Doorgaan naar hoofdcontent

Bostonkring, avond 10

Hartelijk welkom op deze tiende kringavond van de Bostonkring. Op deze avond zal een gedeelte van de vierde staat worden behandeld. Eerst zullen we een korte Bijbelstudie over Mattheüs 7 lezen.

Bijbelstudie
Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden. Mat. 7:13-14

Als u op de smalle weg bent, bent u binnengegaan door de enge poort van de bekering tot God (Mat. 18:3). U hebt het bittere van de zonde beseft, en daarin het bittere van de dood. U bent vrijwillig door het geloof uit het uwe gebracht, naar Christus toe, en door Hem in een oprecht berouw tot God.

Als u op de smalle weg bent, beseft u ook hoe smal die is, maar bent u toch vastbesloten er niet van af te gaan, maar er op voort te gaan. Zo is uw leven een voortdurende strijd (Fil. 3:14). Gods geboden zijn uw regel, het voorbeeld van Christus is uw voorbeeld. De wil van God is de beweegreden van uw wandel, het eren van God het doel en oogmerk van uw leven, en de Christus Gods de Bron van uw kracht voor de weg.

Als u nog niet op de smalle weg bent, moet u zich ertoe zetten die te vinden. Ga in uw pogen tot het uiterste om door de enge poort binnen te gaan, want anders kunt u op de smalle weg niet komen. Wees niet op uw gemak als u het werk van oprechte bekering in uw ziel niet hebt, maar zoek ernaar. Bid erom, hoor daartoe het Woord, denk over uw situatie na, geef ruimte aan de overtuiging en acht die hoog. Sta ernaar een dusdanig zicht op Christus in Zijn heerlijkheid en schoonheid te krijgen, dat dit u tot ware bekering zal brengen. 

Sta naar een leven van heilige gehoorzaamheid, in het volgen van de voetstappen van Christus Zelf en van de voetstappen van de kudde. U moet zich erop toeleggen de weg van de afsterving te gaan. U moet elke dag de zonde en het geschapene afsterven. U moet zich wijden aan de weg van de nieuwheid van het leven. Leef voor God en niet voor het geschapene, voor de gerechtigheid en niet voor de zonde.[1]

Samenvatting Vierde Staat, hoofdgedachte 3, De opstanding
Boston begint deze hoofdgedachte met een korte Bijbelstudie over Johannes 5:28-29. ‘Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.’

Hij haalt hieruit een vijftal leerpunten. Zo zullen de dode lichamen, die tot stof vergaan zijn, weer tot leven komen. Dat ze weer tot leven zijn gekomen zal blijken uit het feit dat ze horen en bewegen. De doden zullen opgewekt worden door Christus, omdat ze Zijn stem zullen horen. Alle doden zullen opstaan, ongeacht waar hun overblijfselen gebleven zijn. De godzaligen zullen een blijde opstanding ten leven hebben. De goddelozen een vreselijke opstanding ter verdoemenis. Het tijdstip waarop dit alles zal plaatsvinden is alleen bij God bekend. 

1. De zekerheid van de opstanding
Boston vervolgt deze hoofdgedachte met het uiteenzetten van het leerstuk dat er een opstanding der doden zal zijn. Dat er een opstanding zal plaatsvinden onderbouwt Boston op twee manieren. Hierbij sluit Hij aan bij Gods almacht, de Heere kan de doden opwekken, en bij Gods belofte, Hij zal de doden opwekken. Boston onderbouwt dit met verschillende voorbeelden uit het Oude en Nieuwe Testament (zoon van de weduwe in Zarfath, de zoon van de Sunamitische, de man die in het graf van Elisa werd geworpen, het dochtertje van Jaïrus, Dorkas, Lazarus, etc.). 

