Doorgaan naar hoofdcontent

Inleiding JV-GG Beekbergen, De Heilige oorlog van John Bunyan

Beste jongelui, hartelijk dank voor jullie uitnodiging om samen na te denken over het boek De heilige oorlog van John Bunyan. Ik heb deze inleiding in twee delen verdeeld. In het eerste deel wil ik kort stilstaan bij de persoon van John Bunyan. Wie was hij en hoe kwam het dat hij zo beeldend een oorlog kon beschrijven? In het tweede deel wil ik de eerste helft van De heilige oorlog behandelen, waarbij we vooral Bunyan zelf aan het woord zullen laten. De tweede helft van het boek zal de volgende inleider voor zijn rekening nemen.

I. De persoon van John Bunyan
John Bunyan is in de kerkgeschiedenis vooral bekend geworden als ketellapper en als de schrijver van “The Pilgrim’s Progress from this World to That which is to Come” (1678), bij ons beter bekend als “De christenreis naar de eeuwigheid”.[1] Volgens sommigen behoort dit werk tot de beste christelijke boeken die ooit geschreven zijn.[2] Toch was dit niet het enige boek wat Bunyan schreef. Zo produceerde hij tal van hoogstaande theologische werken, een korte autobiografie “Grace Abounding to the Chief of Sinners” (1666) waarin hij zijn bekering beschrijft en in 1682 schrijft hij het boek “The Holy War made by Shaddai upon Diabolus for the Regaining of the Metropolis of the World”, ofwel “De Heilige Oorlog van El-Shaddai tegen Diabolus”.[3] Maar wat drijft een theoloog ertoe om een boek over oorlog te schrijven? Wat wilde Bunyan hiermee bereiken en hoe kwam het dat hij zoveel verstand had van oorlogvoering? Om op deze vragen een antwoord te kunnen geven, is het noodzakelijk om (kort) het leven van John Bunyan onder de loep te nemen. 

John Bunyan werd op 28 november 1628 geboren in de Engelse plaats Elstow.[4] Hij was de oudste zoon van tinsmid Thomas Bunyan jr. en diens tweede vrouw Margaret Bentley, met wie hij in 1627 in het huwelijk was getreden nadat zijn eerste vrouw was overleden.[5] Een vriend van John Bunyan omschreef hem als volgt: “Qua persoon was hij lang van gestalte, stevig gebouwd, hoewel niet zwaarlijvig. Hij had een wat blozend gezicht, met sprankelende ogen en droeg een snor op zijn bovenlip naar een oude Engelse gewoonte. Zijn haar was rossig, maar in zijn latere levensdagen met grijs gespikkeld; zijn welgevormde neus was noch hol noch krom en zijn mond was niet al te breed. Zijn voorhoofd was tamelijk hoog en zijn kleding was altijd eenvoudig en zedig.”[6]

Het is opvallend dat Bunyan in zijn autobiografie, maar weinig over zichzelf, zijn afkomst en zijn familieomstandigheden vertelt. Dat was voor hem kennelijk van ondergeschikt belang. Bunyan wilde vooral laten zien dat God de grootste der zondaren kan bekeren. Dat blijkt duidelijk uit zijn leven, aangezien Bunyan zijn jonge jaren in de zonden doorbracht. Hij zegt hierover het volgende: “Ik was een gewillige slaaf van de duivel en leefde zonder God in de wereld. De zonde woedde al heel vroeg zeer sterk in mijn hart. Er waren er maar weinig die zo konden vloeken, liegen en lasteren als ik.”[7] De duivel trok aan hem en Bunyans hart vulde zich met haat tegen het christelijk geloof. In zijn boek De heilige oorlog is duidelijk te merken dat Bunyan uit persoonlijke ervaring wist hoe gevaarlijk de duivel is en hoe hij langzamerhand het mensenhart kan vergiftigen.

Toch maakte Bunyan zich hier in zijn jonge jaren helemaal niet druk om. “Het gevolg is dat Bunyan opgroeit als een echte volksjongen, die in het genot van een sterk lichaam er onvoorzichtig op los leeft, op de zondagmiddag graag allerlei sporten beoefent, vloekt ‘als een ketellapper’, droomt van de duivel en zich in een zucht om haantje de voorste te zijn in allerlei avonturen stort.”[8] Toch laat God hem niet aan zijn lot over in deze jaren. Bunyan ontsnapt twee keer aan de verdrinkingsdood en aan de beet van een giftige slang. Ondanks dat alles negeert Bunyan Gods roepstem. 

