Doorgaan naar hoofdcontent

Vreemdeling in eigen land, artikel voor Depositum Custodi, gepubliceerd in Documentum

In meerdere opzichten kan men Nederland als veelkleurig betitelen. Onze maatschappij wordt gekenmerkt door tal van levensbeschouwingen, al dan niet religieus. Spirituele cursussen en websites te over, terwijl de kerkbanken leeglopen. De vroegere zekerheden lijken verlaten en de zelfrealisatie van de moderne mens lijkt de ultieme maatstaf te zijn geworden. Alles en iedereen dient getolereerd te worden, maar als een christen vanuit zijn geloofsprincipes bepaalde zaken weigert, lijkt Nederland te klein. Wat is er aan de hand? Is dit nieuw? Deze en meer vragen zullen in dit artikel de revue passeren.

Het symposium hoopt dit jaar te gaan over het christen-zijn in een levensbeschouwelijk divers Nederland. Dit artikel zal proberen u hierin op weg te helpen door te kijken naar de situatie van het christendom ten tijde van de vroege kerk. In het bijzonder zal hierbij worden ingezoomd op 1 Petrus, waarna enkele lijnen naar vandaag de dag zullen worden getrokken.

Tekst: J.W.J. Treur

De Vroege Kerk
Na Pinksteren breidde het christendom zich in een snel tempo uit over de Mediterrane wereld. Door de kracht van de Heilige Geest werd het Evangelie door de apostelen, evangelisten en later ook via zendbrieven, de toenmalige wereld ingebracht. En niet zonder resultaat. Tot op de dag van vandaag is Gods Woord op alle continenten te vinden. De Heere God heeft de geschiedenis geleid en diepe verwondering dient ons te vervullen als we beseffen dat God niet heeft willen laten varen wat Zijn Hand begon.

Dit artikel zal zich vooral richten op de eerste eeuw van onze jaartelling. De periode waarin het christendom te maken had met de zoektocht naar identiteit en authenticiteit. Vragen omtrent de verhouding met het Jodendom en de heidense wereld waren aan de orde van de dag. Reeds aan het einde van de eerste eeuw was het christendom helder te onderscheiden van het Jodendom en had ze een uitgebreide ontstaansgeschiedenis en kerkstructuur (Dowley 7). Het niet willen aanvaarden van de Heere Jezus als Messias door de Joden zorgde voor de pijnlijke scheiding die voortduurt tot op de dag van vandaag.

De achtergrond waartegen deze consolidering van het christendom plaatsvond, was geen eenvoudige. Het Romeinse rijk was oppermachtig en had de gehele Mediterrane wereld onder controle. Militaire successen waren de route voor politieke zeggenschap en de Romeinen bleven gewelddadig en competitief tegenover eenieder die hen in de weg leek te staan. In de jaren voor de geboorte van Christus strekte het rijk zich uit van het Engelse kanaal tot aan de grenzen van Soedan. De volken die onder het bewind van Rome stonden, kenmerkten zich door verschillende culturen, van Kelten tot Egyptenaren. Toch weerhield dit de Romeinen er niet van om te streven naar uniformiteit in de zin dat zij de voorkeur uitspraken voor stedelijk leven naar het model van de Grieken. Dit deden zij om hun invloed en macht te doen gelden, al wordt over het algemeen getwijfeld aan het slagen hiervan. De verschillende culturen en regeringsvormen bleven in stand en deden ook alles om hun autonomie, voor zover mogelijk, te waarborgen.

In dit grote rijk speelde de samenleving van de Joden en hun godsdienst een marginale rol. In 63 v. Chr. was Jeruzalem door de beroemde generaal Pompeius veroverd, en sindsdien lag ook het land Israël in de ijzeren greep van Rome. Met het geloof van de Joden hadden de Romeinen weinig op. Dat er maar één God zou bestaan, werd weggehoond en genegeerd. Al met al werd het verlangen naar de Messias sterker en sterker.

De omslag
Het was in deze setting dat het christendom zich ontwikkelde. Aan de ene kant de aftastende Joden en aan de andere kant het scherpe oog van Rome. Rome die zich liet voorstaan op haar tolerantie bleek in de praktijk niet zo makkelijk te zijn als het ging om zaken die in hun ogen gevaar konden opleveren voor de eenheid in het rijk. Het Jodendom werd gedoogd, maar nadrukkelijk in de gaten gehouden. Om deze reden gingen Joden in de diaspora vaak (voor het oog) op in de afgodendiensten en normen en waarden van het land waar ze verbleven, om zo min mogelijk op te vallen.  

