Posts

Ambrosiuskring, avond 1

Afbeelding
Wie was Isaac Ambrosius? Over het leven van Isaac Ambrosius (1604-1663) is niet veel bekend. Vermoedelijk werd hij geboren rond 1604 als de zoon van de predikant van Ormskirk in Engeland. Hij was de jongste van drie jongens en drie meisjes. Op 29 mei 1604 werd de jonge Ambrosius gedoopt en op zeventienjarige leeftijd start hij zijn theologische studie in Oxford. [1] Na zijn studie theologie werd Ambrosius in 1627 predikant in Castleton, waar hij vier jaar zou blijven. In 1631 werd hij een van de vier rondreizende predikanten van de koning in Lancashire. Ambrosius stond bekend om zijn vredelievende karakter, zijn ernstige manier van preken en zijn gewoonte om zich regelmatig af te zonderen voor gebed en meditatie. Men noemde hem daarom ook wel de meest meditatieve puritein van Lancashire, aldus H. Florijn. [2] Dat deze bijnaam passend was, blijkt ook uit het dagboek van Isaac Ambrosius. Op 17 mei (jaar onbekend) schreef hij: ‘Deze dag, in de morgenstond, dacht ik na over de liefde van C...

À Brakelkring, avond 30

Afbeelding
Door: C.A.A.M. Schulenburg-Heijboer Hoofdstuk 57 Over de dood en de staat van de afgescheiden ziel Alle mensen moeten sterven. Hebr. 9:27: “Het is de mens gezet, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel.” De mens moet niet alleen sterven, maar tussen zijn geboorte en zijn sterven is maar slechts maar een klein tijdje. “Weinig en kwaad zijn de jaren van mijn leven geweest” (Gen. 47:9). Er is een groot verschil tussen het sterven van de goddelozen en van een gelovige. De goddelozen komt de dood over als een schuldeiser, en als straf vanwege de zonden, en zij worden door deze heengezonden naar de eeuwige dood (Rom. 6:23). De gelovigen komt de dood ook wel over omwille van de zonde, maar alleen als een kastijding, omdat de Heere Jezus alle straf van hun zonde heeft gedragen, en hen daarvan verlost. En de dood is hun een doorgang tot het eeuwige leven. Openb. 14:13: “Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven van nu aan”. Omdat alle mensen sterven moeten, moet dit ons aanzetten om iets t...

Dagopening: Éfeze 2:1-10

Afbeelding
Leerlingen stellen geregeld de vraag: ‘Dat leven als christen, hoe ziet dat er nu uit, hoe gaat dat in de praktijk van alledag?’ Een terechte vraag. Misschien is dat ook wel onze vraag: ‘Heere, hoe leef ik nu tot Uw eer?!’ Als het goed is, is dat ons verlangen geworden. Om bevrijdt van de zondemacht en van onze ik-gerichtheid, tot eer van Hem te leven. [1] Lezen: Éf. 2:1-10 In de eerste drie verzen spreekt Paulus over het vorige, het oude leven, van de gelovigen in Éfeze. Ze hebben gewandeld, dat betekent geleefd, in de misdaden en de zonden (1-2). Ze waren geestelijk dood (vs. 1). Van nature kinderen des toorns (vs. 3). Aangrijpende omschrijving van een mens buiten Christus. In vers 4 lezen we van een krachtige omslag in deze droevige situatie: ‘maar God’. Deze twee woorden, ‘maar God’, waarin we lezen dat God reddend gaat handelen zijn eigenlijk het Evangelie in een notendop. ‘Maar God’. De Heere heeft in dat dode bestaan van die mensen (en van mij, van u, van de leerlingen?) ingegr...

À Brakelkring, avond 29

Afbeelding
Door: J.W.J. Treur en F. Treur-van As Hoofdstuk 52 Over de aanvechting van de satan De duivel is een mensenmoordenaar van den beginne. U moet weten en erop letten dat de duivel vanaf het moment dat u zelfs maar aan bekering denkt, hij zijn listen en boosheden te werk stelt om dit te verhinderen. Als dit niet lukt, zal hij proberen u te kwellen en te kwetsen, zodat u niet vrolijk en heilig zal kunnen leven. Daarom moet de gelovige hem leren weerstaan. Het is nodig dat u zijn listen en werkingen kent om minder gekwetst te worden en des te dapperder te strijden. De duivel neemt doorgaans een van de volgende drie gedaanten aan: een engel des lichts, als duivel of verborgen, waardoor het lijkt dat wij het zelf waren. Onder de laatste gedaante is hij het meest schadelijk. Als engel des lichts kan de satan bijvoorbeeld goede zaken aanreiken, zoals een mooie Bijbeltekst, of een paar vroegere aangename ondervindingen en zal proberen u daarover te doen peinzen. Maar dit is met een slechte bedoel...

À Brakelkring, avond 28

Afbeelding
Door: M.H. van Wolfswinkel-van As Hoofdstuk 47 Over de verachtering van de godzaligen in het geestelijk leven Zoals bomen hun winters hebben, dor en dood schijnen, zo hebben de godzaligen ook hun geestelijke winters. Hiermee wordt niet bedoeld de dagelijkse struikelingen, strijd en geesteloosheid die snel weer over gaan. Wie nog bidden en strijden kan die hoeft niet bang te zijn dat zij verachtert. Maar hieronder wordt verstaan het afnemen van de innerlijke en de daadwerkelijke genadegaven. Het leven in de ziel zelf kan minder en krachtelozer worden, en daaruit volgt dan het verminderen van de daden, hetzij in hun geestelijkheid, hetzij in de uitwerking. Soms geschiedt dit heel snel, soms langzamerhand. Als de gelovigen hun verachtering gewaarworden, dan zijn ze geneigd hun staat te verwerpen en te denken dat het met hen nooit goed geweest moet zijn. À Brakel geeft een aantal bewijzen dat deze tijden van verachtering wel bestaan en de gelovige niet aan zijn staat hoeft te twijfelen, da...