Doorgaan naar hoofdcontent

Meditatie: Een lied in de nacht

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. Psalm. 42:11

Op de kruisheuvel Gogoltha riep eens de Zoon van God: ‘Het is volbracht’. Het is deze roep die al Gods kinderen leren horen en verstaan. Die eeuwige waarheid dat Jezus Christus voorgoed de schuld en straf gedragen heeft. Gods kinderen leren belijden dat het Christus is Die alles heeft volbracht. Er hoeft en er kan niets meer van hen bij.

Maar Gods kinderen leren meer. Ze leren en ervaren dat God de menigvuldige Verlossing van hun aangezicht is. En dat niet alleen voor hun zondeschuld, maar ook voor alle aanvechtingen hier beneden. Misschien mag u daar iets van kennen. Toen u worstelde met uw zonden en vreesde voor eeuwig om te moeten komen. Toen u alle grond onder de voeten wegviel. Maar Hij zocht u op en u moest het wel uitzingen: ‘Was mijn hart niet brandende in mij?!’ 

Of toen u worstelde met de weg die de Heere met u ging. Met die onverwachte afslag op uw levenspad. Weg van het doel dat u voor ogen had. Ook toen heeft Hij u gedragen. Terwijl u dacht: ‘Het komt nooit meer goed tussen God en mij’. Die nacht toen uw hart leek te barsten, toen was de Koning nabij.

Zonder God geen hoop. Zonder hoop geen leven. Onze ziel kan zich neerbuigen en onrustig zijn. En toch die vraag: ‘Waarom ben je onrustig, mijn ziel?! Bent u de vorige verlossing reeds vergeten? Is de Heere soms veranderd?’ ‘Ja, maar ik ben zo zwart!’ Dat klopt, dat bent u. Maar neemt de Heere geen redenen uit Zichzelf? Heeft Hij dat niet altijd gedaan?

Hoor! Er klinkt een lied. Het is Zijn lied in de nacht (vs. 8). Een heerlijk lied van vrije genade. Hemelse muziek voor een koude ziel. Het zingt van het Kind uit Bethlehem. Het verhaalt van Gods Oogappel. En hoor het refrein: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven’.

Wat is de mens toch dat U zijner gedenkt? Voor wie iets van de donkere krochten van zijn hart heeft leren kennen, is dit wonder niet klein te krijgen. Wat zijn we zwak. Het geloof is voor zwakke mensen. Dat is eeuwig waar. Voor mensen voor wie de last van de zonde en schuld niet meer te dragen is. Voor wie het valse lied van eigengerechtigheid is verstomd. ‘Heere, ik ben zwak en de nacht omringt mij. En toch, ik hoor Uw lied.’ De zwanenzang van Hem Die mijn ziel liefheeft.

En ik zal van Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was!