Anders was het met het christendom. De apostel Paulus en anderen trokken langs vele belangrijke steden zoals Antiochië, Efeze en Korinthe om het goede nieuws te verkondigen. De intensieve missionaire activiteit van Paulus was uniek in die tijd (Hastings 18). Zijn werk werd rijk gezegend en de gemeenten groeiden snel. Dat dit niet zonder slag of stoot ging, zullen we zien aan de hand van 1 Petrus.

Zoals reeds vermeld vormde het christendom een duidelijk onderscheiden religie aan het einde van de eerste eeuw. Dit was in het begin zeker niet het geval. De eerste bekeerlingen waren Joden die worstelden met de positie van het Oude Testament en met zaken zoals de besnijdenis. Het Nieuwe Testament staat vol van voorbeelden waar op deze vragen wordt ingegaan. Tegen de tijd dat de spanning tussen het Jodendom en christendom tot een hoogtepunt kwam, ging ook de politiek in Rome vragen stellen. Tot voor kort had men het christendom als een soort sekte binnen het Jodendom gezien en om die reden geaccepteerd. Nu echter de Joden aangaven hier niet van gediend te zijn, veranderden de zaken. Waar de Joden zich op hun voorouders konden beroepen, konden de christenen dit niet (meer) volgens de Romeinse autoriteit. Er kwam verscherpt toezicht op het christendom, dat gepaard ging met bedreigingen en incidentele vervolgingen. De eerste grote vervolging door keizer Nero (54-68) was in het jaar 64, toen de christenen onterecht de schuld kregen van een grote brand in Rome (Achtemeier 29). Dit gebeurde een jaar nadat de apostel Petrus zijn eerste brief had geschreven en twee jaar voordat hij zelf zou worden omgebracht. Zijn brief die als onderwerp de christelijke identiteit van Godswege heeft, kostte hem uiteindelijk zijn leven.

Dat de christenen echter zo snel en gemakkelijk als zondebok naar voren werden geschoven, geeft wel aan dat het christen-zijn in de eerste eeuw niet zonder gevaar was.

1 Petrus  
Vanuit Rome (1 Petr. 5:13, ‘Babylon’ staat hier voor Rome) vestigen we nu onze blik op de vreemdelingen verstrooid in Pontus, Galátië, Cappadócië, Azië en Bithynië. Deze gemeenten waren ontstaan door zending en door Joden die tijdens Pinksteren getuigen waren geweest van de uitstorting van de Heilige Geest. Welke implicaties het geloof met zich meebracht, hadden de eerste christenen toen nog niet kunnen vermoeden. Eeuwige redding bleek ook een eeuwige scheiding te betekenen van de wereld en haar overste (1 Pet. 5:8). De vraag naar identiteit, geborgenheid en troost werd prangend. Het zijn deze vragen waarop Petrus zijn eerste brief, geïnspireerd door Gods Geest, schrijft. Het was dezelfde Petrus die eens zijn Heiland zo bitter verloochende. En het was deze Heiland Die hem ontdekte aan zijn machteloosheid om God te dienen en getrouw te zijn in eigen kracht. Maar wat een wonder! Hij mocht het overdoen. Toen was alle zelfoverschatting verdwenen en hield alleen het wonder van Gods bemoeienis hem op de been (Belder 12).

Net als in Rome hadden ook de gemeenten in Klein-Azië te maken met onderdrukking. Vragen naar identiteit en het waarom van het lijden speelden ook toen al een rol. Hoe moest men zich opstellen in de wereld en heidense cultuur die voor veel gewetensvragen zorgden? Hoe om te gaan met een ongelovige levenspartner (3:1)? Wat te doen bij roddel (2:12), valse beschuldigingen (2:21) en geestelijke aanvechting (5:8)?
Om erachter te komen hoe de vroegchristelijke kerk vorm gaf aan het christenleven, is het belangrijk om te kijken naar de vroegste bronnen. Veelal worden namen als Origines, Tertullianus en Augustinus genoemd als bron voor informatie over de Vroege Kerk. Toch biedt de Bijbel zelf de aller-vroegste bron, namelijk 1 Petrus. Dit is het enige Nieuwtestamentische geschrift dat systematisch en thematisch ingaat op de positie van christenen in een heidense omgeving en normen en waarden aanreikt om het leven van alledag en de gemeente vorm te geven (Elliott, Home 13).