Op 30 november 1644 komt er een einde aan de zorgeloze jeugd van Bunyan. Op zestienjarige leeftijd moet hij namelijk dienst nemen in het leger. Er was namelijk een burgeroorlog uitgebroken tussen troepen van de koning en van het parlement. Bunyan vecht mee aan de kant van het parlement.[9] Het voert te ver om hier uitgebreid op in te gaan, maar we kunnen wel stellen dat ook deze gebeurtenis niet buiten Gods besturing omgaat. Ook hier laat God Zijn roepstem duidelijk klinken door hem van de dood te redden. Bunyan schrijft hierover het volgende: “Toen ik soldaat was, moest ik samen met anderen een bepaalde plaats gaan belegeren. Toen wij op het punt stonden te vertrekken, wilde iemand anders uit mijn compagnie met mij ruilen, zodat hij in mijn plaats meeging. Ik vond dat goed. Toen zij bij die plaats waren en hij op wacht stond, kreeg hij een musketkogel door het hoofd en stierf.”[10] Helaas bracht ook deze roepstem de ruwe Bunyan niet tot inkeer. Dat zou pas later gebeuren. Eerst moest Bunyan vreselijke angsten uitstaan op het slagveld. De Heere heeft het zo willen leiden dat John Bunyan twee-en-een-half jaar als soldaat in het leger moest dienen. Later zou hij als veteraan deze ervaringen inzetten voor Gods Koninkrijk door het boek te schrijven wat wij vanavond met elkaar willen behandelen, namelijk De heilige oorlog.

Samengevat kunnen we zeggen dat Bunyan een turbulent leven heeft gehad. Hij bracht het van ketellapper tot gemeentepastor en zelfs tot ‘bisschop’ van een gehele regio. Ook is Bunyan tijdens de Engelse Burgeroorlog twee-en-een-half jaar soldaat geweest en zat hij tweemaal in de gevangenis, waarvan de eerste keer maar liefst twaalf jaar(!)[11] Ondanks dit alles schenkt Bunyan hier nauwelijks aandacht aan in zijn autobiografie. Daar gaat hij, zoals reeds gezegd, vooral in op zijn bekering. Dat was voor hem het belangrijkst! Dat maakte dat hij gewassen en gereinigd voor de rechtertroon van Christus kon verschijnen. Op 31 augustus 1688 haalde de Heere hem thuis en mocht Bunyan zijn ogen opendoen in de hemel. En zie, het was géén droom.

II. Het eerste deel van het boek De heilige oorlog
Zoals gezegd schreef Bunyan in 1682 het boek: “De Heilige Oorlog van El-Shaddai tegen Diabolus”. In dit boek wordt de strijd van de duivel en God om de ziel van de mens op een bijzondere wijze en in beeldende taal beschreven.[12] Dit boek maakt net als de christenreis gebruik van beeldspraak met als doel om de onzichtbare geestelijke werkelijkheid ‘zichtbaar’ te maken.[13] Bunyan heeft dit boek geschreven om de macht van de duivel te beschrijven, maar bovenal Gods genade dat Hij nog met rebellerende mensen van doen wil hebben. Wie aandachtig leest merkt hoe Bunyan verschillende Bijbelse (heils)feiten in zijn boek verwerkt zoals de opstand en val van de duivel, de zondeval van de mens, de vrederaad van de Drie-enige God en de komst van Jezus Christus naar deze aarde. 

