Lezing: De berg Sion

Lezen: Hebreeën 12:1-5 en 18-29. 

Het is hartje zomer 1833 als er een klein schip een haven van Jamaica binnenzeilt. Al snel na het uitladen van het schip spoedt een bediende zich naar de plantages. Er is groot nieuws uit Engeland. Alle slaven worden bijeen geroepen. Hoor, daar klinkt het: ‘Jullie zijn niet langer eigendom van een mens, jullie zijn vrij om te gaan en te staan waar jullie willen!’ Wat een nieuws! Wat een blijde boodschap. Eindelijk vrij! Bevrijdt uit de mensonterende slavernij. Maar weet je wat nu zo apart is? De volgende dag, om vijf uur, waren de slaven gewoon weer aan het werk gegaan in de plantages(!) Ze konden het nieuws van hun bevrijding geen plek geven en grepen terug op oude vertrouwde patronen. 

Iets soortgelijks was er ook aan de hand met de eerste lezers van de Hebreeënbrief. Het nieuws van de Zoon van God had hen bereikt en er was een gemeente ontstaan. En wat waren ze blij geweest! Nu zou alles goedkomen! Blij vertelden ze het Evangelie aan wie het maar wilde horen. En vooral aan hun broeders uit het jodendom. Ook zij moesten weten dat de Messias was gekomen. Maar dit ging niet lang goed. Roddel, laster, ogen vol met haat, waar ze ook kwamen. Hun enthousiasme temperde… En het duurde niet lang of hevige vervolgingen braken los. Velen werden gevangen genomen en hun spullen in beslag genomen. En dat door hun eigen landgenoten. Hoe had het zo ver mogen komen?! Alles waren ze kwijt geraakt, verbannen uit de synagogen en vaak ook uit hun eigen familie. Is dat dan christen-zijn?! Maar het gaat nog verder… als de Romeinen een inval doen in Jeruzalem moeten de christenen hals over kop vluchten. Ternauwernood ontkomen ze. Duizenden landgenoten sterven op die noodlottige dag. De straten kleuren rood van het bloed. De Heere Jezus had het al voorzegt toen Hij zei: ‘Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen. Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.’ (Luk. 23:28-29) 

En daar zitten ze dan. Jeruzalem en de tempel verwoest. Het christendom was zo heel anders dan ze gedacht hadden. Wat moeten ze nu doen? De toekomst is onzeker geworden. Oude zekerheden zijn weggevallen. Het is donker in hun hart geworden. En toch; laten we deze Hebreeërs niet veroordelen. Je zal maar alles kwijt zijn. Er zal maar geschud worden aan de fundamenten van je leven?! 

Maar, Gode zij dank, daar komt een antwoord van de hemel! De gemeente ontvangt een brief. Een zendbrief van de apostel Paulus. Gericht aan hen. Het was Paulus ter ore gekomen dat sommige dreigden af te haken. Dat er zelfs sommigen waren die terug wilde keren naar het jodendom. Dat mag en kan niet gebeuren! Paulus windt er geen doekjes om. Vers 18: ‘Gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder.’ Terug gaan naar het jodendom is Christus verloochenen. Teruggaan naar het jodendom is net doen alsof de Messias niet is gekomen. Dan zouden ze zich weer begeven tot de offerdienst, tot de eis van Gods Wet, waar ze niet aan konden voldoen. Dreigend klinkt het daarom: ‘Ziet toe, dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt.’ Dat kan niet ongestraft plaatsvinden! Dan zouden de Hebreeërs net zo zijn als de slaven uit Jamaica die zich weer onder het juk van de slavernij begaven. 

Toen ik dit tekstgedeelte bestudeerde vroeg ik mij het volgende af: hoe breng ik de boodschap uit dit gedeelte over aan de leerlingen van 6 Lyceum? En toen herinnerde ik mij de afscheidslezing die ik gehoord heb toen ik zelf afscheid nam van het middelbaar onderwijs. Ik hoor het de directeur nog zeggen: ‘Jongens, blijf de Heere zoeken, er is geen beter leven, dan een leven dicht bij Hem!’ En ik weet ook nog dat we tegen elkaar zeiden in de pauze: ‘Natuurlijk, dat doen we zeker!’ Tot we twee jaar geleden een reünie hadden en bleek dat sommigen de Heere de rug hadden toegekeerd. Je huivert als je erover nadenkt. 

