, was deze gemeente wel rijk in financiële zin. Dit was alleen maar mogelijk omdat ze meededen met het goddeloze financiële systeem van die dagen. Meededen met een maatschappij die doordrenkt was van afgoderij. Hun hoofdzonde was dus wereldgelijkvormigheid. Anders waren ze al veel eerder buiten de (financiële) boot gevallen. Zeer waarschijnlijk heeft de gemeente hun gebrek aan geestelijk leven willen wegpoetsen door tal van uiterlijke zaken. Wij zouden in onze tijd misschien zeggen: ‘We hebben een nieuw kerkgebouw, een nieuw, nog groter orgel dan de buurtgemeente, een pastorie die er netjes bijligt, het gaat toch best goed zo?’ 

Het is niet ondenkbaar dat dit ook de reactie in Laodicea is geweest. Let maar eens op, wat de Heere Jezus in het volgende vers zegt. 
3:17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. 
Dit is wat de gemeente van zichzelf dacht. Ze waren rijk vanwege financiële voorspoed. Christus komt tot een heel andere conclusie. U bent ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt. Hun spirituele toestand is er ernstig aan toe. Ze denken rijk te zijn aan goede werken en aan genadegaven. Het tegendeel is echter waar. Ze zijn beklagenswaardig en ze hebben het niet in de gaten. Men is blind voor de geestelijke armoede. Men is naakt en heeft niets om hun schande te bedekken voor Gods rechtvaardig oordeel. Het is waar dat Gods kinderen arm zijn en blijven en ellendig in zichzelf. Dat is niet erg, zolang ze maar Christus’ rechtvaardigheid hebben om zichzelf mee te bedekken. Maar dat was nu juist het probleem in Laodicea. Dat had men niet. 

Persoonlijk trof het mij dat de Heere Jezus de gemeente nu juist aanspreekt op wat men dacht te bezitten. Men dacht rijk te zijn, prachtige kleding te hebben en de beste oogzalf te bezitten. Maar dit was maar uiterlijk schijn. Met eerbied gesproken, de hemelse Leermeester houdt er de beste pedagogiek op na. Niet erom heen draaien, maar eerlijk zeggen waar het op staat. Misschien herkent u dat wel uit uw eigen leven. Toen de Heere u ontdekte aan uw hemelhoge schuld. Toen uw eigengerechtigheid een wegwerpelijk kleed werd. Toen u erachter kwam dat u alleen in uzelf rijk was, maar niet in Christus. O, dan helpt een trouwe kerkgang, een mooi kerkgebouw, een degelijk kerkverband niet meer. Dan gaan we roepen en bedelen om genade! 

Geachte aanwezigen, vanavond behandelen we de meest ernstige brief uit de brieven aan de gemeenten in Klein-Azië. Er is niets goeds van deze gemeente te zeggen. Wat is deze gemeente ontstellend diep gevallen! Maar tegenover deze diepe val glinstert en schittert de genade van Christus ons tegemoet. Hoort u maar: 
3:18 Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt. 
Ja, het is waar, de gemeente van Laodicea was hypocriet en lauw. Maar zie hier het diepe mysterie van Christus’ peilloze zondaarsliefde! De Heere gebruikt hier woorden die bij een koopman horen. Dat waren bekende woorden voor de gemeenteleden uit de handelsstad Laodicea. Let ook op de gepastheid van de goederen die Christus aanbiedt: beproefd goud, witte klederen en ogenzalf. Dit is precies wat ze nodig hebben, want ze zijn arm, naakt en blind. De Heere Jezus heeft alles wat een arme zondaar nodig heeft en niet missen kan: wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing (1 Kor. 1:30). 

Deze brief die zo ernstig begon, eindigt in een lofzang op Gods genade! Kijk maar eens naar de twee partijen. Zie ze in gedachten staan. Aan de ene kant staat de Koning der koningen, de Prins van de aarde, het begin der schepping Gods, onze gezegende Heere Jezus Christus, Die zichzelf aanbiedt aan zondaren. Aan de andere kant staan ellendige, arme, naakte en blinde mensenkinderen. 