Bunyan begint het boek met een beschrijving van de val van de reus Diabolus, ofwel satan. Met hem komen ook andere engelen komen in opstand en samen willen zij zich wreken door de nieuwe stad Mensenziel, de trots van Koning El-Shaddai, ofwel God de Vader, in te nemen.[14] El-Shaddai kan men vanuit het Hebreeuws vertalen als ‘de Algenoegzame God, Die ons met stromen van zegen overgiet’.[15] Het was deze goede Koning Die midden in de stad Mensenziel een paleis had gebouwd. Dit paleis wilde Diabolus veroveren, maar dat kon niet zomaar. De stad was te sterk om van buitenaf veroverd te worden en daarom bedacht Diabolus een gemene list. Hij zou met veel geredeneer een vertrouwensbreuk tussen de Koning en de burgers tot stand brengen, anders zou hij er nooit binnenkomen.[16] Ook besloten de duivelen om vermomd naar de stad te gaan. De reus Diabolus zou zich vermommen als slang zodat de mensen uit de stad hem niet direct zouden wantrouwen. Tevens namen de reus en zijn leger zich voor om een zekere kapitein Tegenstand, die ook in de stad Mensenziel woonde, zo snel mogelijk uit te schakelen. De stad Mensenziel had vijf poorten: de Oogpoort, Oorpoort, Mondpoort, Neuspoort en Voelpoort. De slang besluit naar de Oorpoort te gaan. Daar trok hij de aandacht van de inwoners van de stad. De heer Oprecht, de heer Wil, de heer majoor Verstand, de heer Consciëntie, ofwel het geweten en kapitein Verstand verschenen op de muur om te kijken wie naar was. Hierop begint de slang een hele redevoering. Ik citeer een klein stukje uit deze redevoering: “Edele heren, ik ben hier gekomen om u aan te wijzen hoe u groot kunt worden en verlossing kunt verkrijgen van de slavernij waaronder u, zonder het te merken, gevangen bent.”[17] Ook vertelt de slang dat de Koning niet de waarheid vertelt en dat het slavernij is om voortdurend in angst te leven voor de straf die er staat op zoiets onschuldigs als het eten van een kleine vrucht. De Wet van Koning El-Shaddai is onredelijk en ondragelijk, aldus de vermomde Diabolus. Het is onredelijk, omdat de straf niet in overeenstemming staat met de misdaad. Want wat is nu uw leven in vergelijking met een vrucht?! En het is ondragelijk, omdat nu juist die vrucht u iets kan geven wat u nog niet hebt, namelijk kennis van goed en kwaad!

Het is opvallend dat Bunyan dit zo beschrijft, aangezien hij aan de ene kant de Bijbel volgt, maar aan de andere kant ook goed laat zien hoe sommige mensen moeite hebben om te begrijpen hoe God de mensheid zo zwaar heeft kunnen straffen. Misschien herken jij deze vraag ook wel. ‘Adam heeft toch gezondigd, ik niet, waarom straft God mij dan?’ Wij hebben als gevallen mensen moeite om de eeuwige straf van de eeuwige God te begrijpen. Toch is dit een ernstige realiteit en Bunyan wil ons waarschuwen om dit serieus te nemen.

Terug naar het verhaal. Terwijl Diabolus deze woorden sprak, schoot een van de helse geesten kapitein Tegenstand, die in de poort stond, neer en bracht hem een dodelijke wond aan het hoofd toe. Ook de heer Oprecht zakte levenloos in elkaar. Toen deze beide mannen van de stad Mensenziel gedood waren, boden de inwoners geen weerstand meer en aten ze van de vrucht. Daarop trok Diabolus met zijn leger de stad binnen. Daar hield hij een toespraak en waarschuwde de mensen voor El-Shaddai. Deze Koning zou zeker terug vechten en dan zouden de inwoners van de stad Mensenziel hun ‘vrijheid’ weer kwijt raken. Daarop vroegen de inwoners of Diabolus voortaan over hen wilde heersen. Dit verzoek aanvaardde hij en zo werd hij koning van de stad Mensenziel. Ook hier volgt Bunyan de Bijbel. Mensen behoren nu vanaf hun geboorte tot het eigendom van de satan.[18]

Nadat Diabolus de stad had ingenomen, zette hij de heer Verstand en de heer Consciëntie uit hun ambt. Ook bouwde hij een hoge toren zodat er geen licht in het huis van de heer Verstand kon komen. Daarom spreken wij nu van een verduisterd verstand(!) Toch was er niemand aan wie Diabolus een grotere hekel had dan aan de heer Consciëntie, ofwel het geweten. Deze heer dacht af en toe terug aan de Wet van El-Shaddai en liet dan met zijn stem de stad Mensenziel beven. Citaat: “Hij [Diabolus, JWJ] verwoestte de man bij stukjes en beetjes en trok hem zodanig in de zonde en de goddeloosheid, dat hij ten laatste niet slechts verwilderd was, zoals in het begin en daarom onrein, maar uiteindelijk vrijwel niet het minste begrip van zonde meer kende.”[19]