Hoe kan zoiets gebeuren? Als we dat aan de Hebreeënbrief zouden vragen, zouden we dit antwoord krijgen: ‘Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.’ (Hebr. 4:2) Er was geen geloof. 

‘Oké’, zul je misschien zeggen. Geloof, ja, dat is inderdaad belangrijk. Maar je zal maar alles kwijtraken. Je zal maar geconfronteerd worden met onbegrip op het HBO. Met lastige vragen op de universiteit. Met zoveel meningen en met zoveel ‘waarheden’. Of met tal van problemen in de kerkelijke gemeente. Met hete hoofden en koude harten. Dan ga je vanzelf wel twijfelen… 

En dat ontkent Paulus ook niet. Hij ontkent niet dat het de mens soms verscheurd kan worden door moeite en verdriet. Hij weet als geen ander hoe het kan stormen in het leven. En toch, hij weigert om het daar dan maar bij te laten zitten. Kijk maar wat hij schrijft in de brief aan de Hebreeën. Twee dingen. Hij wijst terug en hij wijst vooruit. Terug naar wat Christus gedaan heeft aan het kruis op Gogoltha. Terug naar die vreselijke kruisdood. Terug naar dat moment waar de spijkers door de handen van de Zaligmaker werden geslagen. Maar dat niet alleen. Hij wijst ook terug naar de wolk der getuigen. Hij zegt: Kijk dan! Zie Abel, Henoch, Abraham, Izak, Jakob en Mozes. Kijk naar zoveel gelovigen die slechts de belofte van de Messias hadden en toch geloofd hebben. Die liever met het volk Gods kwalijk behandeld wilden worden dan voor een tijd een genieting van de zonde te hebben. En daar wijst hij in ons hoofdstuk ook op. De Heere Jezus zegt daar bij monde van Paulus: ‘Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel. En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren; opdat blijven zouden de dingen die niet beweeglijk zijn.’ 

Met andere woorden: zij die al hun hoop op dit leven zetten, zullen bedrogen uitkomen. Dat kan gelden voor materiële dingen, maar ook voor niet-stoffelijke zaken, zoals een carrière, bekendheid en ja, zelfs voor een VWO diploma. Als dat je enige doel is, dan ben je maar even rijk. Eens zul je berooid achterblijven als je moeten vluchten voor de toorn van God die de aarde zal bezoeken. 

Een ernstig woord. Paulus windt er geen doekjes om. Iemand zonder God is als een onbestuurbare boot. Dat gaat zomaar alle kanten op. Daarom die oproep vanuit zijn hart, ja, vanuit het hart van God Zelf: ‘Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.’ (Hebr. 12:1) En dan gaat Paulus vooruit wijzen. Vooruit naar de oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods. 

Het leven is een reis die voorbijvliegt. Dat zullen jullie met me eens zijn. Jullie weten allemaal nog als de dag van gisteren dat jullie voor het eerst op de Fruytier binnenkwamen. Je weet wel, met zo’n rugzak die groter was dan jezelf. En nu staan jullie alweer op het punt om de middelbare school te verlaten. Op reis naar het volgende doel: de universiteit of het HBO. Namens mij en al mijn collega’s: een goede reis toegewenst. Geniet van je nieuwe opleiding! Geniet van alle ervaringen die je zult opdoen. Geniet, maar vergeet het Bijbelse reisadvies nooit: ‘Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van den levenden God.’ 

Maar vraag je je misschien af: Hoe zal het mij straks vergaan? Hoe kan ik volhouden op mijn vervolgopleiding? Ik heb nu al zoveel vragen! Ook hier geeft Paulus antwoord op. Hij roept ons op om omhoog te kijken. Omhoog naar de berg Sion. Dat was geen onbekend beeld voor de Hebreeërs. De stad Sion in Jeruzalem, de tempelberg, daar waar de Heere wilde wonen. Ja, zeg je nu misschien, dat is wel mooi, maar die stad is ver weg. Die stad zie ik niet als ik op de Hogeschool Utrecht of de universiteit Nijmegen rondloop. Wacht, niet te snel, Paulus zegt er nog wat achteraan. ‘Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen.’ 

De Hebreeërs zijn dus gekomen tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem. Paulus zegt met andere woorden: ‘Jullie behoren al toe aan de hemel.’ Het zalig hemelleven is niet een belofte voor de verre toekomst. Nee, nu al mag de ware christen zich hemelburger noemen. Inwoner van de stad van de levende God. De Hebreeërs zijn dan wel verdreven, de tempel in Jeruzalem is dan wel verwoest, toch mogen ze niet wanhopen. Zij mogen nu al behoren tot de Gemeente der eerstgeborenen. 