Situatie in Klein-Azië
Reeds in vers 1 van de eerste Petrusbrief wordt duidelijk aan wie de brief gericht is. Het is een rondzendbrief gericht aan de vreemdelingen, die verstrooid zijn in aan een aantal gemeenten in Klein-Azië. Het Griekse woord wat gebruikt wordt voor vreemdelingen (paroikos) geeft op een indringende wijze weer wat de situatie van de christenen in de vroege kerk was. Men was niet alleen geestelijk een vreemde geworden in de wereld (Gal. 6:14), maar ook in de praktijk van alledag werd men als een vreemdeling betiteld.

De Romeinen hanteerden deze term ook om (veelal) ongewenste groepen aan te duiden, die niet alleen religieus, maar ook sociologisch, economisch en soms zelfs fysiek werden onderdrukt. Wettelijk waren er zelfs aparte bepalingen voor deze groep als het ging om wezenlijke zaken zoals huwelijk, handel, bezit van land, stemmen en zelfs een aparte strafmaat werd toegepast op deze groep, die men het liefst monddood maakten, dan wel zag verdwijnen.   
Toch is het nog niet zo erg als de vijand vanuit Rome je een ‘vreemdeling’ noemt en daarnaar gaat handelen. Erger wordt het als je eigen familie je verstoot en de bloedbanden negeert en zelfs ontkent. Dit was het schrijnende geval bij veel christenen in Klein-Azië. Hoe kwam dit?

Allereerst door de geestelijke aanvallen van de satan. Hij was en is erbij gebaat om het werk van God te dwarsbomen (5:8). Door scheuren te slaan in de levensomstandigheden van de christen en christelijke gemeente. Het mag op zijn minst opvallend genoemd worden dat in een cultuur met ontelbare ideologieën, religies en sekten, juist de christenen onder vuur werden genomen. Deze minachting en laster zorgde voor spanning en soms zelfs voor verbanning uit een familie. De familie waar men was opgegroeid, waar men van hield en die garant stond voor veiligheid, bleek in veel gevallen drijfzand (Mark. 3:35).
Ten tweede door de politieke situatie in Klein-Azië. Ook hier golden de Romeinse regels en wetgeving. Het was gebruikelijk dat het lokale bestuur van een stad of dorp eens per jaar een offer aan de ‘goddelijke status’ van de keizer bracht. Men deed dit maar al te graag, om zo hun onderwerping aan Rome te betonen (Achtemeier 27). Daar men polytheïstisch was ingesteld, vormde dit geen probleem en zag men het als een politiek correct gebaar.
Voor de vroege kerk ging dit niet op. Enkel de levende God mocht gediend worden en aan mensen wilde men geen goddelijke eer bewijzen. Voor de lokale bestuurders was dit afdoende aanleiding om tot christenvervolging en onderdrukking over te gaan. Al was het alleen maar om geen slapende honden wakker te maken in Rome.
Ten derde kwam het door de aard van het christendom zelf. Men was gewend aan tal van opvattingen en had hier ook geen problemen mee. Maar de snelle groei van het christendom, vooral onder de ongewenste vreemdelingen uit de maatschappij, plus het feit dat ook hoogstaande personen tot geloof en bekering kwamen, zorgden voor achterdocht en roddel. Men begreep weinig van het christendom en was er in veel gevallen ook bang voor. Want hoe kan het dat in een tijd waar er geen massacommunicatie bestond, er toch een duidelijk herkenbare en onderscheiden groep consolideerde? Mede door de sterke groei van het christendom wat men niet goed kon verklaren, ging men in veel gevallen over tot discriminatie en zelfs vervolging.

Het pastorale antwoord
Maar hoe gaat Petrus hier nu mee om? Roept hij op tot verzet of juist tot toegeving en assimilatie aan de wereld? Niets van dit alles. Petrus heeft geleerd om God aan het ‘Woord’ te laten. Naar Hem te verwijzen in de bangste zielennood en dat is wat hij nu doet (1 Kron. 29: 15-16).  