Misschien herken je dit wel uit je eigen leven. De eerste keer toen je die ene zonde beging. Je weet wel, die zonde waarvan je denkt dat niemand die ziet. Toen was je nog onrustig en je geweten klaagde je aan. Maar na verloop van tijd werd de stem van je geweten steeds zwakker totdat ze uiteindelijk helemaal zweeg. Uiteindelijk kan het zelfs zover komen dat je je zelfs niet meer laat gezeggen door de ware zaligmakende leer.[20]

Een andere persoon die Diabolus aanviel was de heer Wil, een krachtig en dapper man. Toch was het nu juist de heer Wil die Diabolus de stad liet binnentrekken. Daarom spreken wij in de theologie van een geknechte, letterlijk een gevangen wil. Het was daarom ook niet verwonderlijk dat Diabolus de heer Wil de belangrijkste man van de stad maakte. De heer Wil werd meteen de meest goddeloze inwoner van de stad en hij zwoer een plechtige eed van trouw aan Diabolus. De heer Wil had ook een dienaar onder zich, genaamd Genegenheid. Dit was een zeer verkeerd persoon die verliefd werd op een zekere Vleselijke-begeerlijkheid. Deze traden in het huwelijk en kregen verschillende kinderen, zoals: Onbeschaamdheid, Zwartmond en Bestraffingshater. Kortom, de eens zo mooie stad Mensenziel veranderde in een smerige en gevaarlijke stad.

Diabolus bouwde ook drie forten, drie verdedigingswerken tegen Koning El-Shaddai. Fort Tegenweer, bedoeld om te zorgen dat er geen communicatie tussen de stad en de vorige Koning kon plaatsvinden. Fort Middernacht, wat als doel had dat de stad Mensenziel geen ware kennis over haar ellendige toestand zou krijgen en fort Zoete-zonde, die de algemene verdediging van de stad op zich nam. 

Het duurde niet lang of Koning El-Shaddai en Zijn Zoon hoorde van de laffe aanval en verovering van de stad Mensenziel. De andere aanwezigen (ofwel de engelen, JWJ) werden hier zeer verdrietig van, maar de Koning en Zijn Zoon bleven opvallend genoeg rustig. Zij hadden dit al zien aankomen. Toch hadden ook zij verdriet om de stad en medelijden met haar. De Koning en Zijn Zoon waren vast van plan om de stad Mensenziel weer te herstellen waardoor ze een eeuwige naam en grote heerlijkheid zouden verkrijgen. Na hun besluit gaven ze bevel om een prachtig verhaal op te stellen (ofwel de Heilige Schrift, JWJ) wat bekend zou worden gemaakt in alle hoeken van het koninkrijk aarde. Hier stond het plan te lezen dat de stad Mensenziel bevrijd zou worden en nog mooier en heerlijker zou zijn dan de staat waarin zij verkeerde voordat Diabolus haar innam. En dat is ook zo! De mensen op de nieuwe aarde zullen van een hogere en heerlijkere staat zijn dan Adam en Eva voor de zondeval.

Koning El-Shaddai en prins Immanuël lieten het er dus niet bij zitten. Toen Diabolus van het bevrijdingsplan hoorde schrok hij zich wild. Hij besloot om ervoor te zorgen dat dit bericht niet doordrong in de stad Mensenziel. Ook gaf hij de vrijheid om alle vleselijke lusten na te volgen zodat de inwoners zich diep zouden weg zondigen. Hierdoor zouden de inwoners niet geloven dat zij ooit nog verlost zouden worden door prins Immanuël en bovendien zou de zoon van de Koning zo’n smerige stad vast niet binnen willen trekken. Maar de gemeenste maatregel die Diabolus trof was het gerucht dat de Koning de stad alleen maar wilde vernietigen. Die praatjes over genade en redding waren gelogen en de inwoners moesten hier echt niet intrappen!

