Doorgaan naar hoofdcontent

Lutherkring, avond 6

Hartelijk welkom op deze zesde kringavond van de Lutherkring! We zijn aangekomen bij Galaten 4. Een rijk hoofdstuk met mooie beelden en een diepe inhoud. Ik wil beginnen met een korte samenvatting van het hoofdstuk tot met vers 20. Daarna bespreek ik het commentaar van Luther door veel te citeren en soms een toepassende vraag te stellen. Want uiteindelijk gaat het erom dat ‘(…) Christus een gestalte in ons krijgt’.
 
Door: P.M. van As
 
Samenvatting
Paulus werkt in dit hoofdstuk verder uit wat hij al eerder heeft gezegd over de wet en de rechtvaardiging door het geloof alleen. Hij gebruikt hierbij het beeld door een minderjarige erfgenaam te vergelijken met een dienstknecht. Zolang de minderjarige erfgenaam nog onder voogdij staat is er geen verschil. Dit verschil ontstaat in volheid des tijds. Zo zijn wij nu door de komst van Christus in het vlees verlost van de voogdij van de wet. En daarom mogen wij de erfenis bezitten. De Galaten hebben eerst de afgoden gediend, zich bekeerd, en lijken zich nu opnieuw tot de afgoden te wenden. Paulus vermaant de Galaten om te volharden in de ijver waarmee zij aanvankelijk het evangelie hebben omarmt. Hij waarschuwt ze ernstig, maar wel in liefde. Paulus wenste bij hen te zijn en spreekt zijn diepste wens uit: ‘Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.’
 
De kanttekenaren geven hierbij aan dat hier gaat om ‘de zaligmakende kennis van Christus’. Deze wens is de samenvatting en kern van dit hoofdstuk tot en met vers 20.

Commentaar Luther
1 Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;
2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.
3 Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.
Luther merkt op dat Paulus zijn punt over de rechtvaardiging door het geloof alleen gaat herhalen. Het is een voorbeeld uit het dagelijks leven. ‘Met een zekere heilige sluwheid belaagt hij ze en wil ze zo vangen. (…) het volk wordt gemakkelijker door vergelijkingen en voorbeelden gewonnen, dan door moeilijke subtiele redeneringen; het ziet liever een goed geschilderde afbeelding dan een goed geschreven boek.’
 
Paulus vergelijkt een slaaf met een minderjarige erfgenaam. Zolang de minderjarige erfgenaam onder voogdij staat is er geen verschil. Hij trekt deze lijn door naar dienstbaarheid onder de eerste beginselen der wereld. Dit laatste wordt door Luther vertaalt met elementen der wereld. ‘Hoewel Paulus de gehele wet “elementen der wereld” noemt, (…) spreekt hij toch hoofdzakelijk over de ceremoniële wetten. (…) Paulus veroordeelt ze en noemt ze minachtend “elementen der wereld”. (…) Dat zeg ik niet met de bedoeling, de wet verachtelijk te maken. Ook Paulus wil dat niet, hij wil dat wij de wet in hoge ere houden. Maar omdat Paulus hier met de leer van de rechtvaardiging bezig is was het noodzakelijk dat hij over de wet als over een zeer verachtelijke zaak spreekt.’

4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
‘Bijna smadelijk, zou men willen zeggen, noemt Paulus de maagd Maria, de moeder van de Zoon van God, gewoon “vrouw”. (…) Maar Paulus heeft het in zijn brief over de hoofdzaak, namelijk over het evangelie, over het geloof, over de christelijke gerechtigheid en verder over wat Christus voor iemand is en wat voor ambt Hij heeft, wat Hij om onzentwil op Zich genomen en gedaan heeft en welke weldaden Hij ons arme zondaren gebracht heeft.’
 
‘Verder betuigt deze tekst, dat Christus dan, toen de volheid des tijds gekomen is, niet een nieuwe wet ná die oude wet van Mozes gegeven heeft; Hij heeft de wet weggedaan en degenen die onder de druk van de wet stonden verlost.’
 
‘Maar op welke wijze en hoe heeft Christus ons nu verlost? Op deze manier: Hij is onder de wet gesteld. Christus, Die gekomen is, vond ons allen als gevangenen onder onze opvoeders en voogden, dat wil zeggen in verzekerde bewaring onder de wet.’ Christus heeft Zich vrijwillig aan de wet onderworpen. ‘Hij was aan de wet niet schuldig. En toch heeft de wet tegen een zo heilige, rechtvaardige en Gode welgevallige op gelijke wijze gewoed als tegen ons vervloekte en verdoemde zondaren. (…). Dan spreekt Christus: Vrouwe Wet, gij keizerin en machtigste en wreedste tirannie over het ganse menselijke geslacht, wat heb Ik misdaan, dat gij Mij, de onschuldige, hebt aangeklaagd, verschrikt en veroordeeld? (…) Overal waar Christus is of tenminste Zijn Naam genoemd wordt, daar is de wet gedwongen ver weg te gaan en voor deze Naam te vluchten, zoals de duivel voor het kruis.’
 
