Doorgaan naar hoofdcontent

Meditatie: De grote witte troon

Lezen: Openbaring 20:11-15

In gedachten zien we een oude man wandelen langs de zee. Het is de apostel Johannes. Op achtentachtig jarige leeftijd is deze oude dienstknecht verbannen naar het eiland Patmos. Als één van de weinigen is hij nog over. Petrus is gekruisigd, Paulus onthoofd en zijn lieve Zaligmaker is opgevaren naar de hemel. De apostel van de liefde lijkt uitgerangeerd. Wat heeft het allemaal nog voor zin? Wat moet er worden van zijn geliefde gemeente nu hij gevangen zit op dit eiland? Ongetwijfeld heeft de trouwe apostel veel terug gedacht aan het verleden. Toen hij mocht zitten aan de voeten van de Heere Jezus. Hoe hij mocht ervaren dat ook zijn zonden hem waren vergeven en dat alleen uit genade. Wat had hij een innerlijk vermaak gehad toen hij anderen mocht vertellen over Jezus als de Weg, de Waarheid en het Leven. En nu zit hij hier. Alleen? Nee, toch niet! Een christen kan niet alleen zijn! Ze kunnen zich wel eenzaam voelen, maar nooit alleen! Misschien heeft Johannes het David wel nagezongen: Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar (Ps. 139:7-8).

En dan gebeurt het. En ik was in den geest op den dag des Heeren, en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin, zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste (Openb. 1:10-11a). Waar Johannes dacht uitgerangeerd te zijn, zoekt de Heere hem op. Hij heeft nog werk voor hem. Misschien herkent u dat wel in uw leven? Toen u dacht zo nutteloos te zijn voor het Koninkrijk, zocht de Koning van de Kerk u op. De Heere heeft niets aan hoogbekeerde en trotse mensen. Nee, Hij wil werken door eenvoudige mensen die aan hun zonden zijn ontdekt. Die net als Jesaja hebben leren roepen: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden een volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien (Jes. 6:5). Mensen die ontdekt zijn aan hun zonden kan de Heere in Zijn dienst gebruiken. Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had (Jes. 6:6). Alleen mensen die ontdekt zijn aan hun zonden én aan de genade van de Heere wil Hij in Zijn dienst gebruiken. Mensen die de roepstem van de Heere hebben gehoord. Net als Jesaja. Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen (Jes. 6:8).

De Heere zoekt Zijn oude en trouwe apostel op. Dit leert ons dat wij nooit te oud zijn om te kunnen dienen in het Koninkrijk van God. Nooit te ver weg om door de Heere te worden opgezocht. Johannes krijgt grote dingen te zien. De Heere Jezus verschijnt opnieuw aan hem als de Alfa en de Omega. Hij is de Eerste en de Laatste. Waar wij soms denken: Nu loopt het verkeerd af met de kerk. Nu heeft de hel gewonnen. Nu kan de Heere Zijn indringende boodschap van zonde en genade niet meer kwijt. Nu wint de geest uit de afgrond. Dan klinkt daar de belijdenis uit de Schrift: Hij is de Alfa en de Omega. De poorten van de hel zullen de kerk niet overweldigen. Dat is wis en waarachtig niet te danken aan de leden van de kerk! Omdat het Hoofd van de kerk, omdat Jezus Christus, boven is, zal de Kerk niet ten onder gaan. 

