Doorgaan naar hoofdcontent

Toerusting leidinggevenden Hervormd Oene, thema: Hoe mag je uit naam van God een jongere geestelijk aanspreken?

Datum: 11 januari 2012


Geachte aanwezigen,

Vanavond mag ik het met u hebben over de vraag: Hoe mag je uit naam van God een jongere geestelijk aanspreken? Bij de bestudering bleek dat deze vraag veel omvattend is. Daarom heb ik besloten om de vraag in drie subvragen onder te verdelen, waarbij het antwoord op de laatste vraag een samenvatting zal zijn van de voorgaande vragen. De drie subvragen die ik met u wil behandelen, zijn: Wie is God? Wie is de jongere? Hoe nu verder?

I. Wie is God?

Misschien bevreemdt het u dat ik niet meteen begin met het geven van allerlei tips om een geloofsgesprek met een jongere aan te knopen. De reden daarvoor is dat ik er van overtuigd ben dat het noodzakelijk is om eerst even pas op de plaats te maken. Om eerst even stil te staan bij de Bron (met hoofdletter). Om goed te beseffen Wie het is over Wie wij denken, spreken, zingen, mediteren, enzovoort. Als we hier geen tijd voor nemen zijn we onverstandig bezig. Denk maar aan een kerkdienst. Daar klinkt eerst de belijdenis: onze hulp is in de Naam van de HEERE, Die de hemel en die de aarde geschapen heeft. Heilzaam, ontdekkend. Misschien zijn er hier vanavond, ik althans wel, die zich vaak tekort voelen schieten als het gaat om het voeren van geloofsgesprekken. Daarom kijken wij vanavond eerst naar boven. Net als de psalmdichter van Psalm 121: Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. En direct de belijdenis erachter aan: Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

We zijn dus in alles wat we doen afhankelijk van God. Dit te belijden is goed. Op deze manier te leven is beter. Soms kunnen we zo opzien tegen een ontmoeting met een jongere, omdat we ergens voelen dat we het erover ‘moet’ hebben. Geloofsgesprekken voeren is moeilijk. Laten we daar eerlijk over zijn. Als het makkelijk zou zijn, zou deze avond een ander thema hebben gehad. Daarom is het goed om vanavond te beginnen met onze afhankelijkheid aan de HEERE te belijden.

Terug naar onze vraag: wie is God? Als wij iemand voor het eerst ontmoeten vragen we wie hij/zij is. Dit mogen we, met eerbied gesproken, ook aan God vragen. Wie bent U Heere?
Het antwoord op die vraag is te vinden in de wet van God. God heeft daar met Zijn eigen hand het volgende geschreven: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. (Ex. 20:2)

De Engelse predikant Thomas Charles vatte dit zo samen: ‘In de wet zien we God als oneindig heilig, rechtvaardig en goed. En we hebben Hem lief omdat Hij is wat Hij is; en we hebben Zijn wet lief, omdat die een juiste voorstelling geeft van Hem in Zijn heiligheid, gerechtigheid en goedheid.’[1]

God is dus heilig, rechtvaardig en goed. Dit heeft ons meteen al iets te zeggen. Ons spreken over God, geloof, de Bijbel, de kerk, het leven, enzovoort, moet plaatsvinden binnen de grenzen van Gods heilige wet. Eigen ideeën, gedachten en gevoelens moeten getoetst worden aan Gods wet. Waarom? Omdat we anders niet spreken over God maar over een zelfgemaakt beeld van God; ook wel een ‘afgod’ genoemd.[2]

Ook wat onze geestelijke gesprekken met jongeren betreft, kunnen we veel leren van de wet van God. Namelijk wie God is, wie wij zijn, maar ook hoe wij ons leven behoren in te richten.
Zeker in deze tijd waarin iedereen voor zichzelf lijkt uit te maken hoe hij/zij leeft, is de Heere volkomen duidelijk over hoe wij ons leven behoren in te richten. Lev. 18:5 zegt hierover het volgende: Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!

De Heere Jezus vatte de wet als volgt samen: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven. (Luk. 10:27) We mogen onze eigen gaven inzetten in het werken met jongeren. Onze eigen talenten en onze eigen karakters. We hebben als mens vaak de neiging om naar anderen te kijken. Dit mag in zoverre dat we mogen leren van elkaar hoe we het beste met jongeren om kunnen gaan. Echter, in het gesprek met jongeren moeten we wel onszelf blijven. De Heere vraagt niet voor niets of we Hem en onze naaste met onze eigen ziel, onze eigen kracht en ons eigen verstand zullen dienen.

