Doorgaan naar hoofdcontent

Bostonkring, avond 4


Door: G. Schulenburg & C.A.A.M. Schulenburg-Heijboer

Nadat Thomas Boston in de vorige hoofdgedachte de zondigheid van de natuurstaat van de mens heeft aangetoond, gaat hij in dit hoofdstuk de ellende ervan uiteenzetten. Het is een ernstig hoofdstuk en daarom soms ook moeilijk om te lezen, maar Boston geeft aan dat hij dit beschrijft om ons uit te drijven naar Christus.

... en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen (Efeze 2:3b)
De ellende van deze natuurstaat is dat het zowel een staat van toorn is als een staat van zonde. ‘Wij waren van nature kinderen des toorns’. De oorsprong van deze ellende is onze natuur. Wij hebben deze natuurstaat te danken aan onze natuur, niet aan ons stof of wezen, want die is noch was zonde, en die kan ons dus niet tot kinderen des toorns maken, hoewel die vanwege de zonde wel onder de toorn ligt. Wij hebben die ook niet te danken aan onze natuur zoals zij bij de schepping van de mens door onze Maker werd toegerust, maar wij hebben die te danken aan onze natuur zoals die door de val werd vergiftigd en verdorven. Deze ellende is algemeen. Allen zijn we van nature kinderen des toorns. ‘Wij’ zegt de apostel, ‘gelijk ook de anderen’.

Genade kan ons uit de vreselijke staat halen. De apostel wijst op de gelukkige verandering ‘wij wáren kinderen des toorns, maar wij zijn dat nu niet meer. Genade heeft ons uit die vreselijke staat gehaald.

I.                    Wat deze staat van toorn is
Het leerstuk dat wordt beschreven is dat de staat der natuur een staat van toorn is. Deze toorn is algemeen. Adam zondigde en de hele mensheid werd doortrokken van de zonde en onderworpen aan de vurige oven van Gods toorn.

De onwetendheid wat betreft die staat, kan de mens er niet vrij van kan maken: de heidenen, die God niet kenden, waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Het kan gebeuren dat het huis van een man in brand staat en dat zijn vrouw en zijn kinderen in de vlammen omkomen, terwijl hij er niets van weet en er zich daarom ook geen zorgen over maakt. ‘U kunt geen kind van God zijn als u uzelf nog nooit als een kind van de duivel hebt gezien. U kunt zich niet op de weg naar de hemel bevinden, als u nooit gezien hebt dat u zich van nature bevindt op de brede weg naar de hel”. Uitwendige voorrechten kunnen mensen ook niet vrijstellen van deze staat: de Joden, de kinderen des Koninkrijks, Gods uitverkoren volk, waren kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Geen belijdenis of wat men tot stand gebracht heeft op godsdienstig gebied, kan een mens vrijstellen van deze staat van toorn.  Zo hoeven jonge mensen, die pas hun weg beginnen te zoeken in de wereld, de verdorven menigte niet te volgen om kinderen des toorn te worden. Zij zijn kinderen des toorns van nature. Zij zijn het dus al. Zij worden geboren als erfgenamen van de hel, en zij zullen dat door hun daden nog meer worden, als zij niet van die toorn waarin zij geboren zijn tot Jezus Christus vlieden terwijl zij nog jong zijn.

Wat is deze staat van toorn?
Thomas Boston zegt dat hij de toorn van God beschrijft, omdat het kan dienen om de mens te overtuigen van de absolute noodzaak om uit die staat van toorn tot Jezus Christus te vluchten.
Strikt genomen zijn er geen driften in God. Zij komen niet overeen met Zijn absolute onveranderlijkheid en onafhankelijkheid. Toorn wordt dan aan God niet toegeschreven met betrekking tot de toegenegenheid tot toorn, maar met betrekking tot de uitwerking ervan. Gods toorn bederft de oneindige rust en gelukzaligheid, die Hij in Zichzelf heeft, niet in het minst. Het is een zeer zuivere en ongestoorde daad van Zijn wil, die vreselijke uitwerkingen teweegbrengt tegen de zondaar. Wij weten weinig van een oneindige God, maar terwijl Hij Zich in Zijn goedheid voegt naar onze zwakheid, behaagt het Hem van Hemzelf tot ons te spreken op menselijke wijze.
Gods toorn tegen de natuurlijke mens wordt in drie bijzonderheden beschreven.

