Doorgaan naar hoofdcontent

Bostonkring, avond 5

 Hoofdgedachte 3: Het totale onvermogen van de mens om zichzelf te herstellen

Door: F. Treur-van As

Inleiding
Boston begint dit hoofdstuk met een tweetal Bijbelteksten. Deze wil ik hier kort noemen en toelichten.

Rom. 5:6 Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddelozen gestorven. De eerste elf verzen van Romeinen 5 staan in het teken van de hoop als gevolg van de rechtvaardiging door het geloof. Degenen die gerechtvaardigd zijn door het geloof hebben een onwankelbare hoop, omdat ze weten dat ze op de dag van het oordeel aan Gods toorn zullen ontkomen dankzij de verzoenende dood van Christus die stierf in hun plaats. Christus is het fundament van onze hoop en de verzekering van de liefde van Christus jegens ons, Die ons met God verzoend heeft toen wij nog vervreemd waren van Hem. Nu zijn wij Zijn vrienden door het geloof geworden. Krachteloos houdt hier in dat er een gebrek is aan (morele) kracht, dat we onmachtig zijn en staat hier gelijk aan het goddeloos zijn. Te zijner tijd betekent de bekwame of de bestemde tijd. De link naar de derde hoofdgedachte is helder: zonder het reddende werk van Christus is herstel onmogelijk!

Joh. 6:44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke. Geen enkele sterveling op aarde is in staat of heeft de geestelijke kracht om uit zichzelf tot Christus te komen, tenzij de Vader hem trekt. Dat wil zeggen hem het verlangen, de instelling en het vermogen geeft om zijn vertrouwen op Christus te stellen. Ofwel tenzij dat Hij degene, die van nature onbekwaam en onwillig is, door de krachtige werking van Zijn Heilige Geest bekwaam en willig maakt. Daarbij wordt ook terugverwezen naar vers 37: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. Ook wordt verwezen naar de bekering van Lydia, die al luisterend naar de prediking van Paulus tot de Heere getrokken werd. [1] 

Context
We zijn met de tweede staat bezig. De staat der natuur of van algehele verdorvenheid. Deze was opgesplitst in drie hoofdgedachten. De zondigheid van de natuurstaat (avond 3), de ellende van de natuurstaat (avond 4) en nu staan we stil bij de laatste gedachte, namelijk het totale onvermogen tot herstel vanuit onszelf. Omdat Boston zo helder en compleet is, heb ik regelmatig letterlijke citaten overgenomen. 

De totale onbekwaamheid om zichzelf te herstellen
Kennis van de totale onbekwaamheid is noodzakelijk om een zondaar tot de verschuldigde verootmoediging te brengen. Luister dan, o onwedergeboren mens, en wees ervan overtuigd (…) dat u totaal onbekwaam bent (…) en verdorven. Op welke wijze zult u dan aan het werk gaan om uzelf te herstellen? Wilt u het alleen proberen of met hulp? Wilt u trachten zich te herstellen door de werken van de wet of op een evangelische wijze? Ik weet heel goed dat u niet eens het middel van het Evangelie wilt beproeven, totdat u eenmaal hebt ontdekt dat herstel onmogelijk is door de werken der wet.

Geen herstel door de werken der wet
Boston wenst wel dat de zondaar inziet dat zijn werken nooit tot herstel kunnen leiden. We hebben Christus nodig, zonder Hem moeten we eeuwig omkomen. Alleen Christus in ons kan de hoop der heerlijkheid zijn. De onmogelijkheid om de wet te houden wordt geïllustreerd met het voorbeeld van de rijke jongeling. Hij vroeg aan de Heere Jezus wat hij moest doen om het eeuwige leven te beërven. Christus antwoordt hem niet met: ‘Geloof en u zult zalig worden’, maar Hij beveelt hem alle geboden nauwgezet te onderhouden. Want om onszelf te herstellen, moeten we Gods geboden volkomen gehoorzaam zijn.

De gehoorzaamheid aan de wet moet volmaakt zijn
1. Volmaakt gehoorzaam wat betreft het grondbeginsel. De eis is zuiver en zondeloos te zijn. De erfzonde (onreinheid van de natuur) en dadelijke zonden worden veroordeeld.
2. De gehoorzaamheid moet volmaakt zijn zelfs in de kleinste delen, zowel innerlijk als uiterlijk.
3. De gehoorzaamheid moet volmaakt zijn wat betreft trap en mate. Een illustrerend citaat: Iemand kan zoveel emmers water brengen naar een huis dat in brand staat als hij in staat is te dragen, terwijl het toch in vlammen kan opgaan en het zal dit ook doen, als hij niet voldoende emmers water brengt om het vuur te blussen. Zo zou u alles kunnen doen waartoe u in staat bent in het houden van de geboden, terwijl u toch zeker voor eeuwig verloren bent als u in de geringste mate in de gehoorzaamheid die de wet gebiedt, tekort schiet. Tenzij u Christus aangrijpt en van al uw eigengerechtigheid als een ‘wegwerpelijk kleed’ afziet.
4. De gehoorzaamheid moet ons hele leven voortduren, zoals de gehoorzaamheid van de mens Christus.

