Doorgaan naar hoofdcontent

Bostonkring, avond 8

Inleiding over hoofdstuk 3 van de Viervoudige Staat
 
Door: J.W.J. Treur en F. Treur – van As
 
De laatste avond van de Bostonkring, waarop ds. C.L. Onderdelinden voor ons de inleiding heeft verzorgd, ligt alweer even achter ons. Nu mogen we in biddend opzien tot de Heere het nieuwe seizoen weer aanvangen. In deze inleiding willen we eerst kort terugblikken op de stof die we tot nu toe behandeld hebben. Tevens willen we de derde staat afronden.
 
Terugblik
In de eerste staat stonden we stil bij de mens vóór de zondeval, in de staat der rechtheid. God heeft de mens geheel rechtvaardig gemaakt: zijn verstand was een lichtende lamp, zijn wil stemde overeen met Gods wil en zijn genegenheden waren ordelijk en zuiver. Het oorspronkelijke geluk van de mens voor de val was heel groot en volmaakt!
Vrij snel vervolgde Boston met zijn tweede staat over de zondige natuurstaat van de mens. En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. De algehele verdorvenheid kan op diverse manieren worden bewezen door de Schrift en door bewijzen uit de ervaring en waarneming. De verdorvenheid wordt zichtbaar in het verstand (bijv. door duisternis in geestelijke zaken en een kwade geneigdheid), de wil (totaal onbekwaam tot enig geestelijk goeds en een vijandschap tegenover God), de genegenheden, het geweten en het lichaam. Daarom komt Boston bij zijn toepassing uit op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte. Hoe kunnen we zicht krijgen op de verdorvenheid van onze natuur? Boston geeft de volgende 3 raadgevingen mee:
1. Beijver u om de geestelijkheid en de omvang van Gods wet te leren kennen, want dat is de spiegel waarin u uzelf kunt zien. 
2. Sla uw hart te allen tijde gade, maar vooral tijdens verzoekingen. Verzoeking is een vuur dat het schuim opwerpt van het boze hart. 
3. Ga tot God door Jezus Christus, om verlichting door Zijn Geest te verkrijgen. Leg uw ziel open voor het aangezicht des Heeren, en toon u bereid de boosheid van uw natuur te leren kennen. Zeg tot Hem: ‘Wat ik niet weet, leer Gij mij dat.’ Wees gewillig om licht te ontvangen uit het Woord. Geloof en u zult het zien. De Geest onderwijst door het Woord, maar zonder het onderwijs van de Geest zal al het andere onderwijs tevergeefs zijn. 
In de derde staat beschrijft Boston uitgebreid de staat der genade (of ook wel ‘van het begonnen herstel’) en hij werkt dat uit in twee hoofdgedachten: de wedergeboorte en de verborgen vereniging tussen Christus en de gelovigen.
Een belangrijk en vooral bekend onderdeel uit de derde staat is de beschrijving van de twaalf slagen waarmee de rank van de natuurlijke stam wordt afgesneden en ingeënt in Christus. Het gewone middel waardoor zij afgesneden worden is de bediening van het Woord, door de predikanten gebracht, maar de krachtige uitwerking is geheel van Christus. We herhalen de twaalf slagen in het kort:
1. Er vallen enkele lichtstralen in de ziel, die laten zien dat we verloren zijn. Hierdoor worden we opgewekt uit onze vaste slaap en kunnen we niet meer in onze vroegere levenswijze rusten. Het betekent dat we proberen de zonden van bedrijf na te laten (‘negatieve heiligheid’).
2. We voelen de zonden van nalatigheid branden, we hebben overtreden tegen elk van Gods Tien Geboden.
3. De consciëntie beschuldigt dat we een plicht hebben verwaarloosd en we ontdekken dat ook een positief, heilige levenswandel ons niet kan redden. Het vlammend zwaard van Gods wet verschijnt en de vloek weerklinkt: ‘Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen’.
4. We ontdekken meer en meer dat ons hart een mesthoop is van helse lusten en er blijft van onze uiterlijke godsdienst niets over.
5. We zijn ter wereld gekomen als een schuldig schepsel en de wet beschuldigt ons dat we onze onwetendheid over het hoofd hebben gezien en roept; ‘Betaal mij wat gij schuldig zijt.’
6. De spiegel der wet wordt voor ogen gesteld en laat zien dat we zondigen in alles wat we doen, zelfs in onze beste werken.
7. We moeten daadwerkelijk voldoen aan de eis van de wet, de vloek rust op ons als we dat niet kunnen. Een schikking maken met de schuldeiser is onmogelijk.
8. We moeten de schuld alleen dragen. Het is niet mogelijk dat de eigengerechtigheid van de mens wordt aangevuld met de gerechtigheid van Christus. 
9. De toevlucht tot de leugen wordt afgesneden; Boston beschrijft hier de mens die niet betalen kan en toch betalen moet, die zich schaamt om te bedelen. Daarom gaat hij zichzelf verkopen aan de Zoon van God. En op grond van deze overeenkomst, dit verbond, wil hij God behagen. Echter dit verbond wordt door de mens weer verbroken, doordat hij de plichten niet nakomt. Zo is het leven van velen een maken en verbreken van verbonden.
10. De tiende slag is een doorsteken van het hart met duizend pijlen. De mens komt in de bedelstand, maar toch niet met geheel lege handen; hij toont zijn begeerten naar Christus, zijn gebeden, zijn worstelen om genade. Voor ogen wordt gesteld dat hij Jezus Christus heeft versmaad vanwege zijn ongeloof. Een zonde waar hij nog nauwelijks bekend mee was. Het bloed van de Zoon van God heeft hij vertreden en zo is hij een ellendig voorwerp van de wraak van de wet en zelfs van de wraak van het Evangelie(!)
11. In het hart leven allerlei verdorvenheden en gruwelijkheden. Dit is een slag met de bijl van de wet in haar prikkelende kracht. Hoe komt de mens hier? Hij ziet dat hij niet kan, niet wil en niet behoort tot Christus te komen of hij moet in een betere staat zijn en daarom gaat hij ernstiger bidden en krachtiger strijden tegen de zonde. Maar in deze werkzaamheden trekt God Zijn weerhoudende genade terug en komen de verdorvenheden op die nooit eerder in het hart werden opgemerkt.
12. De rank hangt nu nog aan een enkel draadje van een natuurlijk geloof en in de laatste slag wordt ook deze draad doorgesneden en de rank volledig afgekapt. Met de laatste kracht die er nog is tracht hij te geloven en Christus aan te grijpen. Waarbij Christus de vraag stelt: ‘Hoe kunt gij geloven?’ Zo wordt ontdekt dat hij zichzelf niet helpen kan door te werken en door te geloven. En nu, als de mens denkt onder te gaan dan wordt hij opgenomen en ingeënt in de Ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus die hem de Geest des geloofs geeft.
 