Johannes krijgt grote dingen te zien. Geïnspireerd door de Heilige Geest schrijft hij de Openbaring van Jezus Christus. Ontelbaar veel mensen hebben sindsdien dit Bijbelboek gelezen en zijn erdoor bemoedigd. Niet de zonde, niet de duivel, maar Christus regeert de wereldgeschiedenis! Hij houdt Zijn Kerk in Zijn doorboorde handen. In het gedeelte wat wij gelezen hebben gaat het over de grote witte troon die Johannes in een visioen ziet. Wit staat voor de rechtvaardigheid en reinheid van God. Voor Hem kan geen zondaar bestaan zonder het allesreinigende bloed van Christus. Daar zal alles openbaar komen. Niets wat nu verborgen is, zal onbesproken blijven. Al onze zonden, onze persoonlijke en ambtelijke tekortkomingen, onze hoogmoed, ons ongeloof, onze ondankbaarheid, ons gehele hart zal daar open en bloot neergelegd worden voor de ogen van Degene van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchten. Wie nog nooit huiverig is geweest voor het laatste oordeel heeft er nog nooit serieus over nagedacht. Hoe anders zouden we leven als dit besef dat we voor alles verantwoording moeten afleggen meer indruk op ons maakte?!

Johannes ziet de doden, klein en groot, voor God staan. Hij ziet alle mensen die vóór hem hebben geleefd en die na hem hebben geleefd. De apostel ziet dus ook ons staan(!) Aan welke kant zullen wij staan? Bij de levenden of bij de doden? Ja, ook de levenden, ook Gods volk moet voor de troon verschijnen. Voor hen wordt het boek des levens geopend. Wiens naam geschreven staat in het boek des levens zal niet in de poel des vuurs geworpen worden. Is dit al een wonder voor ons geworden? Onbekeerde mensen kennen dit wonder niet. De eigengerechtigde en optochtelijke naamchristen ook niet. Wie dan wel? Zij die zichzelf hebben leren kennen als een zondaar. Als een doelmisser, een godloochenaar, een albederver. Die door de Heilige Geest zijn overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel. Die krijgen de Medicijnmeester nodig. Die leren dat de Wet geestelijk is, maar dat zij vleselijk zijn, verkocht onder de zonde.

Zulke mensen kunnen niet meer met de wereld mee. Die houden de schijn niet langer op. Die deugen alleen nog maar voor vrije genade. Het zijn ook deze mensen die het Kerstkind zo onnoemlijk lief gaan krijgen. Omdat ze in dat Kind in de kribbe geen zoetsappig romantisch plaatje zien, maar hun enige mogelijkheid tot behoud. 

De grote witte troon. Iedereen zal hiervoor moeten verschijnen. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Kor. 5:10). Dus ook Gods volk moet voor de troon verschijnen. Zij zullen rekenschap moeten afleggen van hun werken die zij uit dankbaarheid tot God hebben gedaan (1 Kor. 3:9-15). Het zijn die goede werken die God al voor hen heeft bereid (Ef. 2:10). O, eeuwig wonder! Het is alles uit Hem en door Hem en tot Hem! Gods volk hoeft dus geen goede werken te doen om de hemel te verdienen. Die is verdiend door het Kerstkind die het kruis onderging en aan het kruis onderging. En dat uit eeuwige zondaarsliefde! Kent u een betere Zaligmaker? Ik ken er geen!

Mensen komen en gaan. Ook ambtsdragers komen en gaan. Wij zijn voorbijgangers, maar Christus blijft tot in eeuwigheid Dezelfde. Hij zal komen en alle oog zal Hem zien. Dan zal Hij alle tranen van de ogen afwissen. Tot die tijd zal er strijd zijn tegen de zonde, de wereld, het eigen vlees en de eigengerechtigde godsdienst. Tot die tijd zal er nog vaak de gang naar de begraafplaats gemaakt moeten worden. Tot die tijd zal het kaf nog tussen het koren zitten. Maar op die dag zal de Koning van de kerk afrekenen met al Zijn vijanden. En Zijn kinderen, gekocht met Zijn hartenbloed, zullen Hem dan vlekkeloos en ongeschonden mogen dienen tot in eeuwigheid. Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere (NGB 37)!

De grote witte troon. Johannes mocht de troon reeds zien voordat hij ervoor moest verschijnen. Zijn wij al voor deze genadetroon verschenen? Dan valt het straks voor eeuwig mee! Dan leert u het hier zingen met de kerk van alle eeuwen: Mijn Redder, o mijn God!

Amen




Zingen: Ps. 40: 4 en 8