Doorgaan naar hoofdcontent

Bostonkring, avond 2

Door: M.H. van As & E.H. van Wolfswinkel

De Viervoudige Staat: de staat der rechtheid, hoofdstuk 1-3

De Viervoudige Staat begint met Prediker 7:29 “Alleenlijk zie, dit heb ik gevonden dat God de mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht.” Dit is een tekst waarin Salomo de rechte staat van de mens tekent en tegelijk ook de peilloze diepte waarin de mens gevallen is door vele vonden te zoeken.

De reden waarom Boston begint met de staat der rechtheid is om zo te laten zien wie we waren en daar tegenover te laten zien hoe we geworden zijn, hoe diep we gevallen zijn. Hierdoor zouden we de onvergelijkelijke Persoon die de Vader verordineerd heeft als Hersteller van de breuk, des te meer op prijs stellen, en ons met een vast voornemen begeven op die weg die leidt naar de stad die vaste fundamenten heeft.

De rechte staat van de mens kenmerkte zich hierin dat de ziel van de mens zich rechtstreeks richtte op God, als haar hoogste Doel. - Boston stelt dat deze recht op dat Doel gerichte genegenheid, symbolisch werd voorgesteld door de rechte gestalte van het lichaam. De mens deelt deze gestalte met geen ander levend schepsel - De mens werd ook niet geschapen om vervolgens rechtvaardig gemaakt te worden, maar terstond met de inblazing van de adem werd er ook een rechtvaardige ziel ingeblazen. Maar in die ontzettende val is de mens rusteloos geworden. De ware rust in God was kwijt. En dit alles door eigen schuld, de mens wilde niet blijven zoals God hen gemaakt had, zij ‘zochten vonden’ waarmee zij zichzelf misvormden en in het verderf stortte. 

In dit hoofdstuk (Prediker 7) zoekt Salomo ook naar de deugdzaamheid in de wereld, maar Salomo vindt het niet. Te midden van dit zoeken en niet vinden blijft er wel een stellige zekerheid over (let hier op dat Salomo als wijste der mensen dit zegt), namelijk dat God de mens recht gemaakt heeft, maar dat de menselijke staat nu verdorven is en dat deze verdorvenheid niet uit God was, maar uit de mens zelf voortkwam.

De oorspronkelijke rechtvaardigheid van de mens
Opvallend is dat deze staat in de Heilige Schrift in vergelijking met de volgende staten maar heel kort beschreven wordt. Want, zegt Boston, hij duurde niet lang. ‘Hij ging voorbij als een zich voort haastende schaduw’. 

Belangrijk is om te weten dat Gods rechtvaardigheid een ongeschapen rechtvaardigheid is en hiermee de hoogst regel is. Dit in onderscheid tot geschapen rechtvaardigheid (van mensen of van engelen) die betrekking op haar heeft omdat het een regel voor haar is. Een schepsel moet de wil van zijn Schepper erkennen als zijn hoogste wet, omdat hij niet zonder Hem kan bestaan. De mens is recht gemaakt, dit veronderstelt dat er een wet was waaraan hij bij de schepping gelijkvormig werd gemaakt. Deze wet is niet anders dan de wet die later samengevat werd in de tien geboden (de zedelijke wet). De rechtvaardigheid van de mens bestond hierin dat de mens zich schikte naar deze wet of regel.

De rechtvaardigheid van de mens is te verdelen in twee zaken. Een hebbelijke rechtvaardigheid - hierin zijn de krachten van zijn ziel gelijk aan de wet. Zo werd de mens geschapen - en een dadelijke rechtvaardigheid - hierin moeten de daden van de mens gelijk zijn aan de wet. Deze twee bij elkaar vormen de oorspronkelijke rechtvaardigheid. Boston gaat hierop door in drie zaken:

1. Zijn verstand was een lichtende lamp
De mens had volmaakte kennis van de wet en daarmee ook van de plicht van de wet. God drukte de wet op zijn ziel. Ingeschapen in de mens, zoals dit ook onder de heidenen nog te vinden is (Rom. 2:14,15).[1] De mens moet van nature een voortreffelijke kennis hebben gehad van de werken Gods. Want de mens is geschapen om de grootheid van de schepping tot uitdrukking te brengen, om zo God te verheerlijken in Zijn werken. Een duidelijk bewijs van het verlichte verstand, zie je in de heerschappij die Adam kreeg over de schepselen. Hij gaf al de schepselen namen naar hun aard. Een ander bewijs zie je in de kennis die hij had om burgerlijke zaken te leiden, die een goed man uit eerbied voor de wet Gods, ‘met recht zal beschikken’.

2. Zijn wil stemde recht overeen met de wil van God
De mens had ook een wil die in alle dingen recht overeenstemde met de wil van God. Er was ook geen genegenheid tot het kwade. De genegenheid impliceert immers een bron en deze was er niet en kan daarom niet samen gaan met die rechtschapenheid en oprechtheid waarmee Adam bij zijn schepping werd begiftigd. De wil van de mens was volledig op God gericht en deze bevond zich niet in een situatie dat hij gelijkmatig balanceerde tussen goed en kwaad, want als dat het geval was geweest dan zou de mens niet recht gemaakt zijn. En hiermee ook niet hebbelijk rechtvaardig. De wet kan niet toestaan, geen ogenblik, dat zijn genegenheid niet uitgaat naar God als zijn hoogste Doel. Wat tekent dit ook weer onze diepe val, want wanneer gaat onze genegenheid nu uit naar God, en als dit al zo is, is dit dan ook ons hoogste Doel? De wet was afgedrukt op Adams ziel. Deze afdruk bestaat nu volgens het nieuwe verbond, waarbij Gods beeld wordt hersteld uit twee dingen: het geven van de wet in het verstand, wat duidt op de kennis ervan en het schrijven van de wet in het hart wat duidt op de genegenheden van de wil die beantwoorden aan de geboden van de wet. Omdat Adam wist dat zijn Meester er behagen in schepte dat hij zijn plicht deed, daarom was zijn wil genegen tot dat wat hij wist.

3. Zijn genegenheden waren ordelijk en zuiver
De genegenheden van de mens waren ordelijk, zuiver en heilig. De mens is gevormd uit lichaam en ziel om God te verheerlijken en te behagen. Daarom is de mens van nature geneigd tot zowel het geestelijke als zintuiglijke goede. Toch was het geestelijke goede zijn hoogste en uiteindelijke doel. Daarom waren zijn gevoelige bewegingen en genegenheden ondergeschikt aan zijn verstand en wil die overeenkwam met de wil van God. Hij was geneigd om de gehele wet van God te vervullen anders zou God geen volmaakte gehoorzaamheid geëist hebben.

De oorspronkelijke natuurlijke rechtvaardigheid was algemeen en natuurlijk, maar veranderlijk. Zij was algemeen wat betreft het onderwerp ervan, namelijk de gehele mens, als wat het voorwerp ervan betreft, namelijk de gehele wet. De mens was toen heilig in ziel en lichaam en geest. En zoals de zuiverheid in ons lichaam algemeen wordt genoemd, tot in de kleinste delen doordrongen, zo was het ook met de wet van God. Zoals God de mens gemaakt heeft, was er niets in de wet of het was aangenaam voor zijn verstand en zijn wil. De rechtvaardigheid was niet alleen algemeen, zij was ook van nature aan hem verbonden. De mens was er in de schepping mee bekleed en zij was nodig om de mens volmaakt te maken. Toch was de rechtvaardigheid veranderlijk. De mens kon het kwijtraken en dat is tijdens de val in Adam gebeurd. Boston roept ons op om niet te gaan twisten met Gods doen om dit punt. Onveranderlijk rechtvaardig zijn kon de mens niet, want dat komt alleen God toe. Zo is de mens goed geschapen, naar het beeld Gods en daardoor kon hij voor de val beantwoorden aan het grote doel waartoe hij geschapen was: het kennen, het liefhebben en het dienen van zijn God in overstemming met Zijn wil. 

Nadat in de Viervoudige Staat de staat van de rechtvaardigheid is geschetst, legt Boston een aantal dingen voor die met de rechtvaardigheid van de mens in de eerste staat gepaard gingen. ‘Gelukzaligheid is het resultaat van heiligheid en daar dit een heilige staat was, was het ook een gelukkige staat’. 

- De mens was een zeer heerlijk schepsel. Zoals het aangezicht van Mozes blonk toen hij van de berg afdaalde, zo had de mens ook een stralend en aangenaam gelaat en een schoon lichaam. ‘Iedere handeling die hij verrichtte was niet anders dan het tevoorschijn schieten van een straal en lichtbundel van dat heerlijke, door niets verstoorde licht dat God in zijn ziel ontstoken had’.

- De mens was de lieveling des Hemels. Helder blonk in de mens het beeld van God. God was bij hem. De mens werd zelfs bondgenoot van de hemel gemaakt in het werkverbond: als de mens volmaakt gehoorzaam was aan de wet, kreeg hij het leven. De dood was de straf op het niet houden van het verbond. God stelde een extra regel: de mens mocht niet eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Wij kunnen dit zien als een geopenbaarde deel van Adams godsdienst. Het was voor de mens gemakkelijk hier aan te voldoen, in zijn hart was de natuurlijke wet geschreven. Het was een daad van genade, gunst en bewonderenswaardige, neerbuigende minzaamheid in God, dat Hij met Zijn eigen schepsel een verbond aanging. God beschikte over de mens. Nadat Hij het verbond gesloten had, werd God een Schuldenaar aan Zijn eigen getrouwheid. De mens mocht om beloning vragen voor zijn werk op grond van het verbond. ‘Wees gegroet, gij die zo hoog begenadigd zijt, de Heere is met u.’

- De mens was heer over de wereld gemaakt door God. De mens was Gods plaatsvervangend regeerder hier beneden op aarde. Zijn heerschappij was een beeld van Gods soevereiniteit. De Heere zette alles onder zijn voeten, alleen de boom der kennis des goeds en des kwaads onthield Hij hem. Boston stelt de vraag die misschien dan bij ons op zou komen: misgunde Hij hem deze? Zijn antwoord luidt: ‘Nee, maar toen Hij hem zo heilig en gelukkig had gemaakt, gaf Hij hem genadig deze beperking, die het karakter had van een stut en steun om hem voor vallen te bewaren’. Om drie redenen zegt Boston. Allereerst zodat de mens niet kon vergeten dat hij Gods onderdaan was. Maar ook om de mens te herinneren aan zijn veranderlijke staat, zijn vrije wil, zodat hij des te voorzichter zou zijn. En als laatste om de mens naar Boven gericht te laten zijn en te laten zien dat zijn geluk niet op aarde lag. Daarom moest hij iets missen in het paradijs.

- De mens kende ook volmaakte rust. Er was vrede, het geweten was niet bevlekt, er was geen schaamte, geen ziekte. Er was een leven van pure blijdschap.

- De mens had een leven van zuiver genoegen en onvermengd genot. De aarde was op haar mooist, buitengewoon aangenaam. Eden was een hof die door de Heere Zelf geplant was om de woonplaats te zijn van Zijn lieveling. Wij kunnen soms genieten van de natuur, maar hoeveel te meer genoot Adam hiervan, omdat zijn doordringende ogen het boek van Gods werken lazen dat God voor hem neergelegd had, met het doel dat hij Hem zou verheerlijken!

- En de mens was onsterfelijk. De satan ging met zijn leugens aan het werk tot hij de deur open kreeg, zo kwam de dood naar binnen.

Vervolgens weerlegt Boston weer een gedachte die mogelijk bij mensen op zou kunnen komen. Namelijk, wat heeft dit nu voor ons te zeggen aangezien wij nooit die heilige en gelukkige staat genoten hebben? Dan wordt Adam geschetst als de wortel van heel het menselijke geslacht. God legde een zegen in die wortel die, als er op de juiste wijze mee omgegaan werd, zich in al de takken zou hebben verspreid. En dan maakt Boston een terechte opmerking: Zouden wij er ook kritiek op hebben gehad dat Adam ons vertegenwoordigde als hij staande was gebleven?

Wat heeft dit alles nu ons te zeggen?
Allereerst kunnen wij dit leerstuk gebruiken ter lering. Het laat ons zien dat wij zelf de oorzaak van het verderf zijn en niet God. Maar ook dat God het hoogste recht heeft om van de mens volmaakte gehoorzaamheid te eisen en hem te straffen als hij haar niet volmaakt gehoorzaamt. Want God heeft de mens vermogen gegeven om de hele wet te houden. Het belangrijkste is dat wij de dure plicht gaan zien ten opzichte van de Heere Jezus. Hij gaf Zijn eigen bloed om het eeuwige leven opnieuw aan te bieden. Voor niets!

Daarnaast bevat dit leerstuk een berisping voor 3 soorten mensen. Het berispt hen die de kracht die uitgaat van de godsdienst haten. Hen die de godsdienst te schande maken en hen die zich tegenover een verdorven wereld schamen voor de godsdienst. En het berispt de trotsen die ‘van verwaandheid opzwellen’. 

Als laatste kunnen wij dit gebruiken om te weeklagen. ‘Hier was een statig gebouw: de mens uitgehouwen naar de gelijkenis van een prachtig paleis, dat nu echter in as ligt’. Boston roept ons op om te blijven staan en te kijken naar de ruïne en een traan te laten. Hebben wij het al gezien? Er al oog voor gekregen? Wat zijn wij diep gevallen! Maar er is nog hoop! ‘Verlaat de eerste Adam en zie op Jezus, de tweede Adam. Kom over naar de Middelaar en Borg van het nieuwe verbond, dat een beter verbond is dan het werk verbond. Huil maar om je zonde. ‘Laat je oog vlieten en niet ophouden, omdat er geen rust is, totdat het de HEERE van de hemel aanschouwe, en het zie’ (Klaagliederen 3:49,50)’ (Citaat E. Barten).





[1] Rom. 2: (14) ‘Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, deze de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet; (15) als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun consciëntie medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende.’