Doorgaan naar hoofdcontent

Bostonkring, avond 12

Vierde staat, hoofdgedachte 5 en 6, “Het Koninkrijk der hemelen” en “De hel”

Door: M.G.J. Kerpel

Alsdan
Nadat “Koning” Christus de mensen heeft geoordeeld, als de rechtszitting voorbij is, “alsdan” (Matth. 25:34) zal Hij het vonnis uitspreken. “Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.” 

Het vonnis houdt twee dingen in:

1. De toewijzing van de volledige gelukzaligheid, “het Koninkrijk”. Dit Koninkrijk is geen gewoon koninkrijk, maar hét Koninkrijk. “Het overtreft alle koninkrijken op aarde in heerlijkheid, eer, nut en vreugde oneindig meer.”
2. De plechtige toelating tot dit Koninkrijk: “Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft.” De heiligen worden ingehuldigd door Jezus Christus.
 
Drie delen
Op basis van deze Bijbeltekst spreekt Boston over de hemel, met de focus op de hemel als een koninkrijk, “het Koninkrijk der hemelen”. Boston knipt het hoofdstuk in drie delen:
 
1. De aard van het Koninkrijk
2. De toelating van de heiligen tot dit Koninkrijk
3. En het nuttige gebruik van het leerstuk
 
1. De aard van het koninkrijk
 
De kennis over de hemel is zeer gebrekkig. “Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben” (1 Kor. 2:9). Boston zegt dat we er slechts over kunnen spreken als een kind, omdat God aardse vergelijkingen gebruikte in Zijn Woord. Hij werkt de heerlijkheid van de hemel vervolgens uit aan de hand van het thema’s rond een Koninkrijk. “Omdat een koninkrijk onder mensen iets is waarin het grootste aantal goede dingen van de aarde geconcentreerd zijn.” Elke heilige zal als een koning een koninkrijk beërven. Hij gebruikt verschillende beelden:
  • De Koninklijke macht en autoriteit van de heiligen
 
De hemel wordt voorgesteld als een koninkrijk. Elke heilig zal koning zijn, al zijn ze onderdanen van Christus. Niet dat “de grote Koning Zichzelf zal ontdoen van Zijn koninklijke waardigheid, maar Hij zal al Zijn kinderen deelgenoten maken van Zijn koninkrijk.”
 
Ze zullen als koningen heersen. “Over de zonde die vroeger heerschappij over hen had.” En over hun geest en hun genegenheden en lusten. Over de goddelozen, de wereld en de satan.
  • Hun tekenen van Koninklijke waardigheid
De heiligen in de hemel bezitten tekenen van koninklijke waardigheid. Ze mogen met Christus zitten in Zijn troon. Ze krijgen “de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid”. Ze krijgen een scepter. En koninklijke, witte klederen. Boston: “Deze verwijzen op een bijzondere wijze naar de niet te bevatten heerlijkheid van de staat van de heiligen in de hemel.” “Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen (…) die wit gemaakt zijn in het bloed des Lams” (Openb. 7:13,14).
 
Boston werkt de heerlijkheid van die klederen uit aan de hand van vijf gelegenheden waarbij er witte klederen werden gedragen:

1. In Romeinse tijd kregen losgelaten slaven een wit kleed mee, als teken van hun vrijheid. Zo zullen de heiligen in de hemel volledig bevrijd worden van de zonden.
2. Witte kleding werd gedragen als een teken van reinheid. “De heiligen zullen dan de klederen van volmaakte reinheid aantrekken en zij zullen blinken in vlekkeloze heiligheid, zoals de zon als zij het krachtigst schijnt zonder dat de geringste wolk het licht onderschept. (…) Als het mogelijk zou zijn om hen weer te plaatsen te midden van de verlokkende dingen van een zondige wereld, dan zouden zij daartussen verkeren zonder de minste bezoedeling.” Net als de zon die een vuile mesthoop beschijnt, zelf niet vuil wordt.
3. Priesters droegen witte klederen. Heiligen zullen het “eerbiedwaardige” priesterambt vervullen in de hemelse tempel. “Hun priesterschap dat op aarde begonnen is, zal tot volmaaktheid gebracht worden.” Hun taak? “Zij zullen in alle eeuwigheid bezig zijn met het offeren van de offerande des lofs aan God en het Lam.”
4. In tijden van overwinning droeg men witte klederen. “Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen” (Openb. 3:5). “Wat is de hemel anders dan een eeuwigdurende overwinning? Niemand komt daar dan alleen zij die strijden en overwinnen.” Hier op aarde heerst een geestelijke strijd. Boston beschrijft hoe heerlijk de overwinning in de hemel is na de strijd van Gods kinderen in hun leven. “Elke rake slag die zij hebben toegebracht in de geestelijke strijd, zal een juweel zijn aan hun gloriekroon. Iedere overwinning die behaald is op de zonde, de satan en de wereld, zal hun triomferende vreugde verhogen. De herinnering aan het kruis zal de kroon verzoeten. (…) Ze hebben met tranen gezaaid; de tijd om met gejuich te maaien is gekomen, “en God zal alle tranen van hun ogen afwissen” (Openb. 21:4). (…) De rebellen zijn onderworpen (…), en de heiligen blijven in de volmaaktste vrede hun overwinning vieren.”
5. Op feestdagen werden witte klederen aangetrokken. De heiligen zullen een eeuwige sabbat, de eeuwige rust vieren en genieten. Geen zware arbeid meer. Geen vermoeidheid meer. “Zij rusten daar in God, Die het Middelpunt is van hun ziel.”
  • Het land waar dit Koninkrijk gelegen is
De plaats van dit Koninkrijk is niet in de wereld, het is een hemels land. Het beste land, Immanuëlsland. Het ontbreekt er aan niets: niet aan voedsel, water, zonneschijn. “Aldaar zal geen nacht zijn” (Openb 21:25)”. “Dit is het land waarheen al de heiligen die ons zijn voorgegaan, zich een weg gevochten hebben, en waarheen de martelaren met blijdschap zijn gezwommen door een zee van bloed.”
  • De koninklijke stad
Het hemelse Koninkrijk is als een machtige stad: het heilige Jeruzalem. “De stad die fundamenten heeft” (Hebr. 11:10), een toekomende, blijvende stad (Hebr. 13:14). Met muren van Jaspis, straten van goud, poorten die niet gesloten worden, “want aldaar zal geen nacht zijn” (Openb. 21:25). Het is een stad die nooit van inwoners verandert, en waar volmaakte vrede en liefde heerst tussen de inwoners.
  • Het koninklijk paleis
Het hemelse Koninkrijk is als een paleis: een huis met “vele woningen” (Joh. 14:2). Boston: “Dat is het huis dat voor de erfgenamen der heerlijkheid toebereid is, zelfs voor hen die nu in de armzaligste huisjes wonen of die hun hoofd nergens neer kunnen leggen.”
  • De tuin van het paleis
Het hemelse Koninkrijk is als een tuin: een heerlijk paradijs. De Heiland zei tot de moordenaar: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn” (Luk 23:43). In het paradijs stroomt “een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams” (Openb. 22:1). De heiligen mogen daar weer vrij eten van de “Boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is” (Openb. 2:7). Boston: “En zij zullen voor eeuwig zwemmen in de oceaan van onvermengde vreugde.”
  • De koninklijke schatten
Het hemelse Koninkrijk bevat schatten. Schatten die niet aan bederf onderhevig zijn. Niet door mot of door roest, een schat die niemand kan stelen. Deze rijkdommen zullen het bezit zijn van de hemelingen. “Die overwint, zal alles beërven” (Openb. 21:7). “Nu zijn zij rijk aan hoop, maar dan zullen zij hun rijkdommen in handen hebben.”
  • De tempel in dit Koninkrijk
In het hemelse Koninkrijk zal geen aardse, stoffelijke tempel meer zijn. “De almachtige God, en het Lam is haar Tempel” (Openb. 21:22). Jezus Christus zal iedere heilige maken “tot een pilaar in de tempel Gods en hij zal niet meer daaruit gaan” (Openb. 3:12). Waar de aardse tabernakel en tempel stonden voor Gods tegenwoordigheid op aarde zal in de hemel de innigste, ononderbroken gemeenschap met God zijn. Dat brengt Boston om uit te weiden over het gezelschap dat zich daar bevindt. “Wat zouden koninklijke macht en autoriteit, tekenen van koninklijke waardigheid, rijkste schatten en alle andere voordelen van een koninkrijk, baten zonder aangenaam gezelschap?”
 