Zijn goederen zijn goed! Beproefd goud en witte klederen. Beproefd goud is goud dat door middel van hoge temperaturen gereinigd is van allerlei afvalstoffen. Het goud wat Christus hier aanbiedt is beproefd op de heuvel Gogoltha. Toen Gods toorn neerbliksemde op Christus. Toen Hij de beker van Gods toorn op de zonden tot op de bodem leegdronk, is dat goud beproefd geworden. Het was daar dat ook de witte klederen van het heil zijn geweven en de ogenzalf bereidt. 

En let eens op hoe Christus Zijn genadegoederen aanbiedt op de markt van vrije genade. Ik raad u. Het is als het ware een hartenkreet van de Zaligmaker. Ik raad u. Ik ben de eerste en de laatste, Ik ben de Amen, Ik ben betrouwbaar. Koopt Mijn goederen toch! Ik raad u. Het is dus geen vrijblijvend advies. Christus spreekt hier vanuit Zijn hart. Hij spreekt hier vanuit Zijn bewogenheid. Bij Hem is genade voor de meest lauwe, goddeloze en zelfs arrogante hypocriet. Als dit niet zo was, dan had Christus dit niet tegen de gemeente van Laodicea gezegd. 
3:19 Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u. 
Zo wil Hij de zondaar tot Zich trekken. Christus is betrokken op de kerk. Toen en nu. Christus roept hen (en ons) op tot bekering en tot een nieuwe gehoorzaamheid. Opdat we ijverig zouden zijn in Zijn liefdesdienst. Ja, de dienst van de Heere is een liefdesdienst. Wie dat ontkent heeft nog nooit één druppel genade geproefd. 
3:20 Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij. 
Deze strenge brief is dus geen vonnis, maar een hartelijke oproep tot bekering. Recht uit het hart van Christus. Pastoraal, bewogen en oprecht. Heeft u Christus’ smeekstem al eens gehoord tijdens de prediking? Hebben wij de klop van Christus op de deur van ons hart al eens gehoord? Of hangt op uw hart nog steeds het bordje: Aan de deur wordt niet gekocht? Hoe lang hangt dat er al? 20, 30, 70 jaar? Nee, het is waar dat wij zelf de deur niet kunnen openen. Maar drijft die kennis ons uit tot de Heilige Geest en tot Christus Die Zelf de Deur is? 

Deze brief is gericht aan warme, koude en lauwe mensen. Daarom is deze brief aan iedereen geadresseerd, of we nu uit Laodicea of uit Beekbergen komen. Voor wie zich nog op de been kan houden is deze brief een ergernis. Maar voor wie het niet langer meer kan uithouden met een vormendienst alleen, is deze brief Evangelie van de zuiverste vorm! Dan gaat u de goederen op de markt van vrije genade waarderen. Beproefd goud, witte klederen en ogenzalf. Dan komt er dat gebed: Geef mij Jezus of ik sterf. Dan wil de Heere komen, niet in allerlei bijzonderheden, maar in Woord en Geest. En dan breekt Zijn liefdesstem de hardste harten, net als bij Manasse en Paulus. Of, om het met ds. Hellenbroek te zeggen: ‘Als Hij komt, dan lost Hij alle zwarigheden op.’ 

En wat doet de geroepen zondaar van zijn kant? Ds. Hellenbroek zegt hierover: ‘Hij neemt de Heere aan tot zijn God en geeft zich aan Hem over ten eigendom.’ Dat is het opendoen van de deur! Capituleren voor Zijn liefdevolle, ontdekkende en arm makende genade. Dan gaan de poorten van de stad mensenziel open voor Prins Immanuël. 

Vanavond leg ik de vraag voor mijzelf en voor u neer: Klinkt er een echo in ons hart bij het horen van deze inleiding of zijn we net als de gemeente van Laodicea nog lauw, of misschien nog wel koud? Vanavond heeft u gehoord en gezien hoe diep de Heere Jezus neer wil buigen tot zelfgenoegzame mensen. Kom, verbreekt dat uw hart niet? 