De mens kan aan Gods gerechtigheid niet voldoen
We moeten betalen wat we schuldig zijn. Ook al zouden we onze levenswijze voortaan kunnen ‘verbeteren’, dan nog is er een ‘oude’ schuld waaraan de Heere niet voorbij kan gaan. Wat dan overblijft is, dat u of die toorn moet dragen waaraan u door uw zonde onderworpen bent in overeenstemming met de wet, of anders, dat u moet erkennen dat u die toorn niet dragen kunt en vervolgens uw toevlucht neemt tot de Borg, de Heere Jezus Christus. We kunnen onze eigen schuld niet betalen omdat Hij Die we beledigd hebben een oneindig God is en daarbij hoort ook een oneindige straf. Zondaar, wat bent u aan het doen, zolang u zich inspant om uzelf te helpen, maar Jezus Christus niet aanvaardt en u zich niet met Hem verenigt? (..) Hoort u de wet niet die een vloek aankondigt over u, vanwege alles wat u doet, zelfs vanwege uw gehoorzaamheid, uw gebeden, uw tranen, uw levensverbetering enzovoort… Boston bewijst de dwaasheid van dit alles met diverse Bijbelteksten die ons heenwijzen naar de zaligheid in Christus alleen.

Hierna volgt een tegenwerping die doet denken aan de Heidelberger Catechismus (vraag 9 en vraag 11), waarbij de opstellers zich afvragen of de barmhartige God geen onrecht doet met deze eis, waar de mens toch niet aan kan voldoen. Boston schrijft in zijn tegenwerping dat we door Gods barmhartigheid toch zalig hopen te worden, als we de geboden maar zo goed mogelijk houden. Dit ontkracht hij echter direct door te stellen dat een onvernieuwd mens niet in staat is ook maar iets goeds te doen. Als God zou aanbieden de mensen zalig te maken, onder de voorwaarde dat zij alles doen wat zij maar kunnen in gehoorzaamheid aan Zijn geboden, dan zouden we zeker te kort schieten. We struikelen immers in vele dingen! Het is een ‘waanvoorstelling’ om te denken dat God van Zijn eisen afstapt. En nog wat: Denkt u dat God deze voorwaarden die aan u gesteld zijn, zou verzachten, terwijl Zijn eigen Zoon geen verzachting van de voorwaarden ontving?

De zondaar kan de aangeboden hulp niet omhelzen en gebruiken voor zijn herstel
We hebben van nature geen handen om het reddende touw aan te grijpen. En de natuurlijke mens verzet zich tegen de HEERE. We kúnnen niet geloven in de aangeboden Christus door ons (1) verduisterde verstand, (2) stenen hart, (3) ongeregelde genegenheden. Het Goddelijke ingrijpen middels de wedergeboorte is nodig. Als al het door Christus gekochte aangeboden zou worden aan de onwedergeboren mens voor één goede gedachte, dan kan hij daarover niet beschikken.

Als wij totaal onbekwaam zijn, hoe kan God het dan van ons eisen?
We zijn goed, recht en bekwaam geschapen! Heeft de schuldeiser niet het recht om betaling van zijn geld te eisen, omdat de schuldenaar het verkwist heeft en niet in staat is om te betalen?
De natuurlijke mens doet nog dagelijks de overblijfselen van de natuurlijke vermogens van de hand, namelijk dat licht en die kracht die nog te vinden zijn tussen de puinhopen van de mensheid. Mensen die zeggen overtuigd te zijn van hun natuurlijk onvermogen en de bekering desondanks uitstellen tot bij wijze van spreken hun doodsbed, zijn ver verwijderd van een recht besef van hun natuurlijk onvermogen. Zij houden meer van hun ketenen dan van hun vrijheid en zij hebben de duisternis liever dan het licht (Joh. 3:19)!