‘De uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus: genade en vrede zij u vermenigvuldigd (1:2).’ Wat een wonder. De christenen blijken niet alleen te staan. Ze zijn duur gekocht (1:19). De brief begint met een lofzang op de verkiezende genade van God, die de ondertoon van de gehele brief bepaalt (2:9).
Net als Christus, mogen ook zij lijden tot meerder eer en glorie van Hem. Liefde voor elkaar (4:8), getrouwheid in het werk (2:13), hoop voor de toekomst (5:4) zijn kernwoorden die niet passen bij iemand die alleen op de wereld is en voor wie de hemel gesloten lijkt.

En nu komen we bij het geheim van de Petrusbrief. Waar de christen zich in het nauw gedreven voelde, bracht de Heere door middel van Zijn apostel uitkomst en bemoediging (2:9-10).
Het lijden blijkt namelijk niet voor niets te zijn. Net als de Heiland als een Steen door de bouwlieden is verworpen, is ook dit hun lot (2:7). De vervolging blijkt dus een eer te zijn en wordt zelfs genade genoemd (2:19). Menselijke waarden en verwachtingen worden hier totaal omgedraaid (2:21).

Het blijkt dat de christen uit Klein-Azië, voor het oog zo broos en kwetsbaar, een nieuw huis heeft gevonden (2:5). Een ‘geestelijk’ huis. Hier wordt niet alleen het hemelse Kanaän mee bedoeld, maar Petrus laat zien dat de realiteit van dit ‘huis’ ook consequenties heeft voor het leven van hier en nu (1:17). Het is om deze reden dat hij het beeld van het huis (oikos) uitvoerig uitwerkt. Noties als Vaderschap, kindschap, (weder)geboorte, aanneming, broederschap, liefde en dienstbaarheid gaven richting aan het nieuwe leven wat door het offer van Jezus Christus mocht aanvangen. Indringend en vol verwondering wordt dit gecontrasteerd tegen de ‘voorgaande tijd des levens’ (4:1-3) en de vervreemding van de wereld (4:4) die hier niets van begrijpt (1 Kor. 2:14).

Gods zorg in de geschiedenis heeft bewezen dat Hij getrouw is en weet wat Zijn kinderen nodig hebben. Niet alleen gaf 1 Petrus een verklaring voor de verdrukking en benauwdheid, maar het gaf nieuwe richting aan het samenleven van christenen in de wereld. De maatschappelijke en economische positie versterkten zich door de jaren heen en de sociale realiteit van het christendom viel niet meer te ontkennen. Kerkelijke solidariteit, sociale bewogenheid en tevens distantie van wereldse normen en waarden bleken gezegend te worden. Men had een nieuw thuis gevonden.

Hoe het verder ging
Dat dit niet zonder slag of stoot ging, is gebleken. Petrus heeft dit met zijn leven moeten bekopen en na hem is de christenvervolging pas goed losgebarsten in Rome en later ook in Klein-Azië. De distantie van de wereld (4:2) bleek echter niet alleen haat op te roepen, maar ook een kans voor evangelisatie te zijn (3:1)! De bereidheid om te getuigen van de hoop die in hen was (3:15) en de eensgezindheid (3:8) bleken mensen aan te trekken die in de wereld geen perspectief meer zagen. De veiligheid, geborgenheid en broederlijke liefde bleken aantrekkelijk te zijn in een tijdperk waarin men zocht naar identiteit en houvast (Elliott, Home 285). Zo betuigde ook toen de kennis van de ellendige, verloren toestand een spijker te zijn, waarmee de ziel in haar nood werd vastgeslagen in Christus, de Levende Steen (Kohlbrugge, in: Belder 85).’

Vandaag de dag
Terug naar Nederland. Inmiddels een multireligieus en multicultureel land. Tevens een land waar veel onvrede heerst en waar men ver van Gods Woord en geboden is afgedwaald.
De sfeer lijkt grimmiger te worden en ook onder de christenen wordt de vraag naar identiteit en prioriteit gesteld.

Het behoeft geen argumentatie dat de samenleving anno 2010 een andere is dan die van de eerste lezers van de Petrusbrief. Toch zijn er zeker zaken die wij van hen kunnen en mogen leren.