Diabolus raad de mensen verder aan zich te wapenen. Hij heeft de volgende wapens in zijn wapenarsenaal: de helm van de valse hoop, het borstwapen van het harde hart, het zwaard van de kwaadsprekende tong en het schild van het ongeloof.[21] Deze wapens zijn geweldig! Je bent nergens gevoelig voor, niet voor het oordeel van de Koning, maar ook niet voor Zijn barmhartigheid! Ook kun je hiermee kwaad spreken van El-Shaddai, Zijn Zoon, Zijn wegen en Zijn volk. Maar wat u ook doet, roep nooit om genade, als u de mijne wilt zijn!, zo bezwoer Diabolus de inwoners.[22]

Ondertussen was de Koning druk bezig een leger te mobiliseren. Dit leger werd niet door Immanuël aangevoerd, maar door de kapiteins Donderzoon, Overtuiging, Oordeel en Uitvoering.[23] In totaal bestond het leger uit 40.000 dappere mannen. Toen het leger gereed was trok deze naar de Oorpoort en legerde zich daar. Zenuwachtig port Diabolus de mensen uit de stad Mensenziel aan om vooral niet te luisteren! En hoe het leger ook aanvalt, met woorden van genade en oordeel, de stad blijft hermetisch gesloten. Hiermee laat Bunyan de hardheid van het zondige hart zien. 

Tijdens één van de aanvallen stortte het dak van het huis van de oude majoor Ongeloof in en bijna werd de heer Wil verslagen, maar hij wist zich (helaas) weer op de been te brengen. Echter, de heren Zweren, Hoereren, Boosheid, Leugenspreken, Dronkenschap en Bedrieger werden neergeschoten.[24] Het was gedaan met de rust in de stad Mensenziel. Telkens klonk er weer alarm: de poorten worden aangevallen! De poorten worden aangevallen! Te wapen! Te wapen! Op een gegeven moment was de stad dit zo zat, dat ze het op een akkoordje met de Koning wilde gooien. El-Shaddai mocht binnenkomen zolang Hij maar geen dienaren van Diabolus uit de stad zou werpen. El-Shaddai gaat hier natuurlijk niet mee akkoord. Hij moet en zal de hele stad zuiveren van die smerige Diabolus. Bunyan laat hier duidelijk zien dat God niet een gedeelte van ons hart wil, maar heel ons hart! 

De stad Mensenziel werd nu met vernieuwde kracht aangevallen. Uiteindelijk komt er zelfs ruzie tussen de heer Verstand en Consciëntie met de heer Ongeloof. Tijdens de ruzie worden de heer Vooroordeel en Neutraal in elkaar geslagen. Alleen de laffe heer Wil verandert telkens van zijde. Dan is hij weer voor de Diabolisten, dan weer voor de aanhangers van El-Shaddai. Maar er veranderd uiteindelijk niets. Zo kan het ook in ons leven zijn: Er wordt tijdens de prediking op de deur van ons hart geklopt, we zijn even onrustig, maar uiteindelijk blijft alles bij hetzelfde. 

Omdat de toestand hopeloos lijkt, stuurt het leger van El-Shaddai een brief naar de Koning met een vraag om meer manschappen en Iemand om de stad te besturen nadat deze veroverd is. Dit zal niemand anders dan prins Immanuël zijn. Op ontroerende wijze omschrijft Bunyan dit gesprek. Een citaat: “Gij kent, zei de Koning, evengoed als Ik de toestand van Mensenziel, wat Wij besloten en ons voorgenomen hebben en wat U reeds hebt gedaan om de stad te verlossen. Kom dan, Mijn Zoon en bereid U tot de strijd, want U zult naar Mijn leger voor Mensenziel gaan. […] Toen sprak de Zoon van de Koning: Uw wet is in Mijn ingewand, Ik heb lust om Uw welbehagen te doen. Dit is de dag, waarnaar Ik verlangd heb. […] Ik zal heengaan en Uw verloren gaande stad Mensenziel verlossen van Diabolus en zijn geweld.”[25]

Prins Immanuël verzamelt meteen een groot leger, met vijf belangrijke kapiteins, de heer Geloof, Goede-Hoop, Liefde, Oprecht en Verdraagzaamheid. Ook nam prins Immanuël vierenvijftig stormrammen en twaalf slingers om stenen mee te werpen met Zich mee. Heeft iemand trouwens een idee wat Bunyan hiermee zou bedoelen? De Bijbel, want deze heeft zesenzestig boeken. Dit Woord, waarin de Messias is beloofd, zal prins Immanuël nu gaan vervullen. 