Het gaat in het slot van vers 5 over het kindschap Gods. Luther schrijft hierover: ‘Door welke verdienste hebben wij deze gerechtigheid, dit kindschap en de erfenis van het eeuwige leven ontvangen? Door geen enkele. (…) Dit kindschap hebben wij alleen ontvangen op grond van de verlossing door Jezus Christus, de Zoon van God.’

E. Barten: ‘Samenvattend: Christus is een Goddelijk en menselijk persoon, geboren uit God in de eeuwigheid, geboren uit een vrouw in de tijd, niet gekomen om wetten te geven, maar om ze te verdragen en weg te doen.’[1]
 
6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
Paulus gebruikt hier het Griekse woord: Patér, dat vader betekent. En hij gebruikt het Hebreeuwse woord: Abba, dat lieve vader betekent. Volgens Luther illustreert dit de eenheid der kerk ‘die immers in verschillende talen God Vader noemen’.
 
Luther noemt in zijn commentaar verschillende kenmerken van het hebben van de Heilige Geest in het hart. Enkele uiterlijke kenmerken die hij noemt zijn: ‘Graag over Christus horen, onderwijzen, danken, loven, Hem belijden, ook als bezit en leven op het spel staan, verder overeenkomstig de roeping naar ontvangen krachten zijn plicht doen in het geloof, (…) de arme broeder ondersteunen, de bedroefde troosten.’ Met kracht roept Luther op te staan naar zekerheid in het geloof: ‘We moeten ons dus dagelijks meer en meer van deze onzekerheid naar de zekerheid toe vechten en ons inspannen om deze dodelijke mening, dat de mens niet zou weten of hij in de genade is – deze mening heeft de gehele wereld verslonden – met wortel en tak uit te roeien.’
 
Toch is het juist ook Luther die de geweldige strijd die dit veroorzaakt zo helder verwoord. Hij benoemt de christenmens die een zwak geloof heeft. ‘Maar er zijn vele zaken, die het geloof in de weg staan. Ten eerste is ons hart in zonden geboren, verder is ons dit kwaad aangeboren dat wij aan Gods goedheid jegens ons twijfelen. (…) Bovendien gaat de duivel, onze tegenpartij, rond als een briesende leeuw’. Luther spreekt uit ervaring.
 
‘Maar midden in deze verschrikkingen van de wet, in dit bulderen van de zonde, in de beroeringen door de dood, midden in het brullen van de duivel, begint, zoals Paulus het zegt, de Heilige Geest in ons hart te schreeuwen: Abba, lieve Vader! Deze schreeuw overstemt alles en dringt heen door het zo luide en verschrikkelijke geschreeuw van de wet, de zonde, de dood, de duivel enz., dringt door de wolken en de hemel heen en bereikt het oor van God.’
 
Luther noemt enerzijds de beleving van engelen in de hemel, die niets anders horen dan dit ‘schreeuwen’. Anderzijds noemt hij de beleving van de gelovigen: het lijkt wel of de verzoeking blijft voortduren. Luther onze theologie nog eens samen: ‘Ons fundament is dit: het Evangelie beveelt ons, niet onze eigen weldaden en onze eigen volmaaktheid aan te zien, maar de God der belofte, Jezus Christus de Middelaar. Daarentegen beveelt de paus, niet op de God der belofte, op Christus, de Hogepriester, te zien, maar op onze eigen werken en verdiensten. Daaruit volgt dan noodzakelijk de twijfel en de wanhoop. Bij onze opvatting van het Evangelie komt zekerheid en vreugde van de Heilige Geest, omdat ik mij aan God vasthoud, Die niet liegen kan; Hij zegt namelijk, zie, Ik geef Mijn Zoon in de dood, opdat Hij u met Zijn bloed verlosse van de zonden en van de dood. Dan kan ik niet twijfelen, als ik God niet helemaal verloochenen wil. En dat is de reden, waarom onze theologie zekerheid geeft.’
 
7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.
Luther gebruikt hier een prachtig beeld. ‘Zoals men in het burgerlijk leven alleen door geboorte erfgenaam wordt, zo maakt hier alleen het geloof tot zonen Gods, die uit het Woord geboren worden. Dat is het Goddelijke moederlichaam, waarin we ontvangen en gedragen worden; dat Woord neemt daarna ook onze opvoeding op zich. En door deze geboorte, door dit passieve ondergaan, waardoor we christen worden, worden wij dus ook zonen en erfgenamen.’ We zijn dus geen erfgenamen van een machtige koning of keizer, maar ‘erfgenamen van de almachtige God, van de Schepper aller dingen.’ Dit gaat ons verstand ver te boven.
 
Door Christus… ‘Paulus is altijd vol van Christus, Hem kan hij niet vergeten. Hij heeft immers zien aankomen, dat niets in de wereld minder bekend zal zijn, dan Christus en Zijn Evangelie, ook bij hen, die zich christenen zouden noemen.’
 