Allereerst kunnen wij leren van de vroege kerk, dat hoe slecht de situatie er ook uitziet, de Heere getrouw is en Zijn werk voortzet. Of het nu de arena van de Romeinen of de politieke arena van Den Haag is, God is getrouw en Zijn plannen falen niet. Dit mag ons leven stempelen en rust geven (Fil. 3:20).
Ten tweede dienen wij ons de vraag te stellen wie we zelf zijn. Je bent vreemdeling of vreemdeling. Van nature zijn we allen vreemdeling van God. Door genade zijn we het in deze wereld (Belder 15). Als wij ons thuis in deze wereld verliezen en moede, arm en naakt vluchten tot de God Die zalig maakt, dan mogen ook wij ervaren wat het is om door genade thuis te komen. Wat het is om niets meer te hebben en nochtans alles te krijgen. Ook dat is de hartelijke oproep die de apostel Petrus aan zijn lezers deed. ‘Welzalig dien Gij hebt verkoren, die Ge uit al het aards gedruis, doet naderen en Uw heilstem horen, ja, wonen in Uw huis!’
Ten derde, mogen ook wij ons bezinnen op de elementen waardoor de vroege kerk eenheid vond en tegelijkertijd distantie van de wereld betrachtte. In de wereld, maar niet van de wereld. Dit mag geen goedkope leus worden, aangezien het onderstreept is door het rode bloed van vele martelaren. En allermeest is zo’n houding doorleefd en voorgeleefd door Hem Die geen plek had om Zijn hoofd neer te leggen (Mat. 8:20). Liefde, eenheid en zorg voor elkaar zullen afsteken in een maatschappij waar het egoïsme en de eigenliefde hoogtij viert.
Ten slotte de vraag naar het herkenbaar zijn in deze maatschappij. Als Gods Naam wordt gelasterd bijvoorbeeld, hoe reageren wij dan? Als ons rekenschap wordt gevraagd over de hoop die in ons is, mogen wij daar dan vrijmoedig van getuigen? Zien en merken mensen aan ons dat wij eigenlijk inwoners en vreemdelingen tegelijkertijd zijn? Een bewust en biddend bezig zijn met deze dingen mag ons leven gaan stempelen. Niet langer een kladblaadje van de duivel, maar een leesbare brief van Christus zijn mag ons hartelijk verlangen en verwachting zijn.

Slot
Als laatste nog een woord en wens voor de lezers van dit artikel, opgeschreven door dr. H.F. Kohlbrugge die zich, net als wij, mocht verwonderen over de genade van God in de vroege kerk en het geheel van de geschiedenis. Voor hen die zich door Gods genade een vreemdeling in eigen land zijn gaan weten, en met de huisgenoten Gods de reis naar het eeuwige thuis hebben aangevangen:

‘O, waar zo’n broederschap en gelijkheid is (die zo ver verwijderd is van het communisme van de duivel en van het vlees als de hemel van de hel): hoe voelt men zich daar omslingerd door de banden van de vrede en de eendracht in Christus! Hoe smelten de harten daar tezamen, waar broeders uit verre landen dezelfde taal van het hart spreken; dezelfde Jezus als Heere belijden; één Geest hebben; één God, de levende God met een goed geweten aanroepen! Daar delen wij elkaar mee, hoe wij zo krank geweest zijn en geheel gezond zijn geworden door de balsem Gileads, in de vergeving van de zonden. Wel hem, die zich tevreden stelt, en leeft op rekening van de Heere, bereid met Hem honger en dorst te verduren, met Hem zonder woonplaats te blijven, en alles overlaat aan de Heere, Die het zal voorzien’ (Kohlbrugge 316-317).







Literatuur
Achtemeier, P.J. Hermeneia 1 Peter. Minneapolis, 1996.
Belder, J. I Petrus. Heerenveen, 1998.
Brown, J. Expository Discourses on 1 Peter Volume one. Edinburgh, 1975.
Brown, J. Expository Discourses on 1 Peter Volume two. Edinburgh, 1975.
Elliott, J.H. The Anchor Bible 1 Peter. London, 2000.
Elliot, J.H. A Home for the Homeless. Oregon, 1990.
Elliot, J.H. The Elect and the Holy. Oregon, 2005.
Calvin, J. Commentaries on the First Epistle of Peter. Michigan, 2009.
Dowley, T. (Ed.). The History of Christianity. England, 1990.
Hastings, A. A World History of Christianity. Cambridge, 1999.
Kohlbrugge, H.F. Een koninklijke troostbrief. Verklaring van 1 Petrus. Kampen, 2008.
Michaels, J.R. Word Biblical Commentary 1 Peter. Colombia, 1988.
Vreugdenhil, C.G. Petrus, de apostel der hoop. Lelystad, 1996. 

Reacties