Het christenleven is dus een leven onder een geopende hemel. Het is waar, eens zal de christelijke pelgrimsgroep thuis komen. Maar nu al is er gemeenschap met de Kerk boven. Voel je de diepe troost die in dit Woord ligt? Gods Woord leert ons niet dat alles goed zal komen, maar dat alles goed is als je tot de het hemelse Jeruzalem mag behoren. Dan zal geen zonde je meer uit de hemel kunnen houden. ‘Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.’ 

Daarom moeten we terugkijken naar hen die ons voorgingen en vooruit naar Hem Die ons voorgaat. Dan mogen we met een gerust hart gaan studeren, wetend dat we in het laatste der dagen thuis mogen komen in het hemelse Jeruzalem en een onbeweeglijk Koninkrijk zullen erven. Een erfenis is datgene wat een vader nalaat aan zijn kinderen. Dat is wat de Heere ook doet, Hij schenkt het Koninkrijk niet alleen aan Zijn eigen Zoon, maar ook aan Zijn aangenomen kinderen. De stad van de levende God laat zien hoe dicht de gelovigen bij God mogen leven. Ze hebben dezelfde woonplaats(!) Je kan niet anders dan een doorreiziger op aarde zijn, als je woonplaats in de hemelse stad is. In de tijd van de Bijbel was een stad een plek van veiligheid. In de hemel zullen we veilig zijn voor de zonde en satan en voor de dood. 

Maar zo vraag je je misschien af: hoe wordt je nu inwoner van het hemelse Jeruzalem? Hoe ontvang je nu dit Koninkrijk? Om een koninkrijk te ontvangen moeten we familie van de koning zijn. Om een kind van God te worden moeten we opnieuw geboren worden. Jezelf tot koning kronen kan ook niet. Geen stem dan Zijn stem alleen kan je roepen, geen arm dan Zijn arm kan je tot Hem brengen. Hoe is dat bij ons? Na 6 jaar Fruytier? Hebben wij de roepstem van de Heere gehoord? Hebben we Zijn hand gezien in de levens van onze klasgenoten? In de levens van docenten? In ons eigen leven? 

Er was eens een dominee die het volgende voorbeeld gebruikte om het werk van God in mensenlevens uit te leggen aan zijn kleinzoon. Hij vergeleek dit met een kind wat op zoek is naar zijn vader. Deze heeft zich achter het gordijn verstopt. En juist als het kind op een gegeven ogenblik de moed lijkt op te geven ritselt de vader aan het gordijn. Dit is natuurlijk een gebrekkig voorbeeld. Er is namelijk van nature niemand die de Heere zoekt. Maar toch. Heb je iets van deze ritselingen mogen horen op de Fruytier? Wat weet je meer te vertellen over de Heere Jezus dan toen je in de eerste hier op school kwam? Is Hij al het rustpunt van je hart geworden? 

Dan weet je dat de dienst des Heeren een liefdedienst is! Dan kan en wil je niet meer zonder Hem door het leven! Dan waren er momenten dat je in de kerk, op catechisatie, thuis of op school hoorde spreken over de Heere Jezus en dat je hart in vervoering kwam door liefde tot Hem. Dan heb je Hem lief, omdat Hij je eerst heeft liefgehad. Dan verlang je soms ook naar dat moment dat je de Heere Jezus mag zien. Hem te voet mag vallen omdat er zoveel is dat de Heere je heeft vergeven dat je er klein onder wordt. Dat zal je eens mogen doen als je eigenlijke thuis de berg Sion is. Daar waar genade verheerlijkt wordt en Christus verhoogd wordt, daar gaat het hart van de inwoner van Sion harder kloppen. Hun harten worden opwaarts verheven. En hun bidden en zingen wordt opgenomen in het zingen van de hemelse koren. 

Sion de stad van de grote koning. Laat onze wandel daarom in de hemelen zijn. Reizigers naar Sion leren dag en nacht in afhankelijkheid hun weg te gaan door dit leven. Op weg naar Sion, want daar is hun thuis. Zij vormen nu al een eenheid met de hemelse inwoners. Met al de mensen die ons voorgingen en met de hemelse engelen. Ze behoren samen tot dezelfde familie met hetzelfde Hoofd. Wat ben je dan veilig! Ga maar studeren, ga het leven maar in. Je mag weten dat er een engelenwacht rondom je is. Er zijn vele boze machten in de lucht, maar ontelbaar veel engelen! Want zij die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn! 

