Doorgaan naar hoofdcontent

Bostonkring, avond 7

De Viervoudige Staat, inleiding over hoofdstuk 3, blz. 224 – 255

Door: E.H. van Wolfswinkel

In het achterliggende is er gesproken over de verandering die de wedergeboorte teweegbrengt en die tegenovergesteld is aan de natuurlijke wezenlijke staat, de staat der ontaarding. In dit gedeelte gaat Boston spreken over de verandering die er plaats vindt door de vereniging met Christus die tegenover onze natuurlijke staat, de staat der ellende, staat.

Als voorbeeld van deze vereniging wordt Johannes 15 aangehaald, waar Christus Zichzelf vergelijkt bij een wijnstok. “Ik ben de Wijnstok” Geen schone boom in vergelijking met andere bomen maar wel heel vruchtbaar. Maar heel geschikt om de nederige toestand van Christus uit te beelden. Met deze vergelijking heeft hij het meest op het oog, hoe Hij Zichzelf voorstelt als de Helper en Onderhouder van Zijn volk, de ranken, verstrengelt en groeiend aan de stam. Natuurlijke en ingeënte ranken. Wij zijn van nature, natuurlijke ranken van de eerste Adam. En al de uitverkorenen zullen van deze stam de eerste Adam afgebroken worden om ingeënt te worden in Christus de Ware Wijnstok.

Zij die in de staat der genade zijn, zijn in de Heere Jezus Christus ingeënt en zij zijn met Hem verenigd.
Om deze vereniging tussen de Heere Jezus Christus en Zijn uitverkoren te begrijpen wordt het volgende opgemerkt: 

1) Het is een geestelijke vereniging. Zoals man en vrouw door hun huwelijksvereniging tot één vlees worden. Zo worden Christus en de ware gelovigen door deze vereniging tot één geest.

2) Het is een wezenlijke vereniging. Onze verdorven natuur houdt het eerder voor een verzinsel, dan dat het gelooft dat er een wezenlijke vereniging is. Nu volgt er een toelichting van Boston die ook in de belijdenissen had kunnen staan. Namelijk: ‘Niets is echter wezenlijker dan datgene wat geestelijk is, omdat het de natuur van Hem Die de Fontein is van alle wezenlijkheid, namelijk God Zelf, het dichtst benadert’.

3) Het is een zeer nauwe en innige vereniging. Kenmerkend samengevat in Joh. 17:21 ‘Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn’

4) Een vereniging die steun vindt in de wet. Christus moest lijden en sterven voor de uitverkoren naar de wet. En naar de wet beschouwd hadden zij hetzelfde gedaan en geleden.

5) Het is een onverbreekbare vereniging. Als Christus intrek in het hart heeft genomen, zal hij nooit meer vertrekken. ‘Niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken’ Er is niets wat ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere. Zoals de goddelijke natuur nooit is te scheiden naar lichaam en ziel. Zo zal ook de dood van ons lichaam geen scheiding aanbrengen in de vereniging tussen ons (lichaam en ziel) en Christus. Want zelfs in de dood slapen zij in Jezus en Hij bewaart al hun beenderen.

6) Het is een verborgen vereniging. Hierbij verwijst Boston ook weer naar het Evangelie, wat een leer van verborgenheden is. God geopenbaard in het Vlees, maar ook de verborgen vereniging tussen Christus en de gelovigen: ‘Deze verborgenheid is groot’.

Nu komt Boston bij het gedeelte waarin hij in gaat op de verborgen vereniging in het bijzonder. Dit gedeelte wordt opgedeeld in 5 gedeelten:

1) De natuurlijke stam waaruit de ranken genomen worden;
2) De bovennatuurlijke stam waarin zij geënt worden;
3) Welke ranken in de bovennatuurlijke stam geënt worden;
4) Hoe de ranken uit de natuurlijke stam worden genomen en ze in de bovennatuurlijke stam geënt worden;
5) De weldaden die uit de vereniging met Christus vloeien.