En alsof het aanbod van genade nog niet groot genoeg is, voegt Christus er nog iets aan toe. Ik zal met Hem avondmaal houden. De stilte in de gemeente van Laodicea moet nu oorverdovend zijn geweest. Avondmaal? Dat teken van intieme persoonlijke verbondenheid? Ja, ook dat. Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân, Dien trouwen HEER voor Zijn genâ vergelden? Ps. 116:3 berijmd. 
3:21 Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. 
Die overwint, dat duidt op de christen die niet wereldgelijkvormig leeft en sterft. Die krijgt niet alleen vergeving van zonden, maar mag straks met Christus regeren op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. 

Straks zal er een Heilig Avondmaal in de hemel worden aangevangen, met armen, kreupelen en verminkten. Wat zeg ik, voormalig armen, kreupelen en verminkten. Dan zal de strijd voorbij zijn en kan het hemelse feest beginnen. 
3:22 Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt. 
Heeft u het gehoord? Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? Joh. 4:29 Bij Hem is te koop beproefd goud, witte klederen en ogenzalf. En kijk eens op het prijskaartje, daar staat het met bloedrode letters: ER IS BETAALD. 


Zingen: 19:5, 32:5, 65:3, 89: 1,2,3, 95:2,3,4 en 116:1, 3 en 7. 


Gespreksvragen

1. De brief aan de gemeente van Laodicea is een veel besproken gedeelte uit de Bijbel. Zaten er in de inleiding voor u nieuwe elementen? Probeer dit eens uit te wisselen aan elkaar. 
2. Het woordje ‘amen’ betekent: het zal waar en zeker zijn. Het slaat op ook de oprechtheid van de bidder. Mogen wij dan eigenlijk wel ons gebed met ‘amen’ besluiten? 
3. Hieronder staat het gedicht van Hiëronymus van Alphen. Wat heeft dit gedicht met Openb. 3:14-22 te maken? Welke lessen kunnen wij hieruit halen voor het gebedsleven? 

Gij, die ons bidden ziet 
Verlangt ook, dat wij niet 
Slechts vragen, maar verwachten. 
Ons bidden is geen wens, 
Die opgaat tot een mens. 
Wie ’t faalt aan wil of krachten. 
Ons ‘Amen’ geeft U eer; 
Ons ‘Amen’ vraagt niet meer: 
Zou God mijn bede schenken? 
Ons ‘Amen’ stelt gewis, 
Dat Hij, die d’ Amen is, 
Zijn waarheid nooit zal krenken. 

4. Zou de Heere Jezus vandaag de dag nog ‘brieven’ naar gemeenten sturen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet? 
5. Deze brief is geschreven aan de gemeente van Laodicea in het toenmalige Klein-Azië. Hoe kunnen we zeker weten dat deze brief ook aan ons geadresseerd is? 
6. Stelling: ‘Het is beter lauw te zijn, dan koud. Koude mensen komen helemaal niet in de kerk. Lauwe mensen komen nog onder de prediking van Gods Woord.’ 


Literatuurlijst 

Beale, G. K. The Book of Revelation : A Commentary on the Greek Text. Grand Rapids, Michigan: W.B. Eerdmans ; Paternoster Press, 1999. 
Doornenbal, J. T. Dingen Die Haast Geschieden Moeten : Bijbellezingen over De Openbaring Van Johannes. Utrecht: De Banier, 1984. 
Durham, J. A Commentary on the Book of the Revelation. Willow Street, Pa.: Old Paths Publications, 2000. 
M'Cheyne, R.M. Zie, Ik Sta Aan De Deur En Ik Klop. Kampen: De Groot Goudriaan, 2000. 
Visscher, W. De Zeven Gemeenten : Overdenkingen over De Openbaringen. Apeldoorn: De Banier, 2013. 
Visser, H. Tussen De Gouden Kandelaren : Acht Preken over De Zeven Brieven Aan De Gemeenten in Klein-Azië. Houten: Den Hertog, 1984.