Kort samengevat: Door Gods wet leren wij wie God is en hoe wij behoren te leven. Hier mogen wij onszelf en onze jongeren telkens opnieuw op wijzen. Ook hebben we gezien dat we onze eigen talenten en gaven mogen inzetten in het werken met jongeren.

Maar wat is eigenlijk het doel van onze gesprekken? Wat hopen we te bereiken? Dit is geen loze vraag. Het is goed om ons ook hierop te bezinnen. De Engelsen hebben een veelzeggend spreekwoord: ‘If you aim at nothing, you will hit everything.’ Vertaald: Als je nergens op mikt, raak je alles. We moeten ons dus bezinnen op het doel wat we met elkaar willen bereiken. Het zal u niet verbazen, dat ook hier de wet van God een antwoord op geeft. We lazen zojuist al de opening van Gods wet: Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. (Ex. 20:2) Het volk Israël ontvangt de wet dus nadat ze bevrijd zijn. Later zal de Heere vaak op deze bevrijding terugkomen.[3] Het volk Israël mag niet vergeten waar ze uit bevrijd zijn. De HEERE heeft recht op hun hart en leven, want Hij is de menigvuldige Verlosser en hun God. Het volk Israël dient God te eren om wie Hij is en om wat Hij heeft gedaan. Ze mogen hun liefde en eer aan niemand anders geven, want God is een ijverig, een jaloers God. Het doel van de wet is dus om tot Gods eer te leven.[4] En dit was niet alleen het doel van het volk Israël, toen in de woestijn en later in het beloofde land. Nee, het is het doel van ieder mens, zelfs van de gehele schepping.[5] Echter, dit is alleen mogelijk als wij ook persoonlijk uit Egypte, het land van de slavernij van de zonde en afgoden, verlost zijn. Maar hierover later meer.

Het doel van ons leven, en het doel van al onze gesprekken met jongeren moet dus de eer van God zijn.[6] Dus niet in de eerste plaats om jongeren bij de kerk te betrekken of ze te helpen in het maken van levenskeuzes. Nee, het eerste doel moet zijn om God te eren.
Echter, hier lopen we meteen al tegen een grens aan. Want welke natuurlijke gaven wij ook bezitten als mensen, iemand brengen tot het eren van God kunnen wij niet. In eigen kracht brengen we niemand tot de Heere Jezus. Daarvoor hebben we de Heilige Geest nodig.
Niet voor niets zei Jezus het volgende aan het einde van Zijn rondwandeling op aarde: Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden. En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest. (Joh. 20:21-22)

Om jongeren geestelijk aan te spreken hebben wij dus kracht, wijsheid en bijstand van de Heilige Geest nodig. Anders gezegd: een geestelijk gesprek met een jongere voer je nooit alleen. Daar is altijd een Derde, met hoofdletter, voor nodig. Misschien herkent u dat wel uit de praktijk, dat u stuntelend met woorden een jongere iets duidelijk probeerde te maken. Maar het leek wel alsof u tegen een muur sprak. Maar toen prees u Christus opnieuw aan en het landde! Er kwam beslag, zeggen we dan. Maar kwam dat dan door onze gesprektechnieken? Onze bewogenheid? Nee. Natuurlijk mogen en moeten we er alles aan doen om de jongere eerlijk en duidelijk tegemoet te treden. Dat vraagt empathie, bewogenheid en interesse in hun leefwereld. Maar onze kracht komt van de Heilige Geest. Zonder Zijn beademing wordt ons werk geestelijk droog.

Het doel is dus om de jongere te bereiken, zodat hij/zij God gaat eren als Schepper van het leven en Verlosser van de zonde. Maar welke middelen hebben we om dit doel te bereiken? Omdat ik niet alle middelen kan behandelen, noem ik hier de belangrijkste: de Bijbel, de christelijke gemeente en christelijke literatuur. Allereerst de belangrijkste: Gods Woord, de Bijbel. Dit is bij uitstek het middel waar de Heilige Geest Zich mee bedient. We mogen Woord en Geest niet scheiden. Paulus zegt hierover het volgende: Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. (Rom. 10:13-14, 17)

Willen we de jongere geestelijk aanspreken dan zullen we dat moeten doen in verbinding met Gods Woord. Denk maar aan Petrus op de eerste Pinksterdag. Hij legde niet zijn eigen leven, geloof en gevoelens op tafel, nee, hij wees hen op het Woord.[7] Als wij dezelfde ijver voor Gods eer en voor de zaligheid van onze jongeren kennen als Petrus, dan zullen wij ze wijzen op Gods levendmakende Woord. Op het Woord wat vlees is geworden, de Heere Jezus Christus.