Waarom worden wij dan opgeroepen om ons te bekeren?
Het is onze plicht om Christus aan te nemen, zoals Hij in het Evangelie wordt aangeboden. Het is onze plicht berouw te hebben over onze zonden en heilig te zijn in heel onze levenswandel. Het is God die ons deze dingen gebiedt en Zijn bevel, niet ons vermogen, is de maatstaf van onze plicht. De oproep en aansporingen zijn tegelijk ook de middelen die God gebruikt om genade te verheerlijken in ons. Een paar citaten van de pastorale Boston: Tenslotte: Hoewel u uzelf niet kunt herstellen, en ook de behoudende hand die u in het Evangelie wordt aangeboden, niet kunt aangrijpen, toch kunt u zelf door de kracht van de natuur, deze uiterlijke en gewone middelen gebruiken. Door deze middelen deelt Christus de weldaden van de verlossing mee aan verdorven zondaren. (…) Hoewel u uzelf niet kunt genezen, kunt u toch naar het badwater komen, waar velen zieken zoals u zijn genezen. Al hebt u niemand om u erin te werpen, toch kun u ernaast gaan liggen. En wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten.

Het gebruik van de middelen is toch onnodig omdat wij totaal onbekwaam zijn?
Het antwoord en ‘advies’ van Boston lijkt op dat van Augustinus. Augustinus schreef: Geef wat U beveelt en beveel wat U wilt. Boston schrijft: Doe wat u kunt, en het kan zijn, dat terwijl u aan het doen bent wat u kunt doen voor uzelf, God voor u zal doen wat u niet kunt doen.
We mogen niet toegeven aan het bedrog dat scheidt wat God bijeengevoegd heeft: namelijk het gebruik van de middelen en het besef van ons eigen onvermogen. Hierbij wordt het voorbeeld van Filippus en de kamerling aangehaald. De kamerling deed wat hij kon, hij las, en de Heere zond hem een uitlegger in Filippus. Ook het volk van Israël bij de Rode Zee wordt ter illustratie genoemd: hoewel het een onmogelijke opdracht leek, gingen ze in de weg van gehoorzaamheid naar de oever. En terwijl ze daar waren, spleet de zee in tweeën. Er zijn nog veel meer voorbeelden in de Bijbel bekend, waarin dit bevestigd wordt.

Tenslotte de laatste vraag die Boston stelt bij deze derde hoofdgedachte: heeft God beloofd hen te bekeren en zalig te maken die door de middelen te gebruiken, doen wat zij kunnen voor hun eigen verlossing?
Het antwoord valt uiteen in twee punten die nogmaals benadrukken dat de zondaar zich in de weg der middelen moet begeven:
1. Er is een aantal teksten in de Bijbel die hoop geven. Zie bijvoorbeeld Handelingen 8:22 ‘Bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd.’ Of Joël: ‘Wie weet, Hij mocht Zich wenden’. Redeneer bij jezelf zoals de vier melaatsen bij de poort van Samaria: ‘Indien wij hier blijven, en niet doen wat wij kunnen, dan zullen wij sterven. Laten wij het eens beproeven; als wij gered worden dan zullen wij leven; indien niet, dan zullen wij maar sterven?’
2. Het is waarschijnlijk dat dit gedrag een goede uitkomst zal hebben. God is goed en barmhartig: het behaagt Hem mensen te verrassen met Zijn genade en Hij wordt dikwijls ‘gevonden van hen, die naar Hem niet vraagden’ (Jes. 65:1). De vereenvoudigde versie van Evert Barten: Het is waarschijnlijk dat het gebruik van de genademiddelen je een goede uitkomst geeft. God is goed en barmhartig. Je zet je in de weg van de grote Dokter, dus is het waarschijnlijk dat je genezen zult worden. Als je ziek bent en een pil neemt, is het waarschijnlijk dat je beter wordt. Toch? Als die waarschijnlijkheden je al doen besluiten om die pil te slikken, waarom dan niet zo handelen met de genademiddelen?

Besluit
Laten zij die de Heere al hebben leren kennen, dagelijks de vrijheid en de kracht van de genade bewonderen. Zij weten waar ze vandaan zijn gehaald.

Laten de natuurlijke mensen zich bewust zijn van hun totale onbekwaamheid, krachteloosheid en verlorenheid. Wees overtuigd van de absolute noodzaak van Christus en van Zijn overwinnende genade. Leg u neer in stof en as en leg uw ellendige toestand zuchtend voor Hem neer. Een hartelijk gevoel van je totale verdorvenheid zou een eerste stap kunnen zijn richting de verlossing. 

Hoopt op de HEER, gij vromen;
Is Israël in nood?
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.
(Ps. 130:4)






[1] De uitleg komt uit de kanttekeningen en de HSV Studiebijbel.