1. Het gezelschap van de heiligen onder elkaar. De omgang tussen heiligen “zal geen gering deel uitmaken” van de gelukzaligheid in de hemel, aldus Boston. Op aarde wonen sommigen nog alleen of voelen ze zich soms eenzaam, maar daar “zullen allen op één plaats bij elkaar zijn.” “Hier op aarde zijn de besten van de heiligen niet zonder zondige onvolmaaktheden die hun gezelschap minder aangenaam maken, maar daar zullen zij volmaakt zijn zonder vlek of rimpel of iets dergelijks.”
Volgens Boston is het “meer dan waarschijnlijk” dat heiligen elkaar in de hemel zullen kennen, in ieder geval vrienden en familie.
2. De heerlijke gemeenschap met God en Christus. Deze gemeenschap betekent de volmaaktheid van de gelukzaligheid. Zonder die gemeenschap zijn de heiligen nooit gelukkig. Boston beschrijft dat die gemeenschap drie dingen omvat:
Allereerst bestaat het uit de heerlijke tegenwoordigheid van God en het Lam. De volheid Gods mogen de heiligen in alle heerlijkheid aanschouwen. Die heerlijkheid is groter dan duizend zonnen. Gods genadige aanwezigheid maakte het voor David zelfs al licht in het dal van de schaduw des doods. Dus: “Welk een verrukkelijke schoonheid zal er dan voortkomen uit de Zon der gerechtigheid, Die op de straat van de stad die belegd is met zuiver goud, schijnt met de glans van de middag.”
Daarnaast gaat het om de volle genieting van God en van het Lam. “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen” (Joh. 17:2). Genieten kan alleen als je een voorwerp volledig kent. Kennen kan door zien en bevinding. In de hemel kennen de heiligen God volmaakt door aanschouwing en bevindelijke kennis. Zij zullen God zien “gelijk Hij is” (1 Joh. 3:2), niet meer “door een spiegel in een duistere rede”, maar van “aangezicht tot aangezicht” (1 Kor. 13:12). Boston: “Zij zullen (ik zeg dat met de diepste eerbied) zien in het hart van God, en daar de liefde zien die hij hun toedroeg van alle eeuwigheid en de liefde en goedgunstigheid die Hij hun voor eeuwig zal toedragen.” Zij zullen niet alleen meer proeven van stroompjes, teugjes, druppels van Gods goedheid, maar ze mogen zich laven en vullen aan de Bron van alle Goed. “In God zal aan al onze begeerten voldaan worden, en buiten Hem zullen wij niets begeren. (…) Hij zal hun leven, gezondheid, rijkdom, eer, vrede en alle goede dingen zijn.” Alle onvolmaaktheid zal verzwolgen en de liefde tot Hem zal volmaakt zijn. “Hun liefde tot God, die gezuiverd is van het schuim van hun eigenliefde, zal zeer zuiver zijn, zodat zij van niets zullen houden dan alleen van God en in God. (…) Ze [de liefde, MK] zal een licht zijn zonder duisternis, een vlammend vuur zonder rook.”
Ten derde zorgt deze heerlijke tegenwoordigheid en deze genieting voor een volheid van onuitsprekelijke vreugde. “Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht” (Ps. 16:11). De vreugde in God is op de aarde maar ten dele. Boston: “De begeerte naar aardse dingen veroorzaakt kwelling, en het genieten ervan eindigt dikwijls in afkeer.” “Wanneer echter alle verkeerde gedachten weggenomen zijn, dan zullen zij niet alleen God genieten, maar ook met onuitsprekelijke vreugde en voldoening rusten in de genieting.” Deze aanhoudende genieting veroorzaakt niet de minste walging. De Heere Jezus onderging voor hen alle smarten. De smarten kwamen op Hem af, vanaf de hemel, de aarde en de hel tegelijk. Hij zei: “Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe” (Mark. 14:34). Waarom? Daarom omdat al de Zijnen “in de vreugde uws Heren” (Matth. 25:21) in zouden gaan. Zwaarmoedigheid zal van de heiligen afvallen. “Hun treuren zal veranderd worden in blijde gezangen, en flessen van tranen zullen uitlopen op rivieren van vreugde.”
  • De eeuwige duur van dit Koninkrijk
Het hemelse Koninkrijk zal eeuwig duren. Er is niet de minste onzekerheid over die duur, omdat dat zou uitmonden in enige vrees of ongerustheid. Nee, de verheerlijkten zullen “altijd met den Heere wezen” (1 Thess. 4:17).
 
Dit was het eerste en grootste deel van het hoofdstuk, over het aard van het Koninkrijk.

2. De toelating van de heiligen tot dit Koninkrijk
  • De officiële toelating
De Rechter roept de heiligen toe om naar hun Koninkrijk te komen. “Komt”, spreekt de stem vanaf de troon. Op de aarde klonk die Evangeliestem ook al. “Komt!” Boston: “Slechts enkelen, wier hart door Zijn Geest zijn aangeraakt, omhelzen de oproep en hun ziel zegt in hun binnenste: “Ziet, wij komen tot U.” Zij geven zichzelf aan de Heere. Voor Hem verzaken zij de wereld en hun wellusten. Zij dragen Zijn juk en werpen het niet van zich af. (…) Ze worden plechtig uitgenodigd om te komen tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. (…) Jezus Christus is de grote Secretaris van de hemel, Wiens taak het is de heiligen in de genadige tegenwoordigheid van God te brengen en op Wiens weg het ligt om hen te brengen in de heerlijke tegenwoordigheid van God in de hemel.”
  • De hoedanigheid waarin zij binnengeleid worden
Christus brengt hen binnen als de “gezegenden van Zijn Vader”, als “erfgenamen des Koninkrijks” en als degenen voor wie het bereid was “van de grondlegging der wereld” (Matt. 25:34).