Een ander middel wat we mogen gebruiken in bereiken van de jongere is de christelijke gemeente. We hoeven het wiel niet zelf uit te vinden en mogen elkaar om hulp vragen. Juist door samen te werken kunnen we de jongere een veilige basis bieden om vragen te stellen en te groeien in de kennis van het christelijk geloof.
Een laatste middel wat ik hier wil noemen is de christelijke lectuur. Uit de kerkgeschiedenis is telkens weer gebleken dat waar een opleving van het geloof kwam er meer in Gods Woord werd gestudeerd. We zijn heden ten dage ook gezegend met prachtige lectuur die ons wegwijs kunnen maken in Gods Woord en de christelijke traditie waar de Hervormde kerk deel van uitmaakt. De bestudering van Gods Woord en christelijke lectuur, waar zoveel rijkdom in te vinden is, zal ons helpen de jongere te bereiken. Juist in deze tijd waarin er zoveel aan de hand is in kerkelijk Nederland wil ik een hartelijke oproep doen om te blijven studeren en niet te vertragen in het onderzoeken van Gods Woord. Laat van ons toch niet hetzelfde gezegd worden als van Israël ten tijde van Hosea: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten.

II. Wie is de jongere?

Voor deze vraag wil ik proberen een korte schets te geven van wat mij opvalt als ik met christelijke jongeren uit Oene over het geloof spreek.

Het eerste wat opvalt is dat velen zoekende zijn. Ergens beseffen de jongeren wel dat het geloof iets is wat onmisbaar is, maar weten hier niet altijd handen en voeten aan te geven. Daar komt nog eens bij dat de wereld gigantisch trekt. Ze worden opgeslokt door legio keuzes, van opleidingskeuzes tot kledingkeuzes. Om over de hectische wereld van de social media nog maar te zwijgen. Zonder dit allemaal direct onder kritiek te stellen, want dat zou te makkelijk zijn, denk ik dat we als hervormd-gereformeerde christenen hier toch duidelijk positie in zouden moeten kiezen. Een duidelijk profiel geeft jongeren handvatten om als christen in deze maatschappij staande te blijven. Juist ook als het gaat om moreel-ethische keuzes vrees ik dat we onze jongeren teveel aan hun eigen lot overlaten. Als ik bijvoorbeeld soms hoor wat jongeren kijken op televisie en dat schijnbaar normaal vinden, schrik ik echt. Te meer als ik verneem dat ze hierin vrij gelaten worden door hun ouders en overige familieleden. Dit zou niet moeten mogen. De brieven van het Nieuwe Testament staan vol waarschuwen tegen een opgaan in de wereld. We zijn wel in de wereld maar niet van de wereld.

Als we echt van onze jongeren houden zullen we ze ook moeten bevragen op hun muziek-, internet-, en programmakeuzes. Een gesprek wat overigens geen open vraag gesprek moet zijn. Onze jongeren groeien namelijk op in een maatschappij waarin over alles gediscussieerd en gedebatteerd moet worden. Soms mogen dingen gewoon niet, omdat God het verbiedt. Niet onze eigen mening of die van de jongere is doorslaggevend, maar Gods Woord en wet. Als een bepaalde gewoonte of levenshouding niet voor de spiegel van Gods heilige wet kan bestaan, is het zonde. Daarom bij deze een hartelijke oproep aan ons allen om vanuit de liefde de jongere op te roepen tot geloof en bekering en een heilige levenswandel.
Heiligheid en liefde gaan namelijk tegelijk op. Het is deel van een heilige liefde om het onechte en valse van deze wereld te ontmaskeren.[8] Want het is niet alleen de euro die dreigt te vallen, ook geestelijk lijkt ons land failliet. Wat een wonder dat er dan nog ouderen en jongeren zijn, ook in Oene, die God in geest en waarheid willen dienen!