Op de plaats aangekomen graaft het leger zich op bevel van prins Immanuël in. Men legert zich in het dal en op de bergen Genadig en Rechtvaardig. Zo wordt de stad omsingeld en hermetisch afgesloten. Toch valt prins Immanuël niet meteen aan. Eerst laat Hij de witte vlag (die wordt eigenlijk alleen gebruikt als iemand zich wil overgeven, maar hier gebruikt Immanuël de vlag om vrede te zoeken) opsteken, zodat de mensen uit de stad Mensenziel zien hoe genadig Hij is. Uiteindelijk wordt ook de rode vlag van het oordeel gehesen, maar de mensen uit de stad reageren nergens op. Op aandringen van Immanuël verschijnt de reus Diabolus op de stadsmuur en spreekt met Hem in een taal die de inwoners van de stad niet konden verstaan, anders zouden ze er snel achter komen dat Diabolus bang was voor Immanuël. Hij zegt het volgende: “O, gij grote Immanuël, Heere van de ganse wereld, ik ken U, dat U de zoon van de grote El-Shaddai bent! Waarom bent U gekomen? Om mij te pijnigen en mij uit mijn bezitting te verstoten? Deze stad Mensenziel is de mijne, zoals U heel goed weet, en dat door een dubbel recht.”[26] De valse Diabolus onderbouwt zijn recht door Immanuël erop te wijzen dat hij de stad veroverd heeft en dat de inwoners vrijwillig voor hem gekozen hebben. Bovendien, de inwoners hebben alle wetten van El-Shaddai overtreden, waarom zou Hij ze nog terug willen?!

Maar Immanuël antwoordt boos dat Diabolus een leugenaar is en dat hij de stad zal verliezen. De prins maakt de reus duidelijk dat Hij het erfrecht op de stad verkregen heeft. Het klopt dat de inwoners van Mensenziel tegen El-Shaddai hebben gekozen, maar Immanuël heeft ze met Zijn lichaam en bloed vrijgekocht. Lichaam voor lichaam, ziel voor ziel. 

Hier schrikt Diabolus geweldig van! Hij heeft dus geen recht meer op de stad! Maar prins Immanuël richt snel het woord tot de inwoners: “Arme stad Mensenziel, wat zal Ik u doen? Zal Ik op u aanvallen en u tot stof vergruizen? Of zal Ik u maken tot een gedenkteken van de rijkste genade? […] O Mensenziel. Waarom vlucht u voor uw vriend en waarom hecht u zich zo vast aan uw vijand?”[27]

Er komt geen antwoord uit de stad. Snel sluiten de burgers de Oorpoort toe, vergrendelen ze alle deuren en houden de stad gesloten en vergrendeld, met een sterke wacht voor iedere poort. Prins Immanuël en Zijn voorstel tot overgave negeren ze. 

Toch is Diabolus er niet gerust op. Straks valt het leger van Immanuël aan en hij twijfelt of de poorten het zullen houden. Daarom bedenkt hij een gemeen plan. Hij stuurt de heer Onbuigzaam (wij zouden zeggen de heer Onbekeerlijkheid) naar prins Immanuël toe. Die probeert Immanuël over te halen om een zogenaamde dubbele regering, een coalitie, van Diabolus en Immanuël voor elkaar te krijgen. Prins Immanuël houdt echter voet bij stuk en weigert elk voorstel van de heer Onbuigzaam. Gelukkig maar, want stel je voor dat als Christus je vrij maakt van de macht van die duivel, de satan toch nog recht op je leven zou hebben(!) Dat zou verschrikkelijk zijn!! 

Immanuël is diep beledigd door de lafheid en valsheid van Diabolus en besluit niet langer te wachten. De stad zal aangevallen worden! Citaat: “Men liet nu een alarmkreet horen, de stormrammen werden aangebracht, weldra wierpen de slingers onophoudelijk hun stenen in de stad, en zo ving de strijd aan.”[28] Prins Immanuël voerde als generaal de troepen aan en liet alle poorten tegelijkertijd aanvallen. De grond trilde en beefde en de inslagen van de stenen kwamen hard aan! Zouden de poorten en de muren het houden? Zullen Diabolus en de inwoners van Mensenziel strijdend ten ondergaan of zullen ze zich overgeven? De volgende inleider hoopt jullie meer te vertellen over de afloop van deze oorlog. En mocht je zolang niet kunnen wachten, lees dan de Heilige oorlog voor jezelf! 

Literatuurlijst
Böhl, E. Dogmatik. Bonn; Hamburg: VKW/RVB, 2004.
Bunyan, J. De Christen- En Christinnereis Naar De Eeuwigheid. Houten: Den Hertog, 2008.
Bunyan, J. De Heilige Oorlog Van El-Schaddai Tegen Diabolus. Utrecht: De Banier, 1992.
Bunyan, J. Genade in Overvloed. Barneveld: John Bunyan Stichting, 2009.
Dowley, T. The History of Christianity. Oxford, England; Batavia, Ill., USA: Lion Pub., 1990.
Harinck, G. (red.). Christelijke Encyclopedie. 3 vols. Vol. 1. Kampen: J.H. Kok, 2005.
Post, S.D. Duivels Dichtbij. Heerenveen: Groen, 2006.
Schreuder, A. Naar Eer En Geweten : Wat De Bijbel En Onze Belijdenis Zeggen over Het Geweten. Houten: Den Hertog, 2011.
Van 't Veld, H. De Pelgrimsstaf Is in Mijn Hand : John Bunyan (1628-1688) : Een Biografie. Utrecht: De Banier, 2004.
Westerink, H. "The Puritan Background of the Pilgrim's Progress." Radboud Universiteit Nijmegen.




[1] T. Dowley, The History of Christianity (Oxford, England; Batavia, Ill., USA: Lion Pub., 1990), 392. 
[2] J. Bunyan, De Christen- En Christinnereis Naar De Eeuwigheid (Houten: Den Hertog, 2008), 29. 
[3] Hierna afgekort tot: De Heilige oorlog. 
[4] G. (red.) Harinck, Christelijke Encyclopedie, 3 vols., vol. 1 (Kampen: J.H. Kok, 2005), 258. 
[5] H. Van 't Veld, De Pelgrimsstaf Is in Mijn Hand : John Bunyan (1628-1688) : Een Biografie (Utrecht: De Banier, 2004), 11. 
[6] Ibid., 17. 
[7] J. Bunyan, Genade in Overvloed (Barneveld: John Bunyan Stichting, 2009), 13-14. 
[8] Van 't Veld, De Pelgrimsstaf Is in Mijn Hand : John Bunyan (1628-1688) : Een Biografie, 71. 
[9] Dowley, The History of Christianity, 392. 
[10] Bunyan, Genade in Overvloed, 18-20. 
[11] Van 't Veld, De Pelgrimsstaf Is in Mijn Hand : John Bunyan (1628-1688) : Een Biografie, 19. 
[12] S.D. Post, Duivels Dichtbij (Heerenveen: Groen, 2006), 73. 
[13] Overigens gebruikt de Bijbel ook het beeld van een oorlog als het gaat om de geestelijke strijd van een christen en om de strijd tussen het vlees en de Heilige Geest. Een voorbeeld hiervan vinden we in Efeze 6:10-12: ‘Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.’ 
[14] H. Westerink, "The Puritan Background of the Pilgrim's Progress," Radboud Universiteit Nijmegen: 37. 
[15] E. Böhl, Dogmatik (Bonn; Hamburg: VKW/RVB, 2004), 103. 
[16] Post, Duivels Dichtbij, 75. 
[17] J. Bunyan, De Heilige Oorlog Van El-Schaddai Tegen Diabolus (Utrecht: De Banier, 1992), 22. 
[18] Dit wordt bevestigd door Johannes 8:44a: ‘Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem.’ 
[19] Bunyan, De Heilige Oorlog Van El-Schaddai Tegen Diabolus, 29. 
[20] A. Schreuder, Naar Eer En Geweten : Wat De Bijbel En Onze Belijdenis Zeggen over Het Geweten (Houten: Den Hertog, 2011), 126. 
[21] Post, Duivels Dichtbij, 79. 
[22] Bunyan, De Heilige Oorlog Van El-Schaddai Tegen Diabolus, 50-51. 
[23] Bunyan bedoelt hier de profeten van het Oude Testament mee die als wegbereider van de Messias hebben opgetreden. 
[24] Je zou kunnen zeggen dat dit gebeurt bij een zondaar die in uitbrekende zonden leeft en die door middel van de prediking hiermee stopt, maar nog geen berouw en bekering in zijn leven kent. 
[25] Ibid., 94. 
[26] Ibid., 102. 
[27] Ibid., 107. 
[28] Ibid., 114.