3. Nuttig gebruik
 
Boston beëindigt het hoofdstuk met drie toepassingen.

Beproeving van de aanspraak op het Koninkrijk der hemelen
Niemand wordt toegelaten tot het Koninkrijk der hemelen dan zij die er aanspraak op kunnen maken en dan zij wiens aanspraak door de grote Rechter wordt erkend. Boston roept dan ook op tot een eerlijk onderzoek van een ieders hart. Bevind je je in de natuurstaat of de staat der genade? Hoe je dat kunt weten? Daarvoor verwijst hij terug naar wat hij schreef over de staat der genade. Verder noemt hij drie dingen. Als men recht heeft op het koninkrijk, dan…
 
1. …heeft het Koninkrijk der hemelen de troon in het hart. En de Koning van dat Koninkrijk is in het hart. In Hem heeft de ziel haar eeuwigdurende rust.
2. …zijn de wetten van de hemel in het hart. “Uw ziel is verzoend met de gehele wet Gods, en in oorlog met alle bekende zonde.”
3. …neemt “de schat in de hemel” de voornaamste plaats in. “Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn” (Matth. 6:21). Vleselijke mensen beroemen zich het meest op hun aardse schatten.

De plicht en de troost van de erfgenamen van het Koninkrijk
Erfgenamen dienen zich zo te gedragen dat het bij hun hoedanigheid en waardigheid past. “Ze moeten zo leven dat het blijkt dat zij vertrouwen en hoop hebben op dit heerlijke Koninkrijk. (…) Laat uw woorden en daden rieken naar de hemel.” Het is onwaardig voor een erfgenaam van het Koninkrijk der hemelen, “om verborgen te zitten tussen de goederen van deze wereld, wanneer hij voort zou moeten gaan om zijn kroon te ontvangen.”

Boston noemt het opmerkelijk dat de hemel in de Bijbel op zoveel verschillende manieren wordt voorgesteld, dat ze passen bij “ieder droevig geval van de heiligen.” Enkele voorbeelden:
  • Worden ze verdrukt? In de hemel zij zullen heersen.
  • Zijn ze arm? De hemel is een schat.
  • Worden ze gedreven naar de woestijn? Er is hun een stad bereid.
  • Worden ze verbannen uit hun vaderland? Zij zullen een beter land beërven.
  • Maken hun bevlekte klederen hen beschaamd? De dag komt, waarop hun klederen wit, zuiver en vlekkeloos zullen zijn.
Vermaning aan hen die geen recht op het Koninkrijk hebben
Boston wekt degenen op die geen recht hebben op het Koninkrijk der hemelen, om het met alle vlijt te zoeken. “Het is geen tijd om stil te zitten en te treuzelen.” Hij vraagt: “Wat kunnen al uw aardse genoegens u baten?”
 
Boston vraagt zich vertwijfeld af: “Ach, waarom ontvangen mensen zo graag hun goed in dit leven? (…) Als u eer verlangt, dan kunt u daar [in de hemel, MK] de hoogste eer ontvangen. (…) Als u rijkdom begeert, de hemel zal een schat opleveren. (…) Neem Christus aan, zoals Hij u in het Evangelie wordt aangeboden en u zult alles beërven.”

HOOFDGEDACHTE 6 – DE HEL
 
“Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is” (Matth. 25:41).

Dat er een straf komt voor veroordeelde vervloekten lijdt geen twijfel. De straf zal niet bestaan uit vernietiging. De behandeling van het “vreselijke onderwerp” doet Boston in vier stukken:
 
1. De vloek waaronder de verdoemden zullen opgesloten worden in de hel
2. Hun ellende onder die vloek
3. Het gezelschap van de duivelen in deze ellendige staat
4. De eeuwigheid van het geheel
 
1. De vloek waaronder de verdoemden zullen opgesloten worden in de hel
 
De vloek die verdoemden naar de hel verwijst, is het vonnis van de wet. Die vloek komt niet pas bij de rechterstoel. “Zij werden eronder geboren en zij leidden hun leven eronder in deze wereld. Zij stierven eronder en zij stonden ermee op uit hun graf, en de Rechter Die oordeelt dat de vloek op hen rust, zendt hen ermee weg naar de put des afgronds, waar de vloek tot in alle eeuwigheid op hen zal liggen.”
 