Tot nu toe hebben we gehoord in wat voor maatschappij onze jongeren opgroeien. Hierbij moet wel aangetekend worden dat iedere jongere weer anders is. Sommige gaan studeren, andere niet. Toch zijn er een aantal fundamentele zaken die we over al de kerkelijke jongeren uit Oene kunnen zeggen. Het eerste is dat ze gedoopt zijn. Dat betekent dat het zowel voor ons als leidinggevenden, voor ouders thuis en voor de jongeren zelf een plicht is om hierin ‘breder onderwezen te worden’. Nu heeft u gelijk dat de doop niet betekent dat een jongere opnieuw geboren is. Dat klopt. In die zin zegt het niks over de jongere zelf, maar om met ds. G. Boer te spreken: het zegt alles over de belovende God! Waar onze maatschappij het niet meer weet waar ze het moet zoeken, staat onze God boven de tijd. Hij heeft de geschiedenis in Zijn hand. Zijn plannen falen niet, ook niet Zijn plannen met onze jongeren.  
Het tweede is dat het kerkelijke besef onder onze jongeren zo goed als verdwenen is. Velen zien bijvoorbeeld niet het verschil in tussen een hervormd-gereformeerde en een evangelische dienst. Ook het lid zijn van een gemeente zegt ze steeds minder. Dat zou niet zo mogen zijn. Dit staat allemaal in verband met de bredere tendens in de samenleving dat men steeds minder heeft met een langdurige toewijding aan een (kerkelijke) organisatie.

De Engelse predikant dr. D.M. Lloyd-Jones zei hierover het volgende: ‘We moeten het lid zijn van een kerkelijke gemeente opnieuw gaan zien als de grootste eer die een mens in deze wereld te beurt kan vallen.’[9]

Tot slot nog een laatste opmerking, die slaat op de inhoud van de geloofsgesprekken.
Het valt me tijdens de catechisaties telkens weer op dat de jongeren worden geraakt zodra de boodschap zo compleet mogelijk gebracht wordt. Met andere woorden, als de drie stukken (ellende, verlossing, dankbaarheid) aan bod komen is er betrokkenheid en aandacht.
Dit heeft me geleerd om zo evenwichtig en zo eerlijk mogelijk alle kanten van Gods Woord te belichten. Helaas met veel vallen en opstaan, maar met het vertrouwen dat Gods Woord niet ledig zal wederkeren. De Engelse bisschop, J.C. Ryle zei eens: ‘De Geest paart Zich alleen aan waarheid.’ Laten we daarom de banier van Koning Jezus opheffen en de jongeren in alle vrijmoedigheid geestelijk aanspreken.

III. Hoe nu verder?

Tot slot enkele korte aanwijzingen hoe we vruchtbaar kunnen zijn als christen in het algemeen en in geestelijke gesprekken met jongeren in het bijzonder:
1. Leef dichtbij God. We moeten Hem persoonlijk kennen en elke dag van Zijn genade leven. We moeten in woord en daad een christen zijn. Anders zijn we hypocriet, letterlijk een schijnheilige. Zeker jongeren prikken dwars door ons heen als we niet oprecht zijn.[10]
2. Leef in afhankelijkheid van de Heilige Geest. Wij moeten met God wandelen in de weg die Hij wijst (Mich. 6:8), ijverig de genademiddelen gebruiken en wachten op de zegen van de Heilige Geest.[11] Net zoals de profeten, discipelen en apostelen in afhankelijkheid van de Heilige Geest hun werk deden, mogen wij dat ook doen.
3. Wees eerlijk over de mens. De wet van God eist volkomen eerlijkheid. Niet voor niets staat er: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Dit geldt ook voor het gesprek met de jongeren. Als we in naam van God de jongeren willen aanspreken, zal dit in alle eerlijkheid moeten gebeuren. Jongeren leven nogal eens met verkeerde denkbeelden over God en de mens. ‘Iedereen is een kind van God’, heb ik meerdere keren uit de mond van jongeren gehoord. Dat is een levensgevaarlijke vergissing! Daarmee kun je niet voor God verschijnen. Dat kunnen we alleen met de Borg en Zaligmaker Jezus Christus. Jeremia zegt hierover het volgende: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Aangrijpend, ontdekkend. Daarom roept Jeremia het vervolgens uit: Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof. (Jer. 17:9 en 14)