Boston stelt hierbij de retorische vraag: ‘Kan de grote Schepper, Die alle dingen uit het niets heeft voorgebracht, niet het lichaam van een mens opwekken, nadat dit tot stof is vergaan?’[2] Het feit dat mensen in kracht en wijsheid tekort schieten om de opstanding te begrijpen, wil nog niet zeggen dat God dit niet zou kunnen doen. De Heere is alwetend. Hij weet wat de mensen geweest zijn, wanneer ze geleefd hebben, wat ze zijn en waar ze te vinden zijn. Om die reden weet de Heere God waar de deeltjes van elk overleden lichaam zich bevinden, of ze nu in de aarde zijn, of in de zee, of in de lucht, hoe wanordelijk ze nu ook door elkaar liggen.

Volgens Boston is het lichaam dat opgewekt zal worden, hetzelfde lichaam dat eens stierf, ongeacht het feit dat dit lichaam gezuiverd zal worden. God schiep eens de wereld uit niets en zal straks opnieuw het menselijk lichaam vormen uit het stof.

De Heere God kan de doden dus opwekken, maar zal dit ook doen. Dit heeft Hij in Zijn Woord beloofd. Boston citeert hierbij, onder andere, Lukas 20:37-38: ‘En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs. God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.’ Mozes noemde God de God van Abraham, Izak en Jakob. Hij is de God van hun persoon, ziel en lichaam. Toch lagen Abraham, Izak en Jakob op dat moment in hun graf. De gelukzaligheid die bij het verbond hoort, kan echter alleen de volle uitwerking hebben op de levenden. Daarom zijn de aartsvaders, omdat God toch hun God genoemd wordt, wat de Heere betreft levend, hoewel hun lichaam nog in het graf is. Anders gezegd, vanuit Gods perspectief moeten zij als levend beschouwd worden. Hun dood is slechts een slaap, waaruit zij zeker zullen opgewekt worden krachtens het verbond, wat hen de gelukzaligheid belooft aan hun persoon, ziel en lichaam. De vele beelden uit de Schrift, bijvoorbeeld de jaargetijden, herinneren ons eraan dat God de doden eens zal opwekken.

2. De aard van de opstanding
Boston vervolgt zijn hoofdgedachte over de opstanding met het bespreken van de volgende drie vragen:

Wie worden er opgewekt?
Bij de wederkomst van Christus zullen alle mensen die eens gestorven zijn weer opstaan. Zij die dan nog in leven zijn zullen ook een nieuw, onsterfelijk lichaam ontvangen. Dit zal in een ‘punt des tijds’ gebeuren (1 Kor. 15:51-52). Ook zij die nooit de zon zagen, maar stierven in de moederschoot, zullen een nieuw lichaam ontvangen.

Wat zal er opgewekt worden?
De lichamen van de mensen zullen worden opgewekt. De mensen zullen verschijnen met dezelfde lichamen, die begiftigd zijn met andere eigenschappen. Dit opstandingslichaam zal gelijkvormig zijn aan het verheerlijkte lichaam van Christus (Fil. 3:21). Ook de goddelozen zullen met hun eigen lichaam opstaan. Het is met dit lichaam dat zij eeuwig zullen lijden.


Hoe zullen de doden opgewekt worden?
Op de jongste dag zal Christus verschijnen als de Rechter van de wereld. Dit zal gepaard gaan met een geroep, met de stem van de aartsengel en met de bazuin van God (1 Thess. 4:16). Boston durft niet met zekerheid te zeggen of de wederkomst letterlijk met een of ander hoorbaar geluid zal plaatsvinden, maar acht dit goed mogelijk. Het kan ook zijn dat dit slaat op de goddelijke macht om de doden op te wekken. Hoe het ook zij, de hele wereld zal weten dat Christus is teruggekomen en de doden zullen opstaan. De doden zullen uit hun graf opstaan om er nooit meer in terug te keren. Ze staan op om het definitieve vonnis te ontvangen, aldus Boston.

Het onderscheid tussen de godzaligen en de goddelozen bij hun opstanding
De godzaligen zullen opgewekt worden uit de kracht van de Geest van Christus. Jezus Christus stond uit de dood op als de Eersteling dergenen die ontslapen zijn (1 Kor. 15:20). Zij zullen tevoorschijn komen met onuitsprekelijke vreugde. Zoals een bruid, die voor haar man versierd is, uit haar slaapkamer uitgaat tot de bruiloft. Zo zullen de heiligen uit hun graven uitgaan ‘tot de bruiloft des Lams’. Dan zullen zij op de hoogste toon het gezang van Mozes zingen en van het Lam, omdat de dood geheel ‘verslonden is tot overwinning’.