In de eerste plaats zien wij de toorn in Gods hart tegen hem. Ieder natuurlijk mens ligt onder het ongenoegen van God, en dat is zwaarder dan bergen van koper. Hoewel hij ingenomen is met zichzelf en anderen ook met hem ingenomen zijn, toch ziet God met ongenoegen op hem neer. Dat is omdat zijn persoon ligt onder Gods ongenoegen. ‘Gij haat alle werkers der ongerechtigheid’  (Psalm 5: 6). En alles wat zij doen is kwaad in Zijn ogen. Het is voor hen onmogelijk om God te behagen, daar zij geen geloof hebben (Hebr. 11:6).

In de tweede plaats is er toorn in het Woord van God tegen hem. Wanneer er toorn is in het hart, zal men er met zijn lippen uiting aan geven. Het Woord veroordeelt al zijn daden, samen met zijn verdorven natuur. Er is niets wat hij doet, of de wet verklaart dat hij zondig is. Het spreekt het vonnis over hem uit en kondigt Gods vloek over hem aan: ‘Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen ‘ (Gal 3:10).

Tot slot is er toorn in de hand Gods tegen hem. Hij verkeert al onder de zware slagen van de toorn en zal nog meer aan slagen blootgesteld worden. Zo ligt er toorn op zijn lichaam en toorn op zijn ziel. Hij kan geen gemeenschap met God hebben: hij is onzinnig en zal voor Gods ogen niet bestaan (Psalm 5: 6). De ziel moet wegkwijnen in haar ongerechtigheid. De natuurlijke duisternis van hun verstand, de afkerigheid van het goede in hun wil, de wanorde in hun genegenheden, de schrik van hun consciëntie, en al hun natuurlijke plagen zijn op hen blijven rusten als een straf en zo achtergebleven, nemen ze dagelijks toe. Zondaren in de natuurstaat liggen zelfs in dit leven bloot voor nog meer plagen aan hun ziel.  Er ligt toorn op de genietingen van de natuurlijke mens. Wat er ook ontbreekt in zijn huis, er is één ding dat er nooit ontbreekt: ‘De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen’ (Spreuken 3: 33); Hij is onder de macht van de satan (Hand. 26: 18). De duivel heeft hem overwonnen en dus is hij door overwinning zijn gevange; De natuurlijke mens heeft geen schuilplaats waar hij zich één ogenblik veilig weet voor de toorn Gods, die over hem zal komen ‘tot het einde’.

Gods toorn tegen de natuurlijke mens wordt ook duidelijk bij de dood. De dood leert hem om voor eeuwig afscheid te nemen van alle dingen in deze wereld, haar te verlaten en zich te haasten naar een andere wereld. Hij is niet voorbereid voor een andere wereld. De dood beveelt verder lichaam en ziel van elkaar te scheiden tot de grote dag. Zijn ziel wordt van hem afgeëist (Luk. 12:20). Zoals het zondige vlees leefde, zo moet het sterven en weer opstaan als zondig vlees: brandstof voor het vuur van Gods toorn. Tot slot beveelt de dood de ziel voor de rechterstoel van God te verschijnen, terwijl het lichaam achterblijft om naar het graf gedragen te worden, Prediker 12:7: ‘De geest keert weder tot God, Die hem gegeven heeft.’ Hebr. 9:27: ‘En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel’.

Gods toorn is ook tegen de natuurlijke mens op de oordeelsdag. Wanneer het einde van de wereld, dat door God bepaald is, gekomen is, dan zal de bazuin klinken en de doden zullen opstaan. Dan zal op bevel van de Rechter de vermoeide aarde de lichamen opgeven, de vervloekte lichamen van hen die leefden en stierven in hun natuurstaat. Hun ellendige lichamen zullen verenigd worden en zij zullen gedagvaard worden voor de rechterstoel van Christus. Dan zullen zij dat vreselijke vonnis ontvangen: ‘Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is’(Matth. 25:41). Daarop zullen ‘dezen gaan in de eeuwige pijn’ (vers 46).

Daaropvolgend worden in dit hoofdstuk verschillende eigenschappen van de toorn genoemd: De toorn is onweerstaanbaar; de toorn is ondraaglijk; De toorn is onvermijdelijk voor diegenen die onboetvaardig willen voortgaan op hun zondige weg. ‘Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij’ (Spreuk. 29:1).

Het is een machtige en hittige toorn: ‘Wie kent de sterkte Uws toorns en Uw verbolgenheid, naar dat Gij te vrezen zijt?’ (Psalm 90:11). Het is ook een doordringende en doorborende toorn. Er is geen heviger pijn dan de pijn die veroorzaakt wordt door vuur en er is geen vuur dat zo doordringend is als het vuur van Gods verbolgenheid, dat brandt ‘tot in de onderste hel’ (Deut 32:22). Het is een bestendige toorn, die parallel loopt met het voortgaan van de mens in een onwedergeboren staat.

De toorn is eeuwig en al is de toorn verschrikkelijk en al is hij eeuwig, toch is hij volkomen rechtvaardig. ‘Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.) Dat zij verre: anderszins hoe zal God de wereld oordelen? (Rom. 3.5-6)

II.                  Het leerstuk van de staat van toorn bevestigd en verdedigd
Allereerst wordt de staat van toorn bevestigd aan de hand van Bijbelteksten.
De bedreiging van het eerste verbond is onvoorwaardelijk: ‘Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven’ (Gen. 2:17). Hierbij worden de zonde en straf met elkaar verbonden. De rechtvaardigheid van God vordert dat een kind der zonde ook een kind des toorns is. Hij is te rein van ogen, dan dat Hij het kwade zou zien (Hab. 1:13). De verschrikkingen van de natuurlijke consciëntie bewijzen dit. Laat mensen maar eens ernstig een onderhoud met zichzelf hebben en zij zullen ontdekken dat zij een getuige in zichzelf hebben, ‘daar zij het recht Gods weten (namelijk dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn)’ (Rom 1:32). De weeën van de nieuwe geboorte, het werk van de Geest der dienstbaarheid aan uitverkoren zielen teneinde hen tot bekering te brengen, bewijzen dit eveneens. Tot slot wordt dit leerstuk duidelijk bewezen door het lijden van Christus. Als dit aan het groene hout geschiedt, wat zal er aan het dorre geschieden?

De verdediging van dit leerstuk
De onwedergeboren mens die de eer van God niet erg op prijs stelt, zal echter geneigd zijn tegen zijn Rechter in opstand te komen en in zijn eigen hart Zijn rechtspleging te veroordelen. Niettegenstaande dat, moet het vonnis rechtvaardig zijn, aangezien de Rechter oneindig rechtvaardig is. Sommigen zullen zeggen: Is er niet een geweldige onevenredigheid tussen onze zonde en de toorn waarover gesproken wordt? Antwoord: Nee, God straft niet meer dan de zondaar verdient. Boston verdedigt dit aan de hand van een aantal punten.

1.       De Heere heeft zeer grote beloningen verbonden aan gehoorzaamheid. Zijn Woord is niet meer gevuld met hittige toorn tegen de zonde, dan met goedgunstige beloningen van de gehoorzaamheid die het vereist.
2.       U moet bedenken dat, hoe ernstig de bedreigingen ook zijn, het toch genoeg moeite kost om het einde der wet te bereiken.
3.       Bedenk hoe God handelde met Zijn eigen Zoon, Die Hij ook ‘niet gespaard heeft’ (Rom. 8:32).
4.       De zondaar staat tegen God zoveel hij maar kan.
5.       De zonde komt in opstand tegen de oneindige Majesteit en daarom is dat in zekere zin een oneindig kwaad.
6.       Zij die voor eeuwig onder deze toorn liggen, zullen eeuwig zondigen en daarom moeten zij eeuwig lijden, niet alleen vanwege de Goddelijke rechtspleging, maar ook omdat de zonde op zichzelf al een straf is, zoals de heilige gehoorzaamheid op zichzelf al een beloning is.

III.                 Het leerstuk van de ellende van de natuurstaat van de mens toegepast
Dit stuk is in de eerste plaats tot onderwijzing. Boston geeft aan dat wij niet in onschuld geboren zijn en dat het verschrikkelijk waanzinnig is dat zondaars blijven voortgaan op hun zondige weg. Wat is het anders dan kolen vuur op uw eigen hoofd hopen, wanneer u steeds maar meer brandstof op het vuur van toorn legt? Als zondaar heb je nog geen reden om te klagen zolang je buiten de hel bent. Als iemand die zijn leven heeft verbeurd, uit zijn geboorteland verbannen zou worden en aan vele ontberingen zou worden blootgesteld, dan moet hij toch alles wel geduldig dragen, wanneer hij ziet dat zijn leven bespaard is. Boston geeft vervolgens aantekeningen voor de armen en de rijken. Ook waarschuwt hij zondaars, die van ‘hun jeugd af gerust zijn geweest’ (Jer. 48:11), en die nog nooit die duistere wolk van toorn boven hun hoofd hebben zien hangen.

Na de onderwijzing volgt de vermaning: Voor u die nog in een onwedergeboren staat verkeert, zou ik alarm willen slaan en ik zou u willen waarschuwen acht te geven op uzelf, nu er nog hoop is. O gij kinderen des toorns, neem in deze treurige staat geen rust, maar vlied tot Jezus Christus, de enige Toevlucht. Haast u en zoek uw behoudenis bij Hem. De staat van toorn is een te heet klimaat voor u om in te leven: ‘maakt u dan op en gaat heen, want dit land zal de rust niet zijn’ (Micha 2:10).

Boston benoemt meerdere beweegredenen. Als je je in deze staat bevindt, moet je volgens de wet, of het verbond der werken, ‘of staande blijven, óf vallen. Als je dit goed zou beseffen, dan zou dit je hart doorsteken als duizend pijlen. Daar zijn verschillende redenen voor, waaronder: Je bent overgeleverd op grond van de bedreiging met de dood; er is geen zaligheid voor je onder dit verbond, dan alleen onder een voorwaarde, waaraan je onmogelijk kunt voldoen. Verder is er geen vergeving in dit verbond en geen plaats voor bekering. En je bent buiten Christus.

Verder benoemt hij dat de staat ellendig is, omdat je God bent kwijtgeraakt en dat is een onuitsprekelijk verlies. Je bent ‘zonder God in de wereld’(Ef. 2:12). Als je God kwijt bent, dan is de levenskracht en vaste grond van alles wat je in de wereld bezit, verdwenen. De mens zonder God, wat hij ook bezit, is iemand ‘die niet heeft’(Matth. 25:29). Je kunt met goed gevolg niets voor jezelf doen, want God is van je geweken, Zijn ziel is van je afgetrokken (Jer. 6:8), zoals een been dat uit het lid is, erbij hangt en dat door de mens niet gebruikt kan worden, zoals het woord dat daar gebruikt wordt, aanduidt. De dood is geklommen in de vensters, ja, zij heeft zich op het gelaat vastgezet, want God ‘in Wiens goedgunstigheid het leven is’ (Ps. 30:6), is van je weggegaan en dus is de ‘ziel’ van je ziel weggegaan. Ook heb je geen enkele vaste vriend onder al de schepselen Gods, want nu is de gunst van de Heer des huizes verloren.

Denk na over de verschrikkelijke voorbeelden van de toorn van God en laat deze dienstdoen om je wakker te schrikken. Bedenk welk een God Hij is, met Wie je te doen hebt en aan Wiens toorn je onderworpen bent.

Boston geeft nog wat woorden tot vermaning aan specifieke groepen, maar besluit met een woord van vermaning aan allen. Laat niemand licht over de zonde denken die de zondaar aan Gods toorn blootstelt. Zie op Zijn toorn en ‘zijt beroerd en zondigt niet’. Dit moet u niet uitdrijven tot slaafse vrees. Als dit zo was, dan zou het toch nog beter zijn om een slaaf van God te zijn dan een vrijgelatene van de duivel. Maar zo is het niet. U mag God liefhebben en Hem dus ook vrezen; ja, u behoort dat te doen, als was u een heilige van de eerste rang.