Boston beschrijft dat in het leven van goddelozen de zonde, de verblindheid en de vruchten daarvan steeds meer naar een hoogtepunt gaan –net als de genade en zegeningen bij Gods kinderen. “Zoals in de hemel de genade tot volmaaktheid geraakt, zo bereikt de zonde in de hel haar hoogste punt. Terwijl de zonde zo in de mens oprukt, is hij steeds dichter bij de hel en is hij steeds meer aan de hel gelijk.” Boston noemt drie voorbeelden over hoe de vloek, die op de goddelozen ligt, in dit leven steeds duidelijker gestalte krijgt:
  • Alles wat goed voor een mens is (predikaties, gebeden, vermaningen) en die voor anderen krachtig werken, doen hem absoluut geen nut.
  • Ondanks duidelijke berispingen en slagen van de Heere, rennen ze voort en blijven zondigen tegen Zijn inzettingen en wil.
  • Alles iemands levenslot wordt veranderd in brandstof voor zijn zinnelijke lusten.
De vloekt wordt echter ten volle uitgevoerd als die ontzettende stem van de troon klinkt: “Gaat weg van Mij”. In die stem klinkt verontwaardiging, verachting en haat door. ”Dan zullen zij beseffen hoe fel de toorn van Zijn hart tegen hen brandt vanwege hun zonden.”

Boston noemt twee punten van nuttig gebruik:
  • Al degenen die nog onder de vloek verkeren, moeten daar goed over nadenken. “Hoe kunt u in die staat slapen, terwijl u geheel door de vloek omgeven bent! Jezus Christus zegt nu tot u “Komt, gij vervloekten. Ik zal de vloek van u afnemen, en u de zegen geven.”
  • “Laten alle vloekers , die de mond vol hebben met zichzelf en anderen te vervloeken, bedenken dat (…) hij al zijn verwensingen die tegen zichzelf gericht waren, ten volle beantwoord zal krijgen op die dag.”
2. De ellende van de verdoemden onder die vloek
 
Boston wil voorzichtig spreken over de ellende. Omdat “mensen en engelen” dit niet voldoende kunnen uitspreken. Hij gaat in het verdere op twee dingen in:
  • De straf van het verlies
  • De straf van het gevoel
De straf van het verlies die een scheiding van God inhoudt
 
De verdoemden zullen eeuwig van God en Christus gescheiden zijn. “Gaat weg van Mij” (Matth. 25:41). “De brug zal opgetrokken zijn en de grote kloof gevestigd.”
 
Omdat God alomtegenwoordig is zullen ze in die zin niet gescheiden zijn van God. Maar ze zullen niets in God zien anders dan “dat de ene golf van toorn na de andere over hen heen zal rollen.”

Die scheiding zal een gedwongen scheiding zijn. En ook een totale en definitieve scheiding. In het leven kregen ze nog vele goede gaven van God. Dan zullen ze geworpen worden in de buitenste duisternis, “waar niet het minste straaltje licht of de minste gunst van de Heere zal zijn.”
 
De verschrikking van deze scheiding

Hoewel de scheiding boven het bevattingsvermogen van stervelingen ligt, wil Boston dat we over de volgende dingen goed nadenken:
 
1. “God is het voornaamste Goed en daarom moet het gescheiden zijn van Hem, het voornaamste kwaad zijn.” Verworpen worden door mensen, familie, vrienden of de ”beste mensen” is erg. Wat moet het dan zijn verworpen te worden door de Goedheid Zelf?
2. “God is de Fontein van alle goedheid. Uit hem stroomt alle goedheid tot de schepselen.” De minste goedheid in enig schepsel komt van God. Als Hij totaal en definitief van de goddelozen scheidt, zal al wat aangenaam is terugkeren tot de Fontein, “zoals het licht weggaat met de zon en duisternis in plaats daarvan volgt.” Alle vrede verdwijnt, pijn in het lichaam en angst in de ziel volgen erop. Blijdschap gaat weg, smart daalt in hen af. Hoop verandert in wanhoop. Er is zelfs geen druppel water om “zijn tong te verkoelen” (Luk. 16:24,25). “Men kan nu begrijpen dat deze scheiding juist de hel in de hel uitmaakt.”
3. “De mens begeert van nature gelukkig te zijn. (…) Deze begeerte naar gelukzaligheid kan het redelijk schepsel nooit opzij leggen, nee, zelfs niet in de hel. (…) Dit zal onuitsprekelijke zielsangst in hen teweegbrengen, omdat zij zullen leven onder een eeuwig knagende honger naar gelukzaligheid. (…) Wie kan zich voorstellen, hoe deze scheiding van God de verdoemden door het hart zal snijden! Hoe zullen zij onder deze scheiding razen en tieren en hoe zal deze hen in alle eeuwigheid doorsteken en kwellen.”
4. “De verdoemden zullen weten dat sommigen van wie zij zelf gescheiden zijn, volmaakt gelukkig zijn in de genieting van die God.” Dat ze daar nooit in zullen delen, zal het verlies verergeren. “Het moet een geweldige kwelling zijn voor een hongerig man om anderen overvloedig te zien smullen van een feestmaal, terwijl hij zo vastgeketend zit dat hij niet één kruimel kan krijgen om zijn knagende honger te bevredigen.”
5. “De verdoemden zullen herinneren dat er een tijd is geweest dat zij tot deelgenoten hadden kunnen worden gemaakt van de gezegende staat van de heiligen in hun genieting van God. (…) Als men het aanbod van het Evangelie versmaad heeft, dan zal dat een hete hel veroorzaken, en het verlies van een aangeboden hemel zal een gewicht zijn dat de geest van de ongelovigen in de put des afgronds terneerdrukt.”
6. “De verdoemden zullen inzien dat het verlies niet meer ongedaan te maken is, dat zij er eeuwig onder moeten liggen en dat het nooit, nooit meer te herstellen is.”

Na deze ernstige schets van de scheiding nodigt Boston zondaars tot het heil. “Verenig u met Hem door een Middelaar, opdat u bewaard mag blijven voor een vreselijke scheiding van Hem. (…) O, vergelijk het heden met de dag waar onze tekst op doelt. Heden is de hemel voor hen die tot nu toe Christus hebben verworpen, geopend, en nog is er plaats als zij willen komen, maar op die dag zullen de deuren gesloten worden. Nu zegt Christus tot u: “Komt” Dan zal Hij zeggen “Gaat weg”, omdat u niet wilde komen toen u genood werd.”

De straf van het gevoel in het eeuwige vuur

Boston zal eerst bewijzen dat het vuur –of het nu stoffelijk is of niet– verschrikkelijker is dan enig aards vuur. “Alle denkbare genietingen op aarde zouden de wellustigste man nooit kunnen overhalen om een half uur te verblijven in een vurige oven (…) Toch stellen mensen zich in feite op veel lagere voorwaarden bloot aan het eeuwige vuur in de hel, dat heviger en verschrikkelijker is dan enig vuur waar wij op aarde mee bekend zijn.”
 
Het helse vuur is verschrikkelijker dan enig ander vuur

Dat blijkt uit de volgende vier overwegingen:
 
1. “De vreugden in de hemel zijn veel groter dan vreugden van heiligen op aarde, zo moeten straffen van de hel veel groter zijn dan welke aardse kwellingen dan ook.”
2. In het Woord worden dingen aards voorgesteld omdat het ons bevattingsvermogen anders te boven gaat. Dat is ook de reden dat er verschillende bewoordingen worden gebruikt, omdat geen enkel woord dekkend is. Zo wordt de hel niet alleen een vuur genoemd, maar ook “de tweede dood” (Openb. 20:6), “de wijnpersbak van de toorn Gods” (Openb. 14:19), een plek “waar de worm niet sterft” (Mark 9:44), “een afgrond” (Openb. 20:3), “de poel des vuurs en sulfers” (Openb. 20:10).
3. Dit vuur brandt niet alleen in het lichaam, maar het dring ook rechtstreeks door in de ziel. En dat terwijl de geest “het levendigste en tederste deel van een mens is, waarin verwondingen of pijn het ondraaglijkst zijn!”
4. Het vuur is –zie de kerntekst– hier speciaal voor “bereid”, wat wijst op de onuitsprekelijke hevigheid en verschrikkelijkheid. Net als de oven voor de drie jongelingen uit Daniël die voor het bijzondere doel zevenmaal heter was gestookt dan gewoonlijk. Daarbij komt dat het niet door een mens bereid is, maar door God Zelf. “Ja, God Zelf zal “een verterend Vuur” zijn voor de verdoemden. (…) Hoe “vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods”.”
 
Eigenschappen van de vurige pijnen in de hel

Boston noemt vervolgens zes eigenschappen van de vurige pijn:
 
1. De pijnen zijn allesomvattend. Ieder lichaamsdeel van het schepsel zal in die vlam gepijnigd worden. Ook hun geest deelt in smarten. “Alles waar zij over kunnen denken (…) zal hun pijn en angst verergeren. (…) Wat zij graag zouden willen hebben, dat zullen zij in het minst niet verkrijgen, maar wat zij niet zouden willen hebben, dat zal op hen gebonden worden.” Ook het geweten en geheugen zullen de kwelling vergroten.
2. De pijnen zijn menigvuldig. “Stelt u zich het geval eens voor dat een man tegelijkertijd lijdt onder een hevige aanval van jicht, niersteen of welke ziekten of pijnen er ooit in één lichaam tegelijk zijn voorgekomen.” Zo’n voorstelling is nog maar licht met de pijnen van de verdoemden.
3. De pijnen zijn de hevigste en felste. “Ik lijd smarten in deze vlam”, zei de rijke dwaas. In de hevigheid zullen wel graden zijn. “De oven zal heter zijn voor hen die tegen beter weten in gezondigd hebben, dan voor hen die in duisternis leefden.”
4. De pijnen zijn onafgebroken. “Er is daar geen onderbreking, geen rust, zelfs niet voor één ogenblik.” Zij “zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid” (Openb. 20:10).
5. Er is geen medelijden over de pijnen. Nee, God zal “in hun verderf lachen” (Spr. 1:26). En de heiligen zingen. “Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid” (Openb. 19:3).
6. De pijnen duren eeuwig. Daarover later nog meer.
 
Nuttig gebruik
 
We kunnen hieruit leren:
 
1. Welk een kwaad de zonde is. Het is een stroom die de zondaar wegvoert naar een oceaan van toorn. “De genoegens van de zonde worden te duur gekocht.”
2. Wie God is. “Welk een haat koestert Hij tegen de zonde en hoe streng Hij haar straft.” Denk niet dat de Heere de zonde door de vingers ziet.
3. De absolute noodzakelijkheid om door het geloof te vluchten tot de Heere Jezus Christus. En daarbij de noodzakelijkheid tot berouw en een heilig leven. “Was u nu in de fontein van het bloed van de Middelaar, opdat u niet zult omkomen in de “poel des verderf”. (…) Verlaat uw zonden, want anders zullen ze u verderven. Dood ze, want anders zullen ze voor eeuwig uw dood zijn!” Koester je de zondige gedachte dat “het buiten hoop is”? “Maar er is hoop voor de ergste der zondaren die tot Christus wil komen.” Heb je geprobeerd jezelf te bekeren, de zonde te verlaten en heilig te zijn, maar het ontbrak je nog aan berouw, verbetering en heiligheid? Daarom geen hoop? Dan zegt Boston dat je verkeerd begonnen bent. “Eer in de eerste plaats God door de getuigenis die Hij gaf van Zijn Zoon, te geloven, namelijk dat het eeuwige leven in Hem is. (…) Omhels en stem toe in het vrije aanbod van Christus en van Zijn verlossing van de zonde en van de toorn. Stel een vast vertrouwen op Hem dat Hij u rechtvaardigheid zal schenken tot uw rechtvaardigmaking en dat Hij u heilig zal maken.”
 
3. Het verkeren in het gezelschap van de duivelen in deze ellendige staat
 
Verdoemden zullen gaan in “het vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is”. Boston: “O, afschuwelijk gezelschap! O, angstaanjagende gemeenschap! (…) Hoe zullen deze leeuwen brullen en verscheuren! Hoe zullen deze slangen sissen! Hoe zullen deze draken vuur spuwen! Welk een verschrikkelijke angst zal de verdoemden aangrijpen die gewaarworden dat zij in de poel des vuurs zijn met de duivel die hen bedroog.”
 
4. De eeuwigheid van het geheel
 
Wat de eeuwigheid is
 
Boston schetst eerst met enkele beelden hoe onbevattelijk de eeuwigheid is. Als een oceaan zonder kust, als een diepte zonder bodem, als een doolhof zonder uitgang. Twee dingen zijn zeker: 1. De eeuwigheid heeft een begin, tenminste voor de schepselen. 2. De eeuwigheid heeft geen einde. En is dus ook zonder midden. Weer gebruikt Boston daarbij indringende beelden. Van de ontelbare sterren, van een rivier die niet ophoudt met stromen, van een ring die oneindig rond is, van de ontelbare grassprieten en van een vogeltje dat eens in de duizend jaar een korreltje stof van een berg zou wegnemen. “De berg zou tenslotte op die manier verdwijnen, maar de eeuwigheid zal nooit eindigen."
 
Wat er eeuwig is in de staat van de verdoemden
 
De verdoemden zelf zullen eeuwig bestaan. Zij zullen een eeuwig wezen hebben. “Zij zullen eeuwig sterven, maar nooit dood zijn, of volstrekt zonder leven. Hoe begerenswaardig zou zulk een dood voor hen zijn! De dood zal echter eeuwig van hen wegvluchten.”
 
De vloek en de straf zullen eeuwig zijn. Evenals de kennis en gevoel van de ellende.
 
De redelijkheid van de eeuwigheid van de straf
 
Boston noemt drie dingen over de redelijkheid van de eeuwigheid van de straf:
 
1. “De oneindige waardigheid van de Partij Die door de zonde is beledigd, vereist dat een oneindige straf toegebracht wordt voor de handhaving van Zijn eer. (…) Als de beledigde de Partij, de overtreder en de overtreding altijd blijven voortbestaan, dan kan de straf niet anders dan eeuwig zijn.”
2. “De zondaar zou doorgegaan zijn met God te tergen, eeuwig zonder eind, als God hem niet gestuit had door zijn dood.”
3. Omdat zij in de hel eeuwig zondigen en God lasteren.
 
Eerste nuttig gebruik: als meetlat
 
De eeuwigheid van de hel kan dienen als een meetlat, zegt Boston. Door deze meetlat toe te passen op onze tijd in deze wereld zullen we ontdekken dat onze tijd erg kort is. “Mensen rekenen hun tijd bij jaren, (…) wanneer het kan zijn dat er niet veel uren meer over zijn.” Met de meetlat van de eeuwigheid is ons leven niets. “Welk een onbetekend punt is zestig, tachtig of honderd jaar ten opzichte van de eeuwigheid?”
 
De meetlat valt ook te gebruiken bij het afmeten van de tijd die we investeren in het verkrijgen van de zaligheid. Als we onze tijdsgebruik beoordelen, zegt Boston, dan zou “wat de meesten van ons betreft, geen mens daaruit op kunnen maken dat wij de eeuwigheid op het oog hebben.”
 
Tweede nuttig gebruik: als weegschaal
 
De eeuwigheid kan ook gebruikt worden als weegschaal. Om daarmee aan te tonen welke zaken werkelijk gewicht hebben in het leven en welke zaken als licht beschouwd kunnen worden.
 
Wat ons zwaar toeschijnt, is licht. Boston noemt daarvan vier voorbeelden:
 
1. Hij moedigt een ieder aan de wereld en alles wat erin is te wegen: “Namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens” (1 Joh. 2:16). “En men zal ontdekken dat het allemaal in de weegschaal van de eeuwigheid licht bevonden zal worden.” “Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel?” (Matth. 16:26) Zelfs duizenden werelden kunnen de schade van de eeuwigheid van smart niet vergoeden.
2. Als de zwaarste tegenspoeden in deze balans worden gelegd, blijken ze licht. “Zo zal iemand die een levendige indruk heeft van de eeuwigheid, de beproevingen in de wereld slechts licht achten. Zo iemand zal zich neerbuigen en zijn kruis op zich nemen.”
3. Weeg de moeilijkste en ongemakkelijkste godsdienstplichten, en het juk van Christus is niet meer ondraaglijk. “Berouw hebben en bitter treuren over de zonde op aarde, zijn zeer licht in vergelijking met het eeuwige wenen en tandenknarsen in de hel.”
4. Leg overtuigingen in deze weegschaal. Ze kunnen zwaar drukken. Boston zegt dat we de scherpste overtuigingen moeten koesteren zodat ze ons tot Christus zullen leiden. Dat is lichter dan dat deze voor eeuwig vastgeklonken zijn op de consciëntie.
 
Wat ons licht lijkt, is zwaar. Boston noemt twee dingen:
 
1. Weeg de zonden in de weegschaal van de eeuwigheid. Ze heeft “een gewicht dat voldoende is om een eeuwig gewicht van toorn op u te wentelen.” Zelfs zinloze woorden, ijdele gedachten en nutteloze handelingen zijn in deze weegschaal zwaar. “Tijd die met nietsdoen werd verspild, zal een vermoeiende eeuwigheid teweegbrengen.”
2. Tijd en gelegenheid om bekeerd te worden wegen heel zwaar in deze balans. Bidden, naar preken luisteren. Velen vinden het te min, aldus Boston.
 
Derde nuttig gebruik: ter vermaning
 
“Wees gewaarschuwd”, zo begint Boston zijn ernstige, laatste paragraaf van “De viervoudige staat”. “Laat u ertoe bewegen te vlieden van den toekomende toorn.”
 
“Werk voort”, zegt hij tegen degenen die “al tot Christus gevloden zijn”. “U bent het werk al begonnen, ga ermee door, treuzel niet, maar “werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven” (Fil. 2:12).”
 
“Laten jonge mensen het niet wagen het nog een moment langer uit te stellen, en laten ook oude mensen het werk niet langer uitstellen. “Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet”.” “De zonde in u is het zaad van de hel. Indien de schuld en de regerende kracht ervan in de tijd niet verwijderd worden, dan zullen ze u brengen in de tweede dood in de eeuwigheid.”
 
“De verschrikkingen van de hel, zowel als de vreugden van de hemel, worden u voorgesteld om u op te wekken om Hem met al Zijn zaligheid te ontvangen, en u over te buigen naar de weg van geloof en heiligheid, waarlangs u alleen kunt ontsnappen aan het eeuwige vuur.”
 
Het geneesmiddel is Christus Jezus. “Hij wordt nu met al Zijn zaligheid aan u aangeboden. “En zie Ik kom haastelijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet” (Openb. 22:12,17).