Boston beschrijft op ontroerende wijze de ‘ontmoeting tussen de ziel en het lichaam’ als deze na lange tijd weer verenigd worden. Het lichaam zal tegen de ziel zeggen: ‘O, mijn ziel, zijn wij weer bij elkaar gekomen na zo’n lange scheiding! Bent u weer teruggekomen in uw oude woning, om er nooit meer uit te gaan! […] Het was uw voornaamste zorg om Christus, de Hoop der heerlijkheid, in ons te krijgen en mij te maken tot een tempel voor Zijn Heilige Geest. […] U hebt deze tong gebruikt bij het belijden, bij het smeken en bij het dankzeggen en deze tong zal voortaan gebruikt worden om eeuwig te loven. […] Nu, mijn ziel, u zult niet meer klagen over een ziek en pijnlijk lichaam, u zult niet meer gehinderd worden door zwak en vermoeid vlees. Ik zal nu gelijke tred met u houden om God eeuwig te loven en te prijzen’.

De ziel zal tegen het lichaam zeggen: ‘O, gelukkige dag, waarop ik terugkeer om in dat gezegende lichaam te wonen, dat was, en dat is, en dat altijd een lid van Christus zal zijn, een tempel van de Heilige Geest! […] Sta dan op, mijn lichaam, en kom mee en laat deze ogen, die dienstdeden om over mijn zonden te wenen, nu met vreugde het gelaat van onze heerlijke Verlosser aanschouwen. […] Wij namen samen deel aan de strijd, kom nu mee, laat ons samen gaan om de kroon te ontvangen en die te dragen’.

Ook de goddelozen zullen door Christus worden opgewekt. Ze zullen angstig en ontsteld zijn. In plaats van Christus te aanbidden zullen ze roepen tot de bergen en tot de steenrotsen om op hen te vallen en hen te verbergen voor het aangezicht van het Lam.

Op aangrijpende wijze schetst Boston ook hier een ‘ontmoeting tussen de ziel en het lichaam’ van de goddeloze. Het lichaam zal tegen de ziel zeggen: ‘Hebt u mij gevonden, o mijn vijand, mijn ergste vijand, meedogenloze ziel, wreder dan duizend tijgers? […] O, was ik maar het lichaam van een pad of van een slang geweest, dan uw lichaam, want dan had ik nu stil terneer gelegen en had ik deze vreselijke dag niet gezien! […] Vervloekte ziel, waarom bleef u niet waar uw was, gehuld in vlammen van vuur? Waarom bent u teruggekomen om mij ook mee te nemen naar de grendelen van de put des afgronds? […] Deze tong werd door u gebruikt om met de godsdienst de spot te drijven, om te vloeken, te zweren, te lasteren, en te pochen. […] Maar ach! Ik moet eeuwig branden voor de liefde tot uw zinnelijke lusten, uw godslasteringen, uw ongeloof en geveinsdheid’.

De ziel zal tegen het lichaam zeggen: ‘Ellendig en afschuwelijk geraamte, ik word nu weer in u teruggedreven! O, was u maar voor eeuwig blijven rotten in uw graf! Ben ik al niet genoeg gepijnigd? […] Het was door het zorgen voor u, dat ik verloren ging. Het was het voorzien in al uw lichaamsbehoeften en het bevredigen van uw zinnen, dat mij verdierf. […] Ach vervloekte vermakelijkheden, waarvoor ik voor eeuwig in de uiterste duisternis moet liggen!’

De eigenschappen van de opgewekte lichamen van de heiligen
De lichamen van de godzaligen zullen onverderfelijk, heerlijk, krachtig en geestelijk opgewekt worden. Ze zullen een eeuwige jeugdigheid en kracht bezitten, omdat ze niet meer onderworpen zijn aan het verval dat de ouderdom in dit leven teweegbrengt. Het zullen sierlijke en levenslustige lichamen zijn. De mens die nu op aarde het mooiste en best gebouwde lichaam heeft, zal erbij in het niet vallen. Kortom, de mens zal gelijkvormig zijn aan Christus.