Dat betekent niet dat het leven altijd eenvoudig zal zijn. Ook niet als belijdend christen. Wie meer en meer op Christus wil lijken in leer en leven zal zelf ook tegenstand ontmoeten. Jezus Christus weet als geen ander wat het is om er niet bij te horen. Om anders te zijn dan anderen. En juist daarom trok Hij zoveel aandacht, en kwamen er zovelen tot Hem. Zul je daarom nooit denken: Ik ben helemaal alleen, niemand begrijpt mij? Niemand weet waar ik doorheen moet gaan! Hij weet ervan. Door Zijn lijden en sterven is de weg naar de Vader geopend. Daarom moeten we het oog op Hem slaan, de Voleinder des geloofs. Daarom hoeft de christen niet ongerust te worden. Wij hebben een medelijdende en biddende Hogepriester. Wat zou je ervan zeggen als ik je vertelde dat daar buiten de aula de Heere Jezus op Zijn knieën ligt te bidden voor jou. Wat zou je daarvan zeggen?! En toch, dit is precies wat de Heere Jezus doet in de hemel. De Heere Jezus bidt voor Zijn volk. Dag en nacht tot de Vader, zonder ophouden. En Hij zal hier pas mee ophouden totdat de laatste van de gelovigen binnen is in het hemelse Jeruzalem. 

Wat een dag zal dat zijn dat alle mensen die ooit geleefd hebben voor de troon van God zullen staan. Johannes zegt hierover het volgende: ‘Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen.’ 

Johannes heeft ook ons gezien. Jou en mij, staande voor de troon. Wat voor leven zullen we geleefd hebben? Een leven tot Zijn eer? Zullen we onze talenten goed ingezet hebben, tot eer van God en onze naasten? Misschien moet je als je je nieuwe agenda krijgt Hebr. 12:28 maar voorin schrijven. En bidden of de Heere het dan Zelf ook waarheid wil maken in je leven. Daar staat dit: ‘Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.’ 

Dit is het christendom in een notendop. Laat ons de genade vasthouden. Daarmee wordt eigenlijk dit bedoeld: laat ons in dankbaarheid uit genade leven. De genade waaruit wij zalig zijn geworden. Dit is niet eenvoudig, ja, zelfs onmogelijk in eigen kracht. Want hoe kun je iets vasthouden wat enkel en alleen bij God vandaan komt?! En toch, laten we hiernaar zoeken, elke dag opnieuw. Dat we een leven zullen leven van dankbaarheid. Daar worden we toe opgeroepen. 

Voor een christen heeft elke taak op aarde (dus ook je gang naar het HBO of de universiteit) een religieus karakter. God wil in elke fase en in elk facet van ons leven gediend worden. Opdat wij alles zullen doen met vreugde en dankzegging door Jezus Christus onze Heere. Wij worden opgeroepen om ons leven als een dankoffer te offeren aan Hem. De koningskinderen moeten de Koning der Koningen dienen. Dat mogen we nooit vergeten! 

Tot slot: Uiteindelijk zullen alle ware christenen in de hemel komen. En dat door het bloed van Jezus Christus, het bloed dat betere dingen spreekt dan dat van Abel. Abels bloed schreeuwde om wraak. Jezus’ bloed roept ook. Hoor, luister goed: ‘Komt allen tot Mij, u die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven voor uw ziel.’ Straks, op die grote dag dan mogen we Hem zien en aanbidden. Maar we zullen ook alle gelovigen uit Hebreeën 11 ontmoeten. En als we dan aan ze zouden vragen: ‘U hier?’, dan zullen ze dit antwoorden: ‘Ja, uit enkel genade. Het enige wat ik aan de Heere kon aanbieden was een berg met schuld. Maar de hemelse berg Sion bleek er een eeuwigheid boven uit te gaan.’ 

Daarom beste leerlingen van 6 Lyceum wensen wij jullie als Jacobus Fruytier van harte Gods zegen toe voor de toekomst. Moge het zijn dat wij elkaar ooit weer zien op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daarom: Adieu en tot in Jeruzalem! 





Zingen: Ps. 68: 8 en 17.
Voor: 6 Lyceum, Jacobus Fruytier Scholengemeenschap Apeldoorn