Van koning David leren wij hoe we voor God welgevallig zijn: De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. (Ps. 51:17)
Daarom mogen we niet schromen om de volle waarheid over de natuurlijke staat van de mens te vertellen.[12] Er moet in het leven van de jongeren geloof en bekering komen.
Wij kunnen de jongeren het geloof niet geven. Daarom is het goed om de jongere ook te leren dat zij uit zichzelf niet kunnen geloven. Daarom leert de Bijbel dat het geloof een gave van God is. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. (Ef. 2:8) Dat maakt ons ook ‘heilig ontspannen’. We mogen onze gedoopte jongeren biddend aan de levende God toevertrouwen en hen wijzen op het levendmakende Woord. Want het is de Heilige Geest Zelf Die het geloof in ons werkt door het Woord.[13]
4. Wees duidelijk over hoe het leven van een christen is. Hiermee bedoel ik dat we het rijke bevindelijke leven van Gods kinderen moeten uitschilderen voor de jongeren. Maar ook dat Gods volk lang niet altijd op haar plaats is. Hiermee voorkomen we verkeerde verwachtingen en scheefgroei. Veel jongeren denken dat ze in eigen kracht hun zondige vlees wat moeten oppoetsen voor God, maar ons vlees wordt niet bekeerd! Het moet de dood in!
Daarom belijdt Paulus het in zijn brief aan de Romeinen: Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens; Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom. 7:22-24)

En opnieuw in de brief aan de Galaten: En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet. Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet. (Gal. 5:16-17)

Paulus was een kind van God. Ontdekt aan zijn zondeschuld ging hij roepen en smeken aan Gods genadetroon. God verhoorde, bekeerde en vernieuwde hem. En was nu alles goed?
Leefde Paulus nog lang en gelukkig? Nee. Hij kwam er door schaamte en schande achter dat zijn vlees onbekeerd bleef. Ons zondige vlees, onze oude mens, moet de dood in.
Wij als leidinggevende maar ook onze jongeren moeten leren dat ons hele leven een strijd zal zijn tegen de boze machten in de lucht. We zullen ons gehele leven moeten strijden tegen onze zondige aard.[14]

En nochtans zingt Paulus het uit in Rom. 7:25: Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere.
Daar staat in het Grieks dat Jezus Christus kurios, Meester is. Dat betekent dat Hij regeert! Hij heeft de volledige controle over het leven van Zijn kinderen. Dan kan het weleens stormen. Dan kunnen we terecht vrezen voor onze jongeren als we kijken in wat voor tijd ze opgroeien. Maar het is eeuwig waar, als ze het eigendom zijn geworden van Koning Jezus, dat dan noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel hen zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere. (Rom. 8:39)

Die heerlijke boodschap mogen wij aan onze jongeren gaan vertellen!



Ik heb  gezegd.



[1] Thomas Charles and J. J. Pieterman, Zijn genade is ons genoeg : overdenkingen en brieven van Thomas Charles  ([Utrecht]: De Groot Goudriaan, 2011), 66.
[2] Meer lezen over afgoden? Zie: Timothy Keller and Arend Smilde, Namaakgoden : de lege beloften van geld, seks en macht, en de enige werkelijke hoop  (Franeker: Van Wijnen, 2010).
[3] Richt. 6:8, 1 Sam. 10:18, Jer. 34:13.
[4] Zie ook The Westminster Shorter Catechism:
Q. 1. What is the chief end of man?
A. Man’s chief end is to glorify God, and to enjoy him forever.
[5] Zie bijv. Psalm 65.
[6] David Martyn Lloyd-Jones, Knowing the times : addresses delivered on various occasions, 1942-1977  (Edinburgh; Carlisle, Pa.: Banner of Truth Trust, 2001), 5.
[7] Ibid.
[8] ———, Studies in the Sermon on the Mount  (Grand Rapids: Eerdmans, 1984), 178.
[9] ———, Knowing the times : addresses delivered on various occasions, 1942-1977: 30.
[10] Willen onze woorden en daden een godvruchtige vroomheid uitstralen, dan moeten onze gedachten vol zijn van die vroomheid die alleen voortvloeit uit een nabij leven met God.
J. R. Beeke, W. J. op 't Hof, and Peter Meeuse, Reformatorische spiritualiteit : een praktische studie naar de gereformeerde spirituele erfenis  (Kampen: De Groot Goudriaan, 2009), 524.
[11] Ibid.
[12] Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons. (1 Joh. 1:8-10)
[13] A. Hellenbroek, Voorbeeld der goddelijke waarheden voor eenvoudigen, die zich bereiden tot de belijdenis des geloofs : (uitgebreid)  (Utrecht: De Banier, 2008), 89.
[14] HC vr. & antw. 56. 

Reacties