De natuurlijke stam waaruit de ranken genomen worden
In de Schrift wordt gesproken over de twee Adams alsof er niet meer geweest zijn. Deze afbeelding houdt ook in dat alle mensen, alle ranken, of in der eerste of in de tweede Adam (twee stammen) zijn. De gehele mensheid is in deze stammen verdeeld. De engelen uitgezonderd. Zij hadden geen betrekking op de eerste Adam en daarom ook niet op de tweede Adam. Alle mensen stammen af van de eerste Adam, de natuurlijke stam. Hierbij moeten we echter vier dingen onthouden:

1) Alle mensen behalve Christus.
2) De band die ons aan de stam bindt is het verbond der werken (wat een zedelijke wortel inhoud) Dit betekend dat de val van Adam ook ons toekomt. In het verbond der werken zijn wij verbonden aan Adam. Maar Christus, hoewel Hij een Zoon van Adam was in natuurlijke zin, was krachtens een andere belofte: ‘het Zaad van de vrouw zal de kop van de slang vermorzelen’, hier niet inbegrepen. Hij kon niet vertegenwoordigd worden door Adam in een verbond dat voor de val gemaakt was.
3) Een rank kan maar in één stam tegelijk zijn. Zo kan geen mens tegelijkertijd in zowel de eerste als de tweede stam zijn.
4) Als we niet zijn ingeënt in de tweede stam, zijn we nog in de eerste stam en hebben zo ook nog deel aan de natuur ervan.

De eerste stam was in zijn oorsprong goed en had genoeg vocht en levenssap om alle takken te voeden, zodat zij Gode vrucht konden dragen. Maar die wijnstok is geworden tot een verbasterde stam, een dode stam, ja zelfs een stam die dood. Een stam die nu wilde druiven voortbrengt, die de omgang met de duivel verkiest boven de gemeenschap met God. Een ernstige spiegel houdt Boston ons voor, zowel heiligen als zondaars. Zondaar kijk eens nauwkeurig wie u bent. En heilige kijk eens wat u was. Zondaar u brengt nu stinkende druiven voort. En ondanks de stormen van de hemel, de slagen van het zwaard des Geestes, het Woord van God, de slagen van de consciëntie groeien ze welig. De vruchten die aan deze ranken groeien zijn vruchten van henzelf. Wat is de vrucht van zijn godsdienstige levenswandel? Ze worden voor de zondaar zelf gedaan en niet ter ere Gods. Mooi om naar te kijken, maar ze vervallen tot as als je er aankomt. Als u niet afgebroken bent van de oude stam, slaat God geen acht op deze vruchten. Zelfs de beste vruchten die we kunnen voortbrengen vertonen vijf gebreken:

1) De vrucht is bitter. Het zuurdesem der farizeeën, welke is geveinsdheid. Iedere plicht die zij vervullen verzuurt en verbitterd.
2) De slechte reuk. De vruchten van de onwedergeboren mens rieken niet naar de liefde tot Christus, daarom zullen ze nooit worden aangenomen.
3) Ze zijn onrijp. De Zon der Gerechtigheid heeft er geen invloed op. Hun werken worden niet in God gedaan, het bidden, het bewandelen van nieuwe paden, hun doen, want hun natuur is niet veranderd.
4) Lichtheid. De vruchten der heiligen hangen zwaar aan de takken en buigen zich tot de grond, maar de vruchten der onwedergeborenen strekken zich naar de hemel. Ze zijn licht van zichzelf en verheffen zich.
5) Het zijn geen edele vruchten. Waar God van het hart ‘Zijn hof’ maakt, daar plant hij bomen van allerlei vrucht. Maar bij de goddeloze is dit niet zo, hun gehoorzaamheid is nooit alles omvattend. Hun vruchten zijn vruchten van de kwade boom en kunnen voor God nooit bestaan.

Onze natuur is een dodende stam
Van nature zijn we een rank van de dodende stam. Vier zaken heeft Adam op al zijn ranken overgebracht. Een verdorven natuur. De schuld, de bedreigingen van de wet zijn als koorden des doods gevlochten rond de ranken. De vloek op alles wat de mens doet of bezit. Zelfs op zijn schijnbare prestaties op het gebied van de godsdienst. En de dood.

Daarom de kernvraag. Zijn wij afgesneden van de dode en de dodende stam en ingeënt in Christus. Godsdienst telt niet, het fundament moet goed zijn, anders zal bij de dood ons alles ontvallen. 

De bovennatuurlijke stam
De bovennatuurlijke stam is de Wortel en het Geslacht Davids. De Wortel als God en Zijn Geslacht als Mens. Door Christus als Middelaar wordt het leven overgebracht van de Fontein naar de ranken die zijn ingeënt. De gelovigen zijn ranken aan de stam van Christus de Middelaar en als Middelaar is hij God en Mens. Zij zijn in Hem verenigd in Zijn menselijke natuur ook in zijn goddelijke natuur. 

Welke ranken in de bovennatuurlijke stam worden opgenomen?
Kort en bondig antwoord Boston hier: de uitverkorenen en niemand anders. Slechts hier en daar wordt een rank afgesneden en dan een rank waar wij het allerminst van zouden verwachten. Hij gaat ‘machtigen’ en ‘edelen’ voorbij en Hij roept ‘het zwakke, het onedele en het verachte’.

Hoe de ranken worden weggenomen en ingeënt?
Een rank wil van de natuurlijke stam niet af, zij zijn aan deze stam vastgeklampt. Het gewone middel waardoor zij afgesneden worden is de bediening van het Woord, door de predikanten gebracht, maar de krachtige uitwerking is geheel van Christus. Gods Geest gebruikt de wet als snoeimes om de rank van de stam af te snijden. Maar met alles wat in ons is klampen we ons vast aan de oude stam. (lees ook het voorbeeld in de Viervoudige Staat wat Boston hierbij geeft). Dit toont aan dat we met alles wat in ons is zijn vastgeklampt aan de natuurlijke stam. En dan volgen nu de nogal eens genoemde twaalf slagen van Boston waarmee de rank van de natuurlijke stam wordt afgesneden:

1) De eerste slag die de rank krijgt, zijn enkele lichtstralen in de ziel, waaruit blijkt dat hij verloren is. Waardoor hij opgewekt wordt uit zijn vaste slaap en niet meer in zijn vroegere levenswijze kan rusten. Hij gaat de zonden van bedrijf nalaten, wat een negatieve heiligheid inhoud.
2) De tweede slag die de rank treft, is dat hij de zonden van nalatigheid voelt branden op hem. Dat hij heeft overtreden tegen elk van de Tien Geboden.
3) De derde slag die de rank treft is een heftige beschuldiging van de consciëntie door het verwaarlozen van een plicht of een zonde die voor ogen wordt gesteld. Hierdoor wordt hij ontdekt dat ook een positief heilige levenswandel hem niet redden. Het vlammend zwaard van Gods wet verschijnt weer en de vloek weerklinkt: ‘Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen’.
4) De vierde slag die wordt toegebracht is een ontdekken aan wie een mens in zijn hart is. Dan ontdekt hij dat zijn hart een mesthoop is van helse lusten en van zijn uiterlijke godsdienst niets overblijft.
5) De vijfde slag die de rank treft is een slag die voor ogen stelt dat hij als een schuldig schepsel ter wereld gekomen is. De wet beschuldigt hem ervan dat hij zijn onwetendheid helemaal over het hoofd heeft gezien. En weer roept de wet: ‘Betaal mij wat gij schuldig zijt’.
6) De zesde slag die wordt aangebracht is de spiegel der wet die voor ogen wordt gesteld en laat zien dat hij zondigt in alles wat hij doet, zelfs in het beste wat hij kan doen. Zo wordt voor ogen gesteld dat hij niet in staat is om te voldoen aan de eisen van de wet.
7) De zevende slag, is een slag die laat zien dat daadwerkelijk voldaan moet worden aan de wet. Een wensen alleen voldoet niet. Een schikking maken met de schuldeiser is onmogelijk. En weer klinkt de vloek: ‘Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen’.
8) De achtste slag die wordt toegebracht is een slag die toont dat hij de schuld alleen moet dragen en geen hulp krijgen kan. Het is niet mogelijk dat de eigengerechtigheid van de mens wordt aangevuld met de gerechtigheid van Christus. In deze schuldzaak gaan geloof en de wet niet samen.
9) De negende slag is een slag die hem afsnijd van de toevlucht tot de leugen. En welke leugen is dit. Boston beschrijft hier de mens die niet betalen kan en toch betalen moet, die zich schaamt om te bedelen. Daarom gaat hij zichzelf verkopen aan de Zoon van God. En op grond van deze overeenkomst, dit verbond wil hij God behagen. Echter dit verbond wordt door de mens weer verbroken, doordat hij de plichten niet nakomt. Zo is het leven van velen een maken en verbreken van verbonden. Hierop beschrijft Boston dat dit verbond van de mens met Christus een werkverbond is wat van de mens uitgaat en keer op keer wankelt en verbroken wordt. Dit tegenover Gods verbond dat altijd blijft en eeuwig zeker is, wat nooit verbroken wordt en waar altijd vergeving en vernieuwing van bekering te verkrijgen is. Maar de verschrikkingen die over de ziel blijven komen, als het Gods werk is, verplichten de mens verder te zoeken.
10) De tiende slag is een doorsteken van het hart met duizend pijlen. De mens komt in de bedelstand, maar toch niet met geheel lege handen. Hij toont zijn begeerten naar Christus, zijn gebeden, zijn worstelen om genade. Voor ogen wordt gesteld dat hij Jezus Christus heeft versmaad vanwege zijn ongeloof. Een zonde waar hij nog nauwelijks bekend mee was. Het bloed van de Zoon van God heeft hij vertreden en zo is hij een ellendig voorwerp van de wraak van de wet en zelfs van de wraak van het Evangelie.
11) De elfde slag die het hart raakt, is een slag die laat inzien dat in het hart allerlei verdorvenheden en gruwelijkheden leven. Dit is een slag met de bijl van de wet in haar prikkelende kracht. Hoe komt de mens hier? Hij ziet dat hij niet kan, niet wil en niet behoort tot Christus te komen of hij moet in een betere staat zijn en daarom gaat hij ernstiger bidden en krachtiger strijden tegen de zonde, maar in deze werkzaamheden trekt God Zijn weerhoudende genade terug en komen de verdorvenheden op die nooit eerder in het hart werden opgemerkt.
12) De rank hangt nu nog aan een enkel draadje van een natuurlijk geloof en in de laatst slag word ook deze draad doorgesneden en de rank volledig afgekapt. Met de laatste kracht die er nog is tracht hij te geloven en Christus aan te grijpen. Waarbij Christus de vraag stelt: ‘Hoe kunt gij geloven?’ Zo wordt ontdekt dat hij zichzelf niet helpen kan door te werken en door te geloven. En nu, als de mens denkt onder te gaan dan wordt hij opgenomen en ingeënt in de Ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus die hem de Geest des geloofs geeft.

Boston beschrijft dat deze methode niet de enige methode is die de Geest gebruikt, maar in één ding is hij heel helder. De mens moet aan alles van zichzelf worden afgebroken waarop het vertrouwen is gesteld. De wet is het die afsnijd en het Evangelie het instrument om de rank in de bovennatuurlijke stam in te enten. In het Woord van het Evangelie ontmoeten Christus en de zondaar elkaar. 

Christus grijpt de zondaar door Zijn Geest. De mens krijgt in de spiegel van de het Evangelie een heerlijk uitzicht op de uitnemendheid van Christus. De Geest des Geloofs voorziet hem van voeten om te komen en van handen om te ontvangen.

De zondaar grijpt Christus aan. De zondaar die zo gegrepen is door Christus, grijpt Christus aan door het geloof en zo wordt hij één met de gezegende Stam. De Stam en de ent zijn met elkaar verenigd. Christus en de christen zijn met elkaar gehuwd en het geloof is de toestemming van de ziel aan het geestelijk huwelijksverbond.

Na al deze dingen trekt Boston de volgende conclusies:
1) De prediking van de wet is hoogst noodzakelijk;
2) Het Evangelie zet de kroon op het werk;
3) Indien iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Aankleving is niet hetzelfde als inenting;
4) De vereniging tussen Christus en Zijn verborgen leden is vast en onverbrekelijk;
5) Zij, die hij niet door de Geest gegrepen zijn, hebben geen zeker houvast aan Christus. Hier gaat Boston heel diep en schetst dat de zondaar verbonden kan zijn aan de stam, maar er niet mee verenigd en daarom geen vruchten voortbrengt en dat deze raken door de Landman slechts weggenomen worden.
 
Hoe kan iemand weten of hij door Christus gegrepen is?
Een gegrepen mens komt met zijn gehele hart. Want een waar geloof is ‘van ganser harte geloven’. De zondaar wordt eerst tot Christus gedreven en daarna tot Hem getrokken. De bloedwreker wordt gezonden tot de misdadiger en verdrijft hem naar de vrijstad. Het is geen eigen keus, het is een gedwongen keus, maar bij de poorten van de vrijstad ziet hij de schoonheid en de lieflijkheid ervan.

Wanneer een ziel gearresteerd wordt, dan wordt het hart losgemaakt van de zonde en keert zich er tegen. Het eigen ik wordt omver geworpen en de mens leert zichzelf verloochenen.

Zie hier hoe Boston heeft beschreven in welke stam de rank van nature zit. Wat de aard van deze stam is. Hoe we aan deze stam verbonden zijn en er van ons zelf niet af willen. Maar hoe Christus, omdat we keer op keer denken in eigen kracht iets te kunnen toebrengen aan onze zaligheid, ons hier met twaalf slagen afbrengt en inent in de bovennatuurlijke stam. Een vereniging met Christus waaruit weldaden vloeien die ik de volgende keer hoop te beschrijven.