8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;
9 En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?
In deze verzen spreekt Paulus de Galaten nog een keer aan op hun terugval tot de wet. Luther: ‘Wie het leerstuk van de rechtvaardiging loslaat, kent God niet en is een afgodendienaar.’ Over de kennis van God zegt Luther: (…) jullie zijn door het Woord bezocht, aan jullie is het geloof en de Heilige Geest geschonken en zo zijn jullie vernieuwd enz. En zo ontneemt Paulus ook met deze woorden: “Gij zijt door God gekend” de gerechtigheid aan de wet en ontkent dat ons op grond van onze werkheiligheid kennis van God ten deel valt.’
 
Luther gebruikt opnieuw verschillende beelden om de zinloosheid van het gerechtvaardigd te willen worden door de wet aan te tonen. ‘Zoals een toevallijder de pest te hulp zou roepen, of zoals een melaatse naar een melaatse, een bedelaar naar een bedelaar zou gaan en de een wilde de ander helpen en hem rijk maken.’ Zie pagina 260 voor nog meer beelden, onder ander uit Griekse mythologie.
 
10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.
Interessant bij deze tekst is dat Luther zijn visie geeft over de christelijke feestdagen. Is het vieren daarvan geen zonde? Luther: ‘(…) Wij vieren de zondag, de geboortedag van Christus, Paasfeest en dergelijke feesten in volle vrijheid. Wij belasten de gewetens niet met deze gebruiken en leren niet, zoals de valse apostelen en pausgezinden, dat deze gebruiken noodzakelijk zijn tot de gerechtigheid of dat we daarmee voor de zonde zouden kunnen voldoen. (…) De voornaamste reden, waarom wij die feestdagen houden, ligt daarin, dat de kunst van het prediken door oefening in stand zal blijven, dat het volk op bepaalde dagen en op bepaalde tijden zal samenkomen om het Woord te horen (…).’
 
11 Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.
12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.
13 En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb;
14 En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.
15 Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.
Luther geeft aan dat Paulus van toon veranderd. Hij wordt vriendelijker en legt uit de terechtwijzingen in liefde gegeven zijn. De zwakheid van het vlees heeft volgens Luther de betekenis van het lijden en de folteringen die Paulus moest ondergaan. Dus geen ziekte van het lichaam zelf. Paulus complimenteert de Galaten. Ze hebben hem als een engel en als Christus Jezus Zelf aangenomen. ‘Paulus steekt de Galaten bovenmate in de hoogte. Hij zegt, dat als de nood het zou vereist hebben, dan zouden jullie je ogen hebben uitgerukt en die mij gegeven hebben, ja jullie zouden je leven voor mij op het spel gezet hebben.’ Dit is bijzonder, omdat Paulus in die tijd als zeer schadelijk werd gezien. Luther gebruikt zelfs de woorden ‘vloek’ en ‘monster’. De Galaten hielpen Paulus en verleenden hem onderdak. 
 
16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?
17 Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren. (of: opdat zij over jullie zouden ijveren).
Luther schetst de impact van het evangelie op de wereld. Maar ook de weerstand. ‘In de gehele wereld strooit hij dat zogenaamde evangelie van hem uit en daaruit zijn ontelbare rampen voortgekomen, oproer, ergernissen, sekten enz. (…) En daarom hebben zij hen vervolgd als een publieke pest voor de vrede en godsdienst. Maar toch hebben de apostelen zich niet aan hun ambt onttrokken, ze hebben eraan vastgehouden en Christus gepredikt en beleden.’ Luther trekt deze lijn door naar zijn dagen: ‘Maar wij zaaien beslist geen ketterijen en goddeloze leerstellingen, wij prediken het Evangelie van Christus, wij prediken dat Hij rechtvaardigt en dat Hij onze Heiland is’.
 
18 Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben;
19 Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.
20 Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.
Paulus is hier een voorbeeld van een vrome herder die bezorgd is over zijn schapen. Hij wil ze door berispingen, complimenten, verzoeken etc. bij de gezonde leer houden, aldus Luther. Hij wil het liefst bij de Galaten zijn en zijn stem laten horen. Een beeld: ‘In vergelijking met de brief is de levende stem een koningin, want zij kan weglaten en toevoegen, ze kan zich instellen op alle mogelijke gemoedsgesteldheden, op alle mogelijke omstandigheden van tijd, plaats en persoon.’
 
Paulus spreekt de Galaten aan met ‘kinderkens’. Opnieuw een mooi beeld: ‘Zoals de ouders de gestalte van het lichaam voortbrengen, zo brengen de apostelen en de leraars de gestalte van de ziel voort. De gestalte van de christelijke ziel is echter het geloof en hartelijk vertrouwen, dat Christus aangrijpt, Hem alleen aanhangt en niets anders. Een hart, dat dit vertrouwen heeft, heeft de ware gestalte van Christus.’
 
Kennen wij dit vertrouwen? Want uiteindelijk gaat het erom dat ‘(…) Christus een gestalte in ons krijgt’.
 


[1] E. Barten, Rechtvaardig door het geloof: Luthers verklaring van de Galatenbrief uitgelegd (Houten: Den Hertog, 2016).