Afronding van de derde staat
Boston beschrijft als laatste punt in de derde staat de weldaden die uit de vereniging met Christus vloeien. De rank heeft onmiddellijk na de vereniging met de stam gemeenschap met alles wat die stam bevat en zo geldt het ook voor een gelovige die zich verenigt met Christus. Hij wordt bij die gemeenschap te water gelaten in een oceaan van gelukzaligheid en geleid in een paradijs van genietingen. Bijzondere weldaden die hieruit voortvloeien zijn:
  • Rechtvaardigmaking: de met Christus verenigde zondaar is geen veroordeelde meer, maar is gerechtvaardigd voor God omdat hij in Christus is. De vruchten hiervan zijn vergeving van zonde (1) en persoonlijke aanneming (2). Een beeldend citaat bij de eerste vrucht: De schuldbrief die hem verplicht zijn schulden te betalen, wordt nietig verklaard. God de Vader neemt de pen, doopt haar in het bloed van Zijn Zoon, streept de rekeningen van de zondaar door en wist ze uit Zijn schuldboek. Door de rechtvaardiging wordt de zondaar een vrijgelatene. In Christus, de Borg, is aan de wet en haar eisen voldaan. Christus heeft het handschrift van de zondaar uitgewist en aan het kruis genageld zodat er nooit meer op teruggekomen kan worden.
  • Vrede met God: terwijl God eerst hun Vijand was is Hij nu met hen verzoend in Christus. Zoals Abraham Gods vriend was, zo zijn zij ook Gods vrienden. Hun gewetens zijn gezuiverd. Bij ongelovigen is het zo dat ze hun geweten tot bedaren kunnen brengen zonder dat het gezuiverd is. Velen begraven hun schuld in het graf van een slecht geheugen. Ook het verrichten van plichten kan enige rust geven aan verontruste gewetens. Boston illustreert zowel deze toestand als de genezing aan de hand van de geschiedenis van Elihu (vriend van Job).
  • De aanneming tot kinderen: wanneer de gelovige verenigd wordt met Christus, wordt hij lid van de hemelse familie, een kind van God door genade. Door de inenting in Hem zijn ze verenigd met de ‘adopterende Boom’. Ze hebben in Hem een toevlucht en verberging. Tuchtiging past ook bij het voorrecht van de zonen; het wordt hun niet toegestaan door te gaan met hun overtredingen.
  • Heiligmaking: door de vereniging met Christus, zijn zij Zijn Geest, Die de Geest der heiligmaking is, deelachtig. De Geest der genade wordt vergeleken met een Fontein die altijd vol is tot verspreiding en mededeling. Ieder deel van de mens wordt geheiligd, hoewel geen enkel deel volmaakt. De heiliging werkt door in hoofd, hart en leven. De heiligende Geest is voor hen een Geest van doding (doding van de zondige werkingen van het lichaam) en een Geest van levendmaking (leven tot gerechtigheid, in staat om de geestelijke levensverrichtingen uit te voeren). Het is de Geest die levend maakt. De menselijke natuur is verenigd met de Goddelijke natuur in de Persoon van de Zoon, en ligt dus aan het hoofd van de fontein van de Godheid, en ze ontvangt de Geest niet met mate, maar ze heeft altijd een volheid van de Geest uit kracht van die persoonlijke vereniging. Aangezien de gelovigen verbonden zijn met de mens Christus, is Zijn vlees voor hen ‘waarlijk spijs’ en Zijn bloed ‘waarlijk drank’. Om de heilige God en de zondige mens te verenigen nam de Zoon van God de menselijke natuur aan.
  • Wasdom in de genade: door de toediening van voedsel, wassen zij op ‘met Goddelijke wasdom’ (Kol. 2:19). Genade is van groeiende aard. Soms kruipend, soms wandelend, soms lopend en soms vliegend als een arend op weg naar Sion. Soms is er sprake van verachtering. Christenen hebben ook hun winters, waarin de inwerkingen van de genade, die nodig zijn voor de groei, opgehouden zijn. Christenen kunnen hun groei ook verkeerd opvatten, aldus Boston. Ze beoordelen hun groei/toestand volgens het gevoel dat zij op dat moment hebben en dan is dit moeilijk waar te nemen. Vergelijken zij hun huidige toestand echter met hoe zij vroeger waren, dan is dit beter te zien (vlg. het met het groeien van een boom in een paar jaar tijdsbestek). Christenen kunnen hun toestand verkeerd opvatten door hun groei af te meten naar de vorderingen van de top alleen en niet naar de vorderingen van de wortel. Een christen kan groeien in nederigheid, zelfverloochening en afhankelijkheid en dan kan het hem ontbreken aan de zoete vertroosting en genegenheid die hij soms had. Ter waarschuwing: ook geveinsden groeien. Onkruid groeit net zo goed als tarwe. Alleen het verschil is, dat er geen vrucht is. De groei van de ware christen vertoont een bijzondere schoonheid omdat ze algemeen, regelmatig en evenredig is. Dat is een verschil met de groei van de geveinsden die bijvoorbeeld een veel groter hoofd hebben met een mager lichaam; ze krijgen meer kennis in hun hoofd, maar niet meer heiligheid in hun hart en leven.
  • Vruchtbaarheid: de ingeënte tak draagt vrucht. Juist voor dat doel zijn zielen met Christus gehuwd, opdat zij ‘Gode vruchten dragen zouden’ (Rom. 7:4). Het geloof wordt altijd gevolgd door goede werken. De vruchten van heiligheid zullen gevonden worden in het hart (een ommuurde hof voor Hem), op de lippen (aangeraakt met een gloeiende kool van het altaar) en in de levenswandel (rein van handen en zuiver van hart) van hen die met Christus verenigd zijn. Hij is het Oogmerk van hun leven. Zij leven voor Hem en ‘het leven is hen Christus’. Hoe kunnen we onze voeding, groei en vruchtbaarheid bevorderen?
  1. Maak van uw vereniging met de Stam een vast werk door ongeveinsd geloof.
  2. Arbeid om standvastig te blijven in de waarheid en in de weg Gods.
  3. Tracht de uitlopers eraf te snoeien, zoals de tuinmannen dat doen om hun bomen goed te laten groeien. ‘Doodt dan uw leden die op de aarde zijn.’
  4. Maak met het oog hierop een nuttig gebruik van Gods ordinantiën. Psalm 92 leert ons dat de voorhoven van onze God plaatsen zijn waar de bomen der gerechtigheid groeien. Kom naar deze fonteinen des heils om er water te putten (bijv. het Heilig Avondmaal).
  • De aanneming van hun vruchten van heiligheid: hoewel de vruchten zeer onvolmaakt zijn, worden ze aangenomen omdat ze geuren naar Christus. De Heere ontvangt de gebrekkige plichten van de heiligen genadig. Iedere ware christen is een tempel voor God. Offeranden des lofs ontbreken daar niet. Aan zulke offeranden heeft God een welbehagen. Christus Zelf is het Altaar dat de gave heiligt.
  • Bevestiging in de staat der genade: de christen kan niet afvallen, maar moet volharden tot het einde: ‘Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.’ (Joh. 10:28). De rank die stevig vergroeid is met de Stam, zal er bij een stevige wind niet afwaaien. De ranken zijn zelden in rust. Windstiltes zijn nooit van lange duur. De heiligen moeten dagelijks moeite doen om stand te houden tegen de verleiding. De christen gaat vooruit door deze beproevingen. Boston haalt Luther aan: ‘Eén christen die ondervinding heeft gehad van verzoeking, is wel duizend anderen waard’. Vereniging met de Stam biedt voldoende veiligheid aan de ranken.
  • Ondersteuning bij beproevingen en verzoekingen: als iemand een rank is die ingeënt is in Christus, dan draagt de wortel hem. De gelovige leunt op Christus, zoals een oude vrouw dat doet op een staf. Welke gewichten er ook aan de rank hangen, de Stam draagt ze. Christus ondersteunt de gelovigen die in Hem zijn, wanneer ze gebukt gaan onder een gewicht van uitwendige beproevingen. De Heere komt en legt Zijn kruis op de schouders van Zijn volk. Het drukt hen neer en het lijkt, alsof zij eronder weg zullen zinken, en daarom roepen zij: ‘Heere, behoed ons, wij vergaan.’ Maar Hij schraagt hen onder hun last. Hij ondersteunt hen, en zij dragen hun kruis. Christus ondersteunt Zijn volk onder een gewicht van inwendige beproevingen en ontmoedigingen. Als ze bijvoorbeeld het gewicht ervaren van sterke lusten die hen terneer drukken. Dit kan het geval zijn omdat ze nog een lichaam des doods in zich omdragen. De grote stut van de gelovige is de genade van God buiten hem. De heiligen vallen echter nog dikwijls onder verzoekingen en ontmoedigingen. Echter, hoe laag zij ook vallen, zij vallen nooit af. Het vallen van de heiligen wordt veroorzaakt doordat zij hun vereniging met Christus niet versterken, doordat zij geen gebruik van Hem maken tot hun ondersteuning en bemoediging door het geloof. Door Davids val werden zijn beenderen verbrijzeld (Ps. 51:10), maar zijn val verbrak de band tussen Christus en hem niet.
  • De bijzondere zorg van de Landman: gelovigen zijn, krachtens hun vereniging met Christus, voorwerpen van Gods bijzondere zorg en voorzienigheid. Zelfs het kruisdragen zouden we kunnen rekenen onder de weldaden van de gelovigen met Christus. Want zij lijden in hun lijden met Hem. Er ligt een zekere zoetheid in als iemand ziet dat hij beproefd wordt voor de hemel en dat hij kandidaat staat voor de heerlijkheid.

Besluit
Een woord tot de heiligen
Streef ernaar om dadelijke omgang en gemeenschap met Jezus Christus te verkrijgen en te behouden. Put door het geloof steeds een nieuwe toevloed van genade uit de fontein die er is in Hem en pas op voor vervreemding tussen Christus en uw ziel. Acht Christus zeer hoog. Het is voor elke vrouw onbetamelijk om de omgang met haar man klein te achten, maar het is vooral onbetamelijk voor haar die uit de gevangenis werd gehaald, of van de mestvaalt, zoals u door uw Heere werd gehaald. Wandel zoals het hen betaamt die verenigd zijn met Christus. Nu u belijdt dat Christus in u is, laat dan Zijn beeld uitblinken in uw levenswandel en bedenk dat het uw levenstaak is om door uw levenspraktijk te bewijzen wat u bezit.
Als heilige bent u verplicht tot de volgende dingen:
 
1. Wandel waardig en welbehaaglijk voor de Heere.
2. Breng veel vruchten voort, daarin wordt de Landman verheerlijkt.
3. Wees hemelsgezind en behoud uw heilige verachting voor de wereld.
4. Leef en handel in afhankelijkheid en verlaat u door het geloof op Jezus Christus.
5. Wees zachtmoedig van aard en toon u genegen om u te verenigen met de medeleden van Christus’ lichaam.
 
Een woord tot de zondaren
 
De beschreven weldaden zijn niet voor de zondaren, omdat ze niet in Christus zijn. Ze bezitten de zondigheid en ellende van de onwedergeboren staat, maar niet de vreugde en weldaden van dit woord. De vrede, aanneming tot kinderen, heiligmaking, etc. zijn vreemd voor u. Alles wat ik hierover kan zeggen, is dat de toestand niet hopeloos is. Ze kunnen de uwe nog worden: ‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.’ De hemel stelt nog een vereniging met de aarde voor. De pottenbakker doet nog een aanzoek aan zijn eigen leem, en de poorten van de vrijstad zijn nog niet gesloten. O, dat wij u konden dwingen in te komen!