Boston houdt hierbij een slag om de arm. Hoewel Christus een verheerlijkt lichaam heeft, zijn de littekens van Zijn kruisdood nog wel zichtbaar. Het kan zijn, aldus Boston, dat de godzaligen ook littekens houden die ze op aarde voor de zaak van Christus hebben opgelopen. Maar dit zijn dan eigenlijk geen tekenen van imperfectie meer, maar ere- en onderscheidingstekens, aldus Boston. 

Het opstandingslichaam zal krachtig en sterk zijn. Het lichaam wat de mens nu heeft is niet in staat om de hemelse heerlijkheid te dragen. Straks zal dat anders zijn. Het zullen geestelijke lichamen zijn. Dat betekent niet dat de lichamen niet van vlees en bloed zullen zijn, maar dat ze geestelijk zullen zijn met betrekking tot hun geestelijke eigenschappen en begaafdheden. Het lichaam zal compleet onderworpen worden aan de ziel en helpen bij het vervullen van haar hemelse werkzaamheden. 

De eigenschappen van de opgewekte lichamen van de goddelozen
Over de eigenschappen van de lichamen van de goddelozen bij de opstanding wordt weinig gezegd in de Bijbel. Het zullen onsterfelijke lichamen zijn en daarom ook eeuwig de toorn van God moeten dragen. Ze zullen opstaan tot ‘eeuwige verachting’ en in het laatste oordeel openbaar komen als vijanden van God.

Nuttig gebruik tot troost van Gods volk
De opstanding is tot troost van Gods volk. Als zij in de rouw zijn vanwege het overlijden van een godzalige, moeten ze beseffen dat ze hen opnieuw zullen zien. ‘Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem (1 Thess. 4:13-14).’

Boston is ervan overtuigd dat de mens hun jonge zuigelingen weer zullen zien. Hij roept op om het verbond te omhelzen en als troost te laten fungeren. Krachtens dit verbond zullen ze opgewekt worden in heerlijkheid en geen zuigelingen meer zijn van een aantal dagen oud, maar tot een volkomen en volmaakte gestalte zijn.

De gelovige moet nu nog worstelen met de dood en zullen eens ten val gebracht worden door deze laatste vijand. Maar ze zullen weer opstaan en tenslotte als overwinnaar uit de strijd komen. Vrienden en familieleden zullen ons achterlaten op het kerkhof, maar God zal ons niet verlaten. 

Nuttig gebruik tot verschrikking van de onwedergeborenen
De opstanding is tot verschrikking van alle onwedergeboren mensen. Uw ellendige ziel en uw ellendig lichaam zullen weer verenigd worden om voor de rechterstoel van God verhoord te worden. Het is nu onze zaaitijd. Wat wij zullen zaaien zullen wij ook maaien. Het lichaam dat nu voor onkuisheid en wellust gebruikt wordt, zal straks eeuwig bij de onreine geesten in de hel moeten verblijven. Al hun versieringen zullen van hen afgerukt worden en zij zullen geen vod meer hebben om hun naaktheid te bedekken, maar hun dode lichamen zullen ‘een afgrijzing’ voor alle vlees zijn en zullen dienen als een contrast om de schoonheid en heerlijkheid van de rechtvaardigen te doen uitkomen en die glanzender te laten schijnen.

Als wij dit alles willen ontvlieden moeten wij door het geloof met Christus verenigd worden. Als wij nu al geestelijk uit de zonde opstaan, zal onze lichamelijke opstanding straks heerlijk zijn!


Literatuurlijst
Boston, T. De Menselijke Natuur in Haar Viervoudige Staat. Houten: Den Hertog, 2014.
Boston, T. De Wijde En De Enge Poort. Houten: Den Hertog, 2014.



[1] T. Boston, De Wijde En De Enge Poort (Houten: Den Hertog, 2014), 169-70.
[2] T. Boston, De Menselijke Natuur in Haar Viervoudige Staat (Houten: Den Hertog, 2014), 339.