Lezing: ‘En zie, meer dan Jona is hier!’, Lezing vrouwenvereniging GG-Beekbergen


Mevrouw de voorzitter, geachte leden van de vrouwenvereniging,

Hartelijk dank voor uw uitnodiging om te komen spreken over het Bijbelboek Jona. Het is een voorrecht om samen na te mogen denken over dit bijzondere Bijbelboek. De meesten van u ken ik van gezicht. Sommigen van u ken ik persoonlijk. Maar wie we ook zijn, van binnen zien we er allemaal hetzelfde uit. Van binnen zijn we niet zo mooi. Van binnen zijn wij niet anders dan de profeet Jona. Van nature zijn ook wij zondige weglopers. Maar tegen deze droevige zelfomschrijving, schittert de genade van de Verbondsgod! En als u vanavond maar één ding onthoudt, laat het dan dit zijn: de HEERE, de Verbondsgod, is genadig! Niet om iets uit de mens, maar omwille van de Heere Jezus Christus, Die Zichzelf eens heeft vergeleken met de profeet Jona, maar er tegelijkertijd bij zei: Zie, meer dan Jona is hier! Deze lijn naar Christus wil ik, met de hulp van de Heilige Geest, vanavond voor u uitschilderen.

Ik heb de lezing over Jona in twee delen verdeeld: 

1. Jona en wij
2. De meerdere Jona 

Boven de lezing schrijven we: En zie, meer dan Jona is hier!


1. Jona en wij
In dit eerste gedeelte wil ik het Bijbelboek in grote lijnen met u doornemen. Hierbij kan ik natuurlijk niet alles behandelen. Daarom zal ik alleen de meeste opvallende zaken uit het Bijbelboek Jona noemen, waarbij de nadruk zal liggen op de eerste twee hoofdstukken.

We beginnen in hoofdstuk 1. Daar opent het Bijbelboek met de volgende woorden: En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai. 1:1. Het woord van de HEERE, de Verbondsgod, komt tot Jona. Het is opvallend dat de Heere zowel het eerste als het laatste woord heeft in het Bijbelboek Jona. Dat is ook zo in ons leven. Hij bepaalt het begin, de gang en het einde van ons leven. Dat was bij Jona zo en dat is bij ons ook zo. 

Maar wie was Jona eigenlijk? Jona was een profeet, een dienstknecht des Heeren. Hij was een zoon van Amitthai uit Gath-Hefer, een dorpje in het noorden van Israël.[1] Jona’s naam betekent ‘duif’ en Amitthai betekent ‘waarheid/gerechtigheid’. Wij komen de profeet Jona voor het eerst tegen in 2 Koningen 14:25. Daar is hij een getrouwe profeet, die zijn taak nauwgezet volbrengt. Hij brengt de woorden van de Heere over aan koning Jerobeam II. Jerobeam II (793-753 v. Chr.) regeerde over het noordelijke koninkrijk van Israël. Jerobeam was geen vrome koning en de godsdienst was, ondanks het werk van de profeet Elia, nog steeds niet wat het wezen moest. Desondanks moest Jona, opmerkelijk genoeg, aan Jerobeam II gaan vertellen dat de Heere hem zou gaan helpen om het oude grondgebied van Israël terug te veroveren op de Assyriërs. Helaas zou ook deze zegening de Israëlieten niet terugbrengen tot de Heere. Wat een les ook voor ons. Als ik vanavond aan u zou vragen: Heeft de Heere u gezegend?, dan zou u waarschijnlijk niet weten waar u beginnen moet met vertellen. Wat is de Heere goed voor zondige mensen! Dat is wis en waarachtig geen vanzelfsprekendheid als we zien op wie we zijn voor de Heere. Wat een wonder dat de Heere redenen uit Zichzelf neemt, ziende op het volbrachte werk van Christus.

Terug naar Jona. Ditmaal mag hij geen blijde boodschap brengen zoals bij Jerobeam II, maar een oordeelsprediking aan Ninevé. De stad Ninevé lag in Noord-Mesopotamië bij de rivier de Tigris, in het huidige Irak. Hoewel de Bijbel met Uitleg anders vermeldt, was Ninevé ten tijde van Jona niet de hoofdstad van het Assyrische rijk.[2] Het was wel een belangrijke en grote stad waar de koning zich zo nu en dan terugtrok in een van zijn paleizen. Ninevé was ook een rijke stad, met talloze tempels, een grote bibliotheek en zelfs een heuse dierentuin(!). Maar naast hun rijkdom stonden de mensen uit Ninevé ook bekend om hun agressiviteit en arrogantie.[3] En naar deze stad met deze gevaarlijke mensen wordt de profeet Jona gestuurd. Wat zal hij geschrokken zijn toen hij deze opdracht kreeg van de Heere. Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. 1:2 Het is opvallend dat in deze oordeelsprediking helemaal geen Evangelie, geen blijde boodschap doorklinkt. Je zou verwachten dat Jona deze vreselijke boodschap maar al te graag zou willen brengen. De Heere is immers van plan de stad te gaan straffen. Die boodschap zal Jona vast wel willen brengen. 

Maar niets is minder waar. Jona twijfelt geen moment en vlucht er vandoor. In gedachten zien we hem snel wat spullen bij elkaar pakken. Zo snel als hij kan vlucht Jona zo ver mogelijk weg van Ninevé. Alles liever dan naar die gevaarlijke, vijandige stad te moeten. Is Jona bang geweest om zijn leven te verliezen? Misschien wel en daar had Jona ook alle reden toe. Iemand vergelijk eens Jona’s opdracht om naar Ninevé te gaan met een joodse man die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog naar Berlijn moet gaan om daar Hitler tot de orde te roepen. Ondoenlijk. Gevaarlijk. En toch, de levende God vraagt het. Zou Hij Jona dan niet kunnen beschermen? Jona denkt er niet eens over na. Straks zullen we uit de mond van Jona de precieze reden horen waarom hij niet naar Ninevé wilde. Maar op dit moment lezen we alleen dat Jona zich opmaakte om naar Tarsis te gaan. Tarsis lag waarschijnlijk in het huidige Spanje en was precies de tegenovergestelde richting op van Ninevé.

Wat ligt hier ook een pijnlijke les in voor ons. Ook wij vluchten sinds de zondeval weg voor de Heere. Denk maar aan Adam en Eva. Ze gingen zich voor de grote Schepper aller dingen verstoppen in de bosjes. Wat droevig! Hoe lang ‘verstopt’ u zich al voor de Heere? 20, 50, 80 jaar? U zegt: Ik heb te erg gezondigd, voor mij kan het niet meer! En voor Jona dan? U zegt: Ik weet niet of de Heere mij de zonden wel wil vergeven! En de zonden van de mensen uit Ninevé dan? Zo, gij Zijn stem dan heden, vanavond?, hoort, verhard u niet maar laat u leiden. 

Bent u soms ook weleens zo bang dat als de Heere u maar gerust laat leven u nog eens voor eeuwig omkomt? Wat een wonder is het dan dat de Heere ook anno 2015 nog in wil grijpen in mensenlevens. Nog stormen op de zee van het leven wil werpen. Nog zondaren in de schuld wil brengen met Zijn prediking van Wet en Evangelie. 

Met Zijn heilige Wet die tot allen zegt: Van u geen goed meer in der eeuwigheid! Afgelopen, verzondigd, hopeloos, vervloekt, dood en hel verdiend. Maar ook met Zijn heilig Evangelie: Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Smerige en vuile zondaren vrijgekocht met het kostbare bloed van Christus. En Zijn bloed is nog warm en Zijn hart klopt nog steeds. En het is eeuwig waar wat Calvijn eens zei: ‘De Heere sluit niemand buiten, die zichzelf niet buiten sluit!’ Val Hem dan te voet en leef. Vanavond schittert de genade van de Verbondsgod. Niet Jona, niet Ninevé, geen walvis, maar God Zelf staat in het middelpunt van het Bijbelboek Jona.

Maar Jona ziet dat (nog) niet. Hij besluit te vluchten. Weg van het aangezicht van God. Weg van Ninevé. In gedachten zien we hem gejaagd rennen richting de havenstad Jafo. Jafo is een andere naam voor Joppe. Koortsachtig zoekt Jona een schip, betaalt de prijs en gaat aan boord. Dit laat goed zien hoe radeloos Jona was. Israëlieten waren geen geboren zeelieden en waren vaak bang voor water. In het Oude en Nieuwe Testament staat het water vaak symbool voor zonde en dood. Toch besluit Jona aan boord te gaan. 

Hier moeten we even pas op de plaats maken, want ook hierin ligt een belangrijke les verborgen. Jona vlucht namelijk niet alleen van God, hij verlaagt zich ook steeds dieper. Wij zouden zeggen: hij werkt zich meer en meer in de nesten.

De Statenvertaling vertaalt dit als volgt: Jona ging af naar Jafo, gaat aan boord en gaat het ruim binnen. Dit staat er niet voor niets. Jona verlaagt zich steeds dieper. Straks zal de Heere hem nog lager brengen door hem in de diepte van de zee te werpen en de vis te laten afdalen naar de diepte van de zee. Zo gaat het met iedere zondaar. Wie zich afkeert van de Schepper brengt zich alleen maar verder in de narigheid. Dat zien we bij de Adam en Eva, Jakob en Izak, David en Uria, Ananias en Saffira, bij Judas, enzovoort. Het klopt wat Paulus zegt: de bezoldiging (het loon, het gevolg) van de zonde is de dood (Rom. 6:23a). Maar bovenal zien we de vernietigende kracht van de zonde op de kruisheuvel van Golgotha. Daar is Gods toorn tegen de zonde neer gebliksemd op Zijn lieve Zoon, Die geen zonde gekend noch gedaan had. Hij is daarom voor allen die Hem gehoorzaam zijn een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden (Hebr. 5:9).

Jona vlucht. Zijn geweten zal hem ongetwijfeld parten hebben gespeeld, want we zien dat hij vrijwel direct in een diepe slaap valt. Dit gebeurt vaker bij mensen die te maken hebben met grote (psychische) zorgen. Het menselijk lichaam schakelt zichzelf dan als het ware uit. Bij Jona zien we dit ook gebeuren, want zijn slaap is ongezond diep. We lezen in vers 4 namelijk dat de Heere een grote wind op de zee werpt. De zeelieden schrikken hier geweldig van. Hoe kan dit nu? Het is helemaal geen stormseizoen en nu dit! Bovendien zie je vaak voortekenen van een storm, maar deze storm is er ineens. Ze voelen wel, dit heeft geen natuurlijke, maar een bovennatuurlijke oorzaak. Snel, haal de zeilen neer, aan de riemen! Matroos, waar is onze gast? Die ligt nog te slapen, schipper! Snel rent de schipper, de kapitein, naar de kajuit. Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God; misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan. Jon. 1:6 Wat zal er door Jona heengegaan zijn? Nog maar net bekomen van de diepe slaap ziet hij de huizenhoge golven. Het scheepje kraakt vervaarlijk. Hier wordt Jona geconfronteerd met de zonde. En hij niet alleen.

Ook hierin ligt weer een les. Wij zondigen nooit goedkoop. Wij storten onszelf en onze kostbare ziel in het ongeluk en het brengt anderen dikwijls in gevaar. Zondigen schaadt onszelf, maar ook onze naaste. Roddel, haat, ruzie, onreinheid maken het liefste wat wij hebben kapot. Onze zonden zijn de doornen in het voorhoofd van de Zaligmaker en de nagels door Zijn handen. Handen die alleen maar gebeden, gezegend en goed gedaan hebben. 

Jona moet bidden van de schipper, maar hij kan niet bidden. De puritein G. Swinnock zei eens: ‘De zonde is een blokkade voor het gebed. Wanneer de zonde van de bidder voor Gods ogen is, kan Hij het gebed niet horen. Onze zonden roepen luider dan onze gebeden. De kleinste zonde, geliefd en gekoesterd, zal onze gebeden verhinderen. Als een mens gewond is geraak door een pijl of een kogel, zal deze eerst uit het lichaam gehaald moeten worden, voordat het verband wordt aangebracht.’[4] Daarom moeten wij onze zonden belijden én laten. Voor Jona stond er teveel tussen. Daarom lezen wij nergens dat hij gaat bidden. Wat pijnlijk! De heidense zeelieden bidden wel. De profeet, wij zouden zeggen de dominee, bidt niet.

U weet hoe het verder is gegaan. De loten zijn geworpen en Jona werd als schuldige aangewezen. Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en van waar komt gij? Welk is uw land en van welk volk zijt gij? 1:8 De zeelieden ondervragen Jona, die niet langer kan zwijgen. En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreeër; en ik vreze den HEERE, den God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft. 1:9 De belijdenis van Jona klinkt orthodox. Wij zouden zijn belijdenis rechtzinnig noemen. Maar meent Jona het wel? Want als hij gelooft in de HEERE, den God des hemels, Die alles geschapen heeft, waarom vlucht hij dan?! Je kan voor zo’n God toch niet vluchten? Ook hier ligt weer een les voor ons in. Als mensen ons vragen in Wie wij geloven, wat zeggen we dan? Komen onze woorden dan uit ons hart of uit het catechisatieboekje? De Heere ziet het hart aan. Onze woorden en daden moeten overeenstemmen. Dat zien we hier.

Maar wat een wonder! De zeelieden geloven in zijn belijdenis. Ondanks dat Jona’s leven niet in overeenstemming is met zijn woorden. De zeelieden geloven dat de HEERE, de Verbondsgod een machtig God is voor wie ze niet kunnen vluchten. Jona ziet het aan. Hij ziet de zeelieden vechten voor hun leven en dan realiseert hij zich: dit gaat zo niet langer. Mannen, neem mij op en gooi mij in de zee. Alleen zo zal de zee stil worden. Maar deze heidenen, waar de joden en ook Jona zich te goed voor voelden, blijken genadig te zijn. Jona had geen genade voor de heidenen van Ninevé, maar deze heidense zeelieden hebben dat wel voor Jona. 

Toch gaat het zo niet langer. De zee wordt al wilder en wilder. De zeelieden smeken de HEERE om hun het bloed van Jona niet toe te rekenen. Dan pakken ze Jona op en gooien hem overboord. Meteen staat de zee stil van haar verbolgenheid. Weer zo’n wonder. Normaal is de zee dagenlang onrustig na een grote storm. Hier niet. De hitte van Gods gramschap is geblust. Dit maakt een diepe indruk op de heidense zeelieden. 

En Jona? Hoe is het met Jona? Is hij nu verloren? Hij dacht van wel. Nu is het over. Hij had het ernaar gemaakt. Voor zijn zonden is geen vergeving meer mogelijk. En toch, daar gebeurt het wonder. De HEERE nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten. 1:17 De Heere had Jona ook kunnen redden door een gigantische golf of door een stuk wrakhout, maar Jona moest hier een hoger doel dienen. Zijn verblijf in het ingewand van de vis moest heenwijzen naar Christus, Die eens drie dagen in het graf zou zijn. Maar hierover in het tweede punt straks meer.

Wat zal er door Jona heengegaan zijn toen hij in de maag van de vis zat? In hoofdstuk 2 lezen we dat Jona de Heere gaat danken. Dit is een bijzonder gebed. We lezen het eerst samen. 

1 En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis.
2 En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoorde mijn stem.
3 Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeën, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.
4 En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
5 De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.
6 Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!
7 Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.
8 Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.
9 Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.

Valt het u ook op? Jona dankt de Heere dat hij gered is. Dat lezen we in vers 6b. Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God! Hieruit blijkt dat Jona een tere omgang met de Heere kende. Hij zegt Mijn God. Dat zien we ook in vers 7b. Mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid. Ook hierin ligt weer een les. Ons gebed wordt door God veel zekerder gehoord dan wij in ons hart gevoelen. Zelfs, of misschien juist, tijdens de donkerste momenten in ons leven. Tot slot valt ook vers 9 op. Terwijl Jona nog in de vis zit, dankt hij al voor zijn bevrijding(!). Bijzonder! Hij bidt niet voor zijn bevrijding, of dankt dat de Heere hem gaat bevrijden, nee, hij dankt dat de Heere hem al heeft bevrijd(!). Wat een geloofsvertrouwen!

Ik moest hierbij denken aan een christelijke gemeente in Amerika. Er was tijdenlang grote droogte geweest. De oogst dreigde te mislukken. De dominee riep de gemeente daarom op om naar de kerk te komen om de Heere te smeken om regen. In de grote stoet die naar de kerk liep zag de dominee een klein meisje lopen. Ze was de enige die een paraplu had meegenomen. Wat een geloofsvertrouwen! Ze was overigens ook de enige die na de dienst droog thuiskwam. 

In vers 10 lezen we de uitkomst van Jona’s gebed: De HEERE nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge. 

We weten hoe de geschiedenis van Jona is afgelopen. Hoe hij kwaad werd op Gods genade voor de mensen van Ninevé. Hoe hij verdriet had over de wonderboom. Hoe hij zichzelf dood wenste omdat de aartsvijanden van gered werden. Wat een schande voor Jona en voor Israël. Nee, dit Bijbelboek laat weinig heel van de mens die alleen zichzelf op het oog heeft. Hoe schittert hier tegenover de genade van de Verbondsgod! Dat brengt ons bij ons tweede punt.

2. De meerdere Jona
Waarom staat dit kleine Bijbelboek eigenlijk in het Oude Testament? Om te laten zien dat het verkeerd afloopt als wij de Heere ongehoorzaam zijn? Ja, dat ook. Om te laten zien dat er voor de grootste van de zondaren nog vergeving mogelijk is? Ja, dat ook. 1 Tim. 2:3-4 getuigt daar ook van: Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker; Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen. 

Het bovenstaande is allemaal waar. Moge de Heere, de God van Abraham, Izak, Jakob en Jona deze waarheid aan ons hart zegene. En toch, er is nog een reden waarom het Bijbelboek Jona in de Bijbel staat. Dwars door Jona’s ontrouw en de zonde van Ninevé schittert nog iets. Of beter gezegd, Iemand. 

Door de donkere schaduw van Jona’s ontrouw, licht de Morgenster Jezus Christus des te helderder op. Jona wilde niet gaan naar Ninevé, naar de heidense afgodendienaren, gaan. De Heere Jezus Christus ging vrijwillig naar de aarde. Naar mensen zoals u en ik. Jona was bang om te sterven, maar overleefde zijn tocht naar Ninevé. De stad bekeerde zich en God voltrok het oordeel niet. Jezus Christus wist dat Hij zijn gang naar de aarde niet zou overleven. Hij zou de vervloekte en smadelijke dood aan het kruis sterven. Toch ging Hij, gewillig om te lijden en sterven en zo de heilige Wet van God te volbrengen.

Jona moest overboord door zijn zonde. Ook bij Christus gingen de golven en baren van de zonde, van onze zonden, over Hem heen. Christus onderging het kruis en ging onder aan het kruis. Bij Jona zien we eigenliefde en zelfbehoud. Bij Christus zien we liefde voor zondaren, voor hoeren en tollenaren en nette kerkmensen uit Beekbergen. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Rom. 11:33

Mag ik u vanavond vragen: Heeft u uw beeld gezien in de vluchtende Jona? Is dat ook uw leven? Misschien aan de buitenkant een keurig leven, maar als uw en mijn hart vanavond op tafel gelegd zou worden, komen er zonden en harde gedachten van God uit. Heeft u die gedachten na vanavond nog steeds? Of mag u, net als Jona, maar dan vanuit de rechte gestalte, al belijden: Want ik weet, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid!

Voor Jona was er redding. Voor de Heere Jezus niet. Voor Hem werd de hemel gesloten. Hij werd in de zee geworpen van onze zonde. Een smerige zee, met donker water. En dat uit eeuwige zondaarsliefde. Hij is de meerdere Jona. De getrouwe en liefdevolle Zaligmaker. Bij Hem zijn uitkomsten tegen de dood. Er is bij Hem ook wijsheid te verkrijgen voor de dingen van dit leven. Als we worstelen met zielenvragen. Met (psychische) zorgen en moeiten. Met verdriet en angsten. Of als we ons hart dreigen te zetten op de zorgvuldigheden van dit leven, als we ons levensscheepje te vast dreigen te maken aan het hier en nu. Zoekt u hulp bij Jona? Hij zal u niet begrijpen. Hij zal zeggen: ‘Dat komt er nu van!’ Nee, neem dan de toevlucht tot Koning Jezus, Die het gezegd heeft: 

Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht. Mat. 11:28-30

Vanavond hebben we geleerd dat wij van nature niet beter of anders zijn dan de profeet Jona. Dat we zelfbedoelers zijn. We hebben ook gehoord dat er Een is, Die meer is dan Jona. Die vrijwillig en uit liefde voor zondaren naar deze aarde is gekomen.

Het was om Christus volbrachte offer dat God de profeet Jona niet heeft laten verdrinken. Het is om Christus volbrachte offer dat er ook voor kerkmensen van de Gereformeerde Gemeente in Beekbergen nog behoud mogelijk is. 

Jona is door God overwonnen. Zijn eigen wil is in een moeilijke weg gebroken. We gaan afsluiten. Er is een oud verhaal van een koning, die sommigen van zijn onderdanen, toen zij in opstand waren, met geweld onderwierp en hen daarna overlaadde met geschenken. En als een van zijn hovelingen naar de reden daarvan vroeg, antwoordde de koning: ‘Ik onderwierp hen door mijn macht, ik moet hen winnen door mijn liefde.’

Zo doet de Heere Jezus dat nog. Door de macht van Zijn overtuigende Geest dwingt Hij de zondaar zijn schuldige rebellie te erkennen en brengt Hij hem tot berouw en schuldbelijdenis. En dan geeft Hij Zijn wondere gaven: Genade, liefde, vergeving, vrede, vreugde, rust en eeuwig leven. Hij zegent allen, die Hij overwint. Heeft Hij u al overwonnen?[5]




Zingen: Ps. 103: 2 en 6.









Literatuurlijst
Bijbel Met Uitleg : Statenvertaling | Psalmen. Apeldoorn: De Banier, 2015.
Mackay, J.L. God's Just Demands : A Commentary on Jonah, Micah, Nahum, Habakkuk and Zephaniah. Fearn: Christian Focus Publications, 1993.
Rushing, R. Voices from the Past : Puritan Devotional Readings. Edinburgh: Banner of Truth Trust, 2009.
Van den Bosch, D.A. Jona : Gij En Ik. Wageningen: H. Veenman, 1937.




[1] Bijbel Met Uitleg : Statenvertaling | Psalmen, (Apeldoorn: De Banier, 2015), 1362.
[2] J.L. Mackay, God's Just Demands : A Commentary on Jonah, Micah, Nahum, Habakkuk and Zephaniah (Fearn: Christian Focus Publications, 1993), 19.
[3] Zie hiervoor ook Nahum 3:1.
[4] R. Rushing, Voices from the Past : Puritan Devotional Readings (Edinburgh: Banner of Truth Trust, 2009), 317.
[5] D.A. Van den Bosch, Jona : Gij En Ik (Wageningen: H. Veenman, 1937), 238-39.