Ambrosiuskring, avond 5

Door: F. Treur-van As en J.W.J. Treur

Vierde boek: Het zien op Jezus, van Zijn eerste komst in het vlees tot Zijn wederkomst. Tweede deel: Het zien op Jezus in Zijn leven

Hoofdstuk 1

Van het begin van het evangelie
Het voorwerp van dit hoofdstuk is Jezus, Die het werk van 's mensen zaligheid gedurende de tijd van Zijn leven op Zich neemt. Johannes de Doper heeft zes maanden gepreekt voordat Christus aan Zijn openbare bediening begon. De Heere Jezus heeft drieënhalf tot vier jaar gepreekt voor Zijn lijden en sterven aan het kruis. Elk van deze jaren eindigde met het paasfeest, aldus Ambrosius (Joh. 2:13, 5:1, 6:4 en 13:1).

Van de prediking van Johannes de Doper
Johannes de Doper heeft zijn tijd doorgebracht met meditatie en gebed, etende sprinkhanen en wilde honing, opdat hij mocht zijn een bekwaam werktuig tot voorbereiding en verbreiding van het evangelie van Christus. De preken van Johannes zijn voor Christus geweest als een inleiding op een rede.

Gelijk zijn kleding ruw was, zo was ook zijn tong. Wat voor het vlees vermakelijk of welbehaaglijk is, is geen bekwame inleiding tot de wedergeboorte. Als het hart van de mensen oprecht gebleven was, dan zou het Christus zonder tegenspreken ontvangen hebben, maar nu moet er geweld tegen onze verdorvenheden bijgebracht worden, eer wij plaats voor de genade kunnen hebben. Nooit zal Christus in een ziel komen waar de heraut der bekering niet een of andere beweegreden voor zich heen heeft gezonden.

Johannes, de Heere Jezus en de discipelen predikten de woorden: bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. In wat een overvloed hebben wij nu in onze eeuw het Koninkrijk der hemelen! Het is alsof God een nieuwe openbaring aan de wereld had gegeven, en toch moet ik u zeggen, dat de toekomende eeuwen nog meer van dit Koninkrijk zullen weten, want er zal steeds meer en meer opening van deze grote verborgenheid der genade aan de mensen gegeven worden (Éf. 2:7). Ik geloof dat er in de komende eeuwen een nog rijkere schat van Zijn genade geopenbaard zal worden dan ooit tevoren. Maar ik moet hierop niet blijven staan, want mijn voornemen is om mijn gedachten te laten gaan over Jezus. Johannes’ prediking is een voorbereiding geweest op de openbaring van Jezus. Johannes was alleen een voorloper van Christus, en niet Christus zelf, gelijk Johannes zelf getuigd heeft.

Van de doop van Jezus
Jezus is besneden om de Kerk die er al was te heiligen. Jezus is gedoopt om de Kerk die komt te heiligen. Zo heeft Hij in beide testamenten de weg naar de hemel geopend.

1. Welke reden had Christus om gedoopt te worden? Johannes verwonderde zich en gaf aan dat hijzelf door Christus gedoopt moest worden. Toch wilde Jezus Zich laten dopen, omdat Hij door dit teken ‘intrede’ deed in het gezelschap van de christenen. En om getuigenis te geven aan de prediking van Johannes de Doper en om door Zijn eigen doop het doopwater voor Zijn Kerk te heiligen. Ook om een getuigenis van de hemel te geven dat Hij Gods Zoon was en tenslotte om alle gerechtigheid te volbrengen en zo ingewijd te worden in het ambt van Zijn bediening.

2. Hoe wist Johannes dat Hij de Christus was? Het is niet waarschijnlijk dat Johannes en Jezus elkaar al voor de doop ontmoet hadden. Waarschijnlijk kende Johannes Christus bij Zijn aankomst door openbaring, net zoals hij Hem zelfs in de buik van Elizabeth al herkende.

3. Waarin bestaat de heerlijkheid van Christus’ doop? Augustinus noemde dat bij Christus’ doop de wonderen nog groter waren dan bij Zijn geboorte, omdat de Vader Zelf zo'n expliciet getuigenis van Hem geeft. “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.” (Mat. 3:17) De Heere Jezus was tot Zijn doop toe verborgen voor de mensen, als een zon achter de wolken, maar nu verschijnt Hij in het openbaar en toont Hij Zijn heerlijkheid. De Zon der gerechtigheid is opgegaan!

4. Wat was Christus’ gebed bij en na Zijn doop? Er staat “(…) en Jezus ook gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd.” Bij alle dopelingen was het de gewoonte om gelijk na de doop te bidden. Het ‘belijdende hun zonden’ zou daarop kunnen slaan. Maar Christus had geen zonden. Wat bad Hij dan wel? Het lijkt het meest logisch dat Hij bad om het neerdalen van de Heilige Geest uit een geopende hemel, omdat dit er in de tekst gelijk op volgt. De open hemel, duif en stem volgen direct na Zijn gebed. Het zou ook goed kunnen dat Hij bad om een zichtbare verzegeling van Zijn bediening die nu begon. Dit is zeker: God zond op het gebed de Heilige Geest, die Hem verzegelde, of Hem toeliet en bevestigde tot dienst van onze verlossing. Hij bad het voor Hemzelf, maar ook voor alle gelovigen.

5. Waarom daalde de Heilige Geest op Jezus neer? Ten eerste om Johannes de Doper voldoening te geven voor Wie hij de heraut was, want hij had gehoord ‘Op Welken gij de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het Die met de Heiligen Geest doopt.’ (Joh. 1:33). Ten tweede om Christus Zelf te zalven en in Zijn ambten te stellen.

6. Waartoe diende het dat de Heilige Geest Zich op dit ogenblik heeft geopenbaard? Christus’ geestelijk Koninkrijk was nu nabijgekomen. Dit in tegenstelling tot de vleselijke inzettingen die tot dan toe golden. Hij was zichtbaar geweken van Israël sinds de laatste profeten. Nu was het de tijd om zichtbaar te maken dat Hij in Jezus Christus weer zichtbaar en aanwezig werd. Hij openbaarde Zich, omdat het bij het begin van het evangelie zeer gepast was dat er een volle, klare en waarneembare betoning van de gehele Drie-eenheid zou zijn. Op meer bijzondere momenten in de Bijbel komt die Drie-eenheid duidelijk terug.

7. En waarom ‘gelijk een duif’, in plaats van in enige andere gedaante? Er zijn veel redenen te noemen. Bijvoorbeeld om Christus’ onschuld, reinheid, eenvoudigheid, barmhartigheid en liefde te tonen. Ook om aan te wijzen welke onschuld en goedaardigheid er behoort te zijn in degenen die gedoopt zijn.

Uit deze doop van Christus kunnen wij een praktische, noodzakelijke waarheid leren. Hoewel Christus niet Zelf met water doopte (maar met vuur), werd Hij Zelf wel met water gedoopt. Hij gaat Zelf in door de deur waardoor Zijn discipelen Hem altijd moeten volgen. Ambrosius acht het niet nodig om lang stil te staan bij het verschil in de doop van Christus en de doop van Johannes. Het is altijd zo dat er in de doop twee delen zijn: een inwendig en uitwendig deel. Ze moeten samengaan, zoals het bij Christus het geval was.

Van Christus' vasten en verzoeking
Nauwelijks opgekomen uit het water, kwam Christus in het vuur van de verzoeking terecht. De plaats van de verzoeking was de woestijn, zonder mensen en vol van wilde dieren. Ambrosius maakt de vergelijking met Adam die ook veilig tussen de wilde dieren leefde. Christus steeg echter ver boven Adam uit in het weerstaan van de verzoekingen. Het is een aannemelijke gedachte dat Christus deze veertig dagen al onophoudelijk werd verzocht, maar dat alleen de laatste aanval staat beschreven. De eenzaamheid heeft satan zeker gebruikt als verzwaring van de verzoeking. Ook wordt er wel gezegd dat deze veertig dagen oefeningen waren van Christus in gebed en vasten. Dat Hij een dagelijkse samenspraak met God had. Ambrosius herkent in zijn eigen leven dat God iets van Zichzelf kan delen in eenzame plaatsen. We hebben hierin een gezegend voorbeeld van de Heere gekregen. Samenvattend: zowel Christus als de satan hebben voordeel gehad van de locatie in de woestijn. De Eén om te bidden en de ander om te verzoeken.

Christus werd naar de woestijn geleid door de goede Geest om verzocht te worden van de boze geest. Christus heeft ons geleerd te bidden ‘Leid ons niet in de verzoeking’, maar Hij werd er Zelf wel ingeleid. Wat kunnen we hiervan leren? Wij mogen in de verzoeking niet op onszelf vertrouwen. Hoe zouden wij, arme zwakkelingen, met de duivel te durven worstelen in eigen kracht? O, wees op uw hoede!

En, tot troost voor Gods volk, mocht het zo zijn dat we door Goddelijke toelating in verzoekingen en beproevingen raken, laten wij dan daarop zien als een gevolg van de Goddelijke voorzienigheid, waarin wij God dienen te verheerlijken. “Acht het voor grote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.” (Jak. 1:2-3)

Het doel van het leiden naar de woestijn was tweeledig. In eerste instantie zodat de duivel Christus zou kunnen verzoeken. Daarnaast ook een verder toekomstig doel; namelijk dat van Zijn eigen heerlijkheid en ons nut. Want als de satan Christus niet had verzocht, hoe zou Christus de satan hebben kunnen overwinnen? De eerste Adam werd overwonnen, maar deze tweede Adam laat in Zijn overwinning hier Zijn overvloedige macht zien. We mogen er tot ons nut een voorbeeld in zien, hoe wij om moeten gaan met verzoekingen. En het is ook een troost dat de Hogepriester ons zelfs in deze dingen gelijk is geworden (Hebr. 4).

De tijd en gelegenheid van de verzoeking zijn de veertig dagen en nachten vasten die we lezen. Mozes vastte veertig dagen bij het ontvangen van de wet en Elia heeft veertig dagen gevast bij het herstel van de wet. Om de tijd van deze beide typen te vervullen, heeft het Christus goed gedacht om veertig dagen te vasten bij het volbrengen van de wet en de verkondiging van het evangelie. Door zo langdurig te vasten heeft Christus Zijn almacht getoond en door niet langer te vasten heeft Hij de waarheid van Zijn mensheid en zwakheid getoond.

Onze Zaligmaker was ten laatste hongerig en dit heeft de satan gelegenheid geboden om Hem met felle en verwoede verzoekingen aan te vallen. Satan neemt altijd het karakter en de gesteldheid waar van de personen die hij verzoekt. Hij let nauwkeurig op onze omstandigheden.

Het gaat om drie verzoekingