Doorgaan naar hoofdcontent

Augustinuskring, avond 7

Door: M.H. van As & E.H. van Wolfswinkel


Inleiding boek XIII

Het bestaan te danken aan Gods goedheid (I – IV)
Augustinus begint het laatste hoofdstuk van de Confessiones met de trouw en goedheid van God. Hij noemt hoe God alles gereed maakt om Hem te ontvangen door het verlangen ‘dat Gij haar hebt ingeademd’. Hij wijst van zichzelf af. Het was God die bleef aandringen en waar Augustinus zich ook naar toe begaf. Hij moest God horen. Augustinus schetst dat het Gods goedheid is die hem roept; God is volmaakt en heeft hem niet nodig.

‘Uit de volheid van Gods goedheid heeft Gods schepping zijn bestaan’. Het alleen recht van de schepping wordt volledig aan God toegeschreven. Ze kon door God ontstaan en mocht daarom niet ontbreken. Het moest al verbonden blijven met de wijsheid Gods. Van het ongeordende tot de geestelijke schepping. De geestelijke schepping wordt als het hoogste geschapene beschouwd, maar ook het ongeordende had geen recht om te bestaan als God het niet gewild had, omdat dit ook uit God voorkomt.

Hierna gaat Augustinus in op de verdienstelijkheid van een geestelijk schepsel, wat meer verwant is met de afgrond dan met God. Alleen het woord waardoor het ontstaan is, kan hem weer tot het Woord terugroepen om daardoor verlicht te worden en licht te zijn. Hierbij wordt direct vermeld dat het niet gelijk is aan God, maar wel naar Zijn beeld. Dit wordt krachtig bijgezet door een kernachtig voorbeeld. Een lichaam is niet gelijk aan het schoon zijn. Als dat zo was dan kon het niet lelijk zijn. De ziel wordt geschetst als de kern van het geestelijk schepsel. Die zich afgekeerd heeft van God – ‘ons Licht’ – en zonder God in de duisternis leeft en in dit leven met de resten van deze duisternis blijft zitten. Totdat de rechtvaardigheid Gods ons toegerekend wordt.

De schepping van licht – ‘Er zij licht’ – wordt in verband gebracht met de geestelijke schepping. Waarbij een zekere vorm van leven (de ziel) verlicht kon worden, door zich naar het licht toe te keren. Waarbij zowel het bestaan (de schepping van de ziel) en het geluk (de verlichting van de ziel) alleen aan de genade van God te danken is.

Weer wordt de grootheid en goedheid van God aangehaald. Augustinus beschrijft hoe er niets in de mens is wat moest dienen om iets - een onvolkomenheid - op te vullen in God wat er niet was. ‘Dit leven moet zich naar de Schepper toekeren om Uw licht het licht te zien’.

Schepping door de Drie-Enige (V – X)
Augustinus gaat in op de Drie-eenheid. Hierin gelooft hij en hij toont dit aan door in de naam God, de Vader te zien, die dit alles geschapen heeft. En in het woord Begin, wordt de Zoon gezien, in wie God alles gemaakt heeft. (Hierbij zijn veel overeenkomsten te zien tussen het spreken van Augustinus en de woorden uit het begin van Johannes 1: “1 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. 4 In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen. 14 En het Woord is vlees geworden.”) Waarna Augustinus verwijst naar de Geest Gods die zweefde op de wateren. Dit is zijn God, Drie-Een. ‘Zo heb ik dan de Drievuldigheid, mijn God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, de Schepper van geheel de schepping’. 

De hoogheid van Geest wordt uitmuntend getekend. Waarom komt deze Geest pas in de Schrift naar voren nadat de hemel en de aarde genoemd zijn? Is de Geest ondergeschikt? Deze vraag lost Augustinus op door de hoogheid van de Geest aan te duiden. Niet zwevend boven de Vader of de Zoon, waardoor een rangorde zou worden verondersteld. Maar boven de aarde en daarom moest de aarde eerst benoemd worden.

Het zweven van de Heilige Geest wordt uitgelegd als zijnde de liefde tot God die door de Heilige Geest is uitgestort in onze harten. Opdat wij de liefde van Christus zouden kennen die boven alle liefde uitgaat. Dit is het werk van de Heilige Geest en daarom zweefde deze vanaf het begin boven de wateren. Om ons boven onze beslommeringen en hartstochten, waardoor wij afglijden, op te heffen naar boven en zo te komen tot de uitnemende rust.

Aan deze rust zijn we niet gehoorzaam gebleven. Door de val van een deel van de engelen en de mens wordt aangetoond dat er in deze schepselen geen licht is. Het Licht is uit God. (Johannes 1:4) Hierin wordt de grootheid van God getoond in de geestelijke schepping. Om de rust te vinden is alleen God, het Licht nodig. Zonder God gaat het slecht, van buiten als ook van binnen. En elke overvloed die niet mijn God is, (hij laat hier zien dat het alleen om zijn God gaat) is armoe voor mij. 

Waarom wordt alleen van de Geest Gods gezegd dat Deze zweefde boven de wateren? Augustinus toont aan dat alles, het stoffelijke, een plek zoekt. Door het gewicht streeft het naar een plaats en vindt het op die plaats rust. Hiermee toont hij aan dat de Heilige Geest geen rust zoekt, omdat het zweven boven de wateren concreet geen plaats is, maar dat de Heilige Geest de gave Gods is waardoor wij tot rust kunnen komen. Door die Gave ontvlammen wij en worden we opgeheven naar boven. 

Het geestelijke schepsel is welgelukzalig omdat zij door het nooit aflatende Licht, licht is geworden. Waarbij hij de goedheid en grootheid van God niet vatten kan. En hierbij wijst Augustinus weer af van zichzelf, want hij is het niet die ook maar iemand licht kan geven.

Een drieslag in onszelf: zijn, weten, willen (XI)
Augustinus belicht de Drie-Eenheid vanuit de drieslag in ons zelf. Om zo ook maar een nietige voorstelling te maken van de Drie-Eenheid. Dit doet hij aan de hand van 3 woorden: zijn, weten en willen. Ik ben, ik weet en ik wil. Ik ben een bewust en willend wezen; ik weet dat ik ben en dat ik wil; ik wil zijn en weten. Hoe onlosmakelijk zijn deze aan elkaar verbonden. Eén leven, één geest en één zijn. Kernachtig uitgedrukt in een onscheidbaar onderscheid en toch een onderscheid. Hoe is te vatten dat er een onveranderlijk bestaan, weten en willen is. Kun je hiermee de Drie-Eenheid verklaren? En moet je dan Drie in Eén of Eén in Drie verklaren of beide? Augustinus houdt hier op en eindigt met de vraag: ‘Kan iemand dit echt vatten met zijn verstand?’

De schepping als allegorese van de kerk (XII – XIV)
Zinnebeeldig gaat Augustinus in op de eerste bijbelverzen. Wij waren, voordat wij de gedaante van de leer ontvingen, onzichtbaar en ongeordend, gehuld in duisternis. Terwijl de Geest zweefde boven de wateren, verliet Uw erbarmen ons niet en zei “Daar zij licht” en riep u op tot bekering en daarom hebben we ons naar u toegekeerd. En waar wij eertijds duisternis waren, zijn wij nu licht in de Heere.

Dit is echter een hoop en geen aanschouwen. Het einde is nog niet, hij hijgt als een hert naar de waterstromen, naar dat ingaan in het hemelse koninkrijk. Niet voor zichzelf, maar om de Bruidegom te aanschouwen waarbij de tranen zullen voorbij gaan en er geen verantwoording meer hoeft afgelegd tegenover de mensen die blijven vragen “Waar is uw God?”

En met deze vraag keert Augustinus weer in tot zichzelf; het is ook zijn vraag. Maar uit de hoop en uit het geloof weet hij dat er een God is. Dat hij eerst ook zo was en de zonde en ongeloof nog steeds in hem woont. Maar hij ziet hogerop op de toekomst die dit sterfelijke lichaam tot leven zal brengen door de Geest. Waarbij God alleen kan oordelen en weet wat er in een ieder leeft. De uitverkiezing laat Augustinus boven alles staan. Want God heeft macht om Zich te maken vaten ter ere en ter onere.

De Schrift als firmament van gezag (XV – XVI)
De bijbel is als een ‘kleed’ geschonken door God en verheven boven de aarde, zoals ook na de zondeval de vellen om onze lichamen. De bijbel is door tussenkomst van sterfelijke mensen opgesteld en uitgespannen als een hecht dak van gezag over alles hierbeneden. De grootheid van het woord die afrekent met alle trots, alles wat van de mens is, wordt door Augustinus erkend en dit brengt hem tot belijdenis en doet zijn nek buigen onder Zijn juk.

In een alleszeggende uitbeelding laat Augustinus zien dat boven het gezag van het woord de engelen leven. Die altijd lezen en wat ze lezen is blijvend. Ze lezen bewust en met liefde Gods raadsbesluit. Want dat Woord is God zelf. Het woord boven de aarde zal worden ‘opgevouwen’ en de hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Gods woord zal bestaan tot in eeuwigheid. Maar pas bij de verschijning van Hem zullen we zien wie Hij is. Want wie is Hij? Dat kan alleen God zelf maar weten die onveranderlijk zijt en weet en wilt. Hierbij grijpt Augustinus weer terug op de Drie-Eenheid. ‘Want bij U is evenzeer de bron van het leven als wij in Uw licht, het Licht zullen zien’. 

Bittere wateren vol ongeloof (XVII)
Zoals de Heere de zee in toom heeft en bepaalt het onderscheid tussen land en zee, zo worden ook de slechte begeerten van de mensen aan banden gelegd en bepaalt God tot hoever ze mogen gaan. Dit is het geordende gezag Gods over alle dingen.

Vruchtbare aarde (XVIII)
De aarde moet haar vreugd voortbrengen en daarom besproeit God de zielen die naar Hem dorsten vanuit een verborgen en zoete bron. Hierdoor zijn er de werken van barmhartigheid welke ontstaan vanuit God (Gods mededeelbare eigenschappen). Volgens een eeuwig raadsplan wordt vanuit de hemel op de juiste wijze aan de aarde gegeven wat nodig is. En worden er ‘lichten’ uitgezonden onderworpen aan het gezag van de schrift.

En zo worden door de Geest zelf gaven geschonken aan mensen van wijsheid, kennis, geloof, genezing. Waarbij de wijsheid door Augustinus wordt gezien als het licht van de dag. En de kennis als de maan en de overige gaven als sterren aan hemel. Om zo alle mensen te kunnen verlichten.

Lichten aan de hemel tot licht op de aarde (XIX)
Eerst moet de ‘aarde’ gereinigd worden, dan zal zij vrucht kunnen dragen. Hierbij verwijst Augustinus naar het Pinksterfeest waarbij de vlammen van vuur op een iegelijk van de apostelen neerkwam. Waarbij ze werden uitgezonden over de gehele wereld.

Kruipende dieren en vogels (XX)
Zinnebeeldig wordt ook gesproken dat vanuit de Zee ‘levend gewemel’ voortgebracht moet worden. De zee die geschetst werd als de verbittering van de volken. Ook hieruit moet leven komen door de lichten die over de aarde gaan. Hierbij wijst Augustinus op de wonderlijke werken van God dat er voor Hem niets te wonderlijk is.

Levende ziel (XXI)
Maar de ‘levende ziel’ zal voortgebracht worden op het land. Hier zal zij onderwezen worden, en krijgt het de Vis die uit de diepte is opgehaald en dient tot voedsel voor de gelovigen. Het land is gelovig en afgescheiden van het bittere water van de zee van het ongeloof. Zo leidt God zijn volk vanuit de zee van ongeloof naar het land van geloof. ´En onderwijs hen op het land door uw dienaren zodat de gelovigen er door onderwezen worden en een afscheiden leven ver van de wereld kunnen leven´ Hierbij wijst Augustinus op de grote kracht van de wereld waar we ons ver van moeten houden en dat we eerst God moeten zoeken, dan zal onze ziel opleven. 

Gods beeld en gelijkenis (XXII – XXIII)
Vervolgens wordt gewezen op hoe we geschapen zijn. Niet naar een bepaalde aard, maar naar Ons beeld en Onze gelijkenis, om te beproeven wat de wil van God is. Waarbij door God geleerd wordt de Drievuldigheid van de Eenheid en de Eenheid van de Drievuldigheid. Hierbij worden de volgende bijbel gedeelten aangehaald “laat Ons mensen maken – God schiep de mens” en “naar Ons beeld – naar het beeld Gods” Zo wordt de mens vernieuwd naar het ware kennen van God. Het komt de mens niet toe te oordelen over de kennis Gods, over de bijbel en hier wijst Augustinus naar de hoogheid van God. Vertrouwend dat alles in de bijbel waar is en indien dit niet begrepen wordt, dit aan ons verduisterde verstand ligt. We moeten ook niet in Gods plaats gaan staan om te oordelen over mensen die verkoren zijn en niet. Omdat we in Gods plaats niet kunnen staan. De mens kan oordelen en heeft macht over de vogelen des hemels, vissen der zee, over alle vee het land en de kruipende dieren.

Gods zegen (XXIV) 
Hoe moet het vervolg van de schepping worden verstaan? Wat houdt het in dat God gezegd heeft “wees vruchtbaar en vermenigvuldig”? Het licht, de aarde, de zee hebben deze zegening niet. Daarentegen kunnen de vissen, vogels en andere zichzelf voortplantende wezens zich wel vermenigvuldigen. Augustinus vraagt zich de diepere betekenis af voor de mens. En dan volgt een uitleg zoals alleen Augustinus die geven kan. (Hier volgt een passage uit de vertaling van Wim Sleddens waarin het helder en duidelijk vertaald wordt) ‘Ik weet dat je concreet op veel manieren kunt weergeven wat de geest op één manier verstaat, en dat de geest veel manieren heeft om iets te verstaan wat concreet op één manier wordt weergegeven. Neem het simpele voorbeeld van de liefde tot God en tot de naaste. Concreet kun je die met heel veel tekens tot uitdrukking brengen, in ontelbare talen en in elke taal weer op heel veel verschillende manieren. Op deze manier groeit en vermenigvuldigt zich nieuw leven in de wateren. En let eens op, lezer: Wat de Schrift op één manier zegt met de woorden: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde,’ op hoeveel manieren wordt dit niet verstaan zonder dat er van een verkeerd interpreteren sprake is? Deze interpretaties zijn dus allemaal waar. Zo groeit en vermenigvuldigt zich het nieuwe leven onder de mens.’

Vreugde van het geven (XXV – XXVII)
Doorgaand in de lijn van de schepping wordt vervolgens ingegaan op de vruchten die voortgebracht worden door de gewassen. Waarbij Augustinus opmerkt dat het de woorden van God zelf zijn die hem deze dingen ingeeft en hij ze daarom op schrift stelt. Deze vruchten dienen als vrucht van barmhartigheid. Er zijn echter ook bomen die niet de verwachte vrucht opleveren. Zoals Paulus die voor keizer Nero alleen stond en niemand van zijn medehelpers met hem was om te helpen. Augustinus gaat echter ook in op de blijdschap van Paulus door het genieten van de vrucht zoals in Filippenzen 4:10 is verwoord: ‘ik ben grotelijks verblijd geweest’. De vraag hierbij is waarom hij blij was. Omdat de gaven die de Filippenzen hem gaven ten diepste uit God kwamen en dit vruchten van Gods akker waren. Hierbij tekent Augustinus het onderscheid aan tussen de giften en vruchten. Een gift geef je omdat die nodig is, een vrucht is de goede en oprechte bedoeling van de gever. En nu gaat Augustinus nog een stap verder. De vissen en zeemonster/walvissen krijgen van de vrucht niet. Omdat zij buitenstaanders en ongelovigen zijn. Deze mensen kunnen Gods dienaren wel helpen, maar verstaan ten diepste niet waarom ze dit doen en waarom het gaat. En daarom eten deze mensen de vrucht niet die op het land wordt voortgebracht.

Alles heel goed (XXVIII – XXXIV)
De grootheid en de goedheid van de schepping worden aangeduid in de woorden ‘God zag dat het goed’ was en aan het einde van de zevende dag, de totale schepping omvattend ‘dat het zeer goed was’. In de bijbel wordt gesproken over het zien na elke dag, in de tijd, maar bij God is geen tijd. Wat wij mensen zeggen is in de tijd, maar wat God zegt is buiten de tijd. Daarnaast gaat Augustinus hier nog kort op het Manicheïsme die zegt dat de tegenstander van God ook heeft geschapen, maar hier rekent Augustinus mee af door te zeggen dat ze het scheppingswerk Gods niet zien door Uw Geest en dat daarom God ook niet herkend wordt. Het is iets anders om iets goed te zien en het ook goed te vinden. Het moet erom gaan dat we in de schepping God vinden. Want door God zien we dat alles wat een vorm van bestaan heeft goed is. In deze schepping dankt Augustinus God voor alles wat geschapen is en in het bijzonder de mensheid die geschapen is met gaven van verstand en inzicht om heerschappij te hebben over de redeloze dieren. In zijn aard ligt een dubbele aanleg. Die van nadenken en heersen en van gehoorzamen en leiding. En hierbij verwijst Augustinus naar de plaats van man en vrouw. Door geest en inzicht is de vrouw van nature gelijk aan de man, maar door haar geslacht is zij ondergeschikt. En zo wordt alles, zowel afzonderlijk als in het geheel als heel goed gezien. 

De zevende dag (XXXV – XXXVIII)
Augustinus eindigt zijn Confessiones met een bede “Geef ons ook deze vrede” die hij toepast op de zevende dag. Die hij weergeeft als de vrede. De vrede van de rust, de vrede van de sabbat. De zevende dag die geheiligd is om eeuwig te duren. Zoek die rust bij God, die rust is en rust kan geven. Dan kun je ontvangen, dan kun je vinden en dan zal er worden opgedaan. 

Afsluiting

Dit was het laatste hoofdstuk uit de Confessiones geschreven door Augustinus. Hij heeft ons een blik gegund in zijn persoonlijke geloof. Hij heeft zich laten kennen als een zoekend mens: het gaat hem in dit werk om het begrijpen wie God voor hem is.

Wij besluiten deze inleiding met een aantal uitspraken van Augustinus die hem kenmerken, om vervolgens te eindigen met een gebed verwoord door Dr. M.A. van Willigen in zijn gebedenboek waarin hij een selectie heeft gemaakt uit de belijdenissen van Augustinus. 
  • ‘Bevraag de prachtige aarde, bevraag de prachtige zee, bevraag de prachtige lucht, rijkelijk over alles uitgespreid. Bevraag de prachtige hemel, bevraag de sterrenconstellatie, bevraag de zon die de dag met haar helderheid glans geeft, bevraag de maan die het duister van de daaropvolgende nacht met haar pracht tempert. Alle zullen u antwoorden: ‘Kijk! Wij zijn prachtig.’ Hun pracht is hun getuige. Wie anders dan de Grote Onveranderlijke Schoonheid heeft deze prachtige veranderlijke dingen gemaakt?’
  • ‘Gij hebt ons gezocht, opdat wij U zouden zoeken’. 
  • ‘Wij houden van de wereld, maar de Schepper van de wereld moet voorgaan. De wereld is groot, maar de Schepper is groter. De wereld is mooi, maar de Schepper is mooier. De wereld is aantrekkelijk, maar de Schepper is aantrekkelijker. De wereld is slecht en… de Schepper van de wereld is goed!’
  • ‘Aangezien de Almachtige God oneindig goed is, zou Hij op geen enkele wijze enig kwaad in Zijn werken laten voortbestaan, als Hij niet zo almachtig en goed was om ook uit het kwade het goede te laten ontstaan.’
  • ‘Ik geloof, omdat het tegen mijn verstand ingaat. Deed het dat niet, dan had ik het geloof niet nodig, maar zou mijn verstand voldoende zijn.’
  • ‘Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U’. 
  • ‘De afgrond van het geweten van de mens ligt open en bloot voor uw ogen, Heer. Wat zou er in mij voor U verborgen kunnen blijven, zelfs als ik het u niet zou willen belijden? Ik ben gewoon een open boek voor U, Heer, hoe ik ook ben’.
  • ‘Wat bent U dan, mijn God? Wat bent U anders dan God de Heer, vraag ik mij af? Wie is er nu Heer naast de Heer? En wie is er God naast onze God? U bent de hoogste en de beste’

Gebed: U roep ik aan, U wil ik eer bewijzen

U roep ik aan, mijn God en mijn ontferming,
U, Die mij gemaakt hebt en mij, die U vergeten had,
Niet vergeten hebt. (Want U, Heere, zag naar mij om.)

U roep ik aan (o God) om in mijn hart te komen.
U bent het immers, Die mijn hart bereid maakt,
Door het verlangen (naar U) dat U erin gewerkt hebt.

Verlaat mij niet (o Heere, mijn God), nu ik tot U roep,
U, Die eerder kwam (dan verwacht), nog voordat ik tot U riep,
U, Die niet ophield (om mij) met allerlei stemmen te roepen,
Opdat ik U van verre zou horen en mij zou bekeren
En U zou gaan aanroepen, zodra U mij roept (o almachtige, eeuwige en barmhartige God).

Immers, U hebt mij (ten diepste) niet eens nodig, en ik – een zondig mens –
Heb niet die kwaliteiten in huis dat U zo
Door mij geholpen zou kunnen worden,
Mijn Heere en mijn God, of dat ik U zo zou kunnen dienen,
Dat U als het ware niet vermoeid zou raken in Uw werk of
Dat Uw macht minder groot zou zijn
Als U mijn gehoorzaamheid moest missen.

Of dat ik U zo zou vereren, zoals men ook een akker bewerkt,
Dat U dus onvruchtbaar zou zijn als ik U niet vereer (o God)!
(Heere, mag ik zo zijn dat ik U dien en eer)
Opdat ik het goede geniete van U.
Het feit allen al dat ik er ben, ook dat is een gave van U.
En nu ik er ben, mag ik ook het goede van U genieten.
(n.a.v. Augustinus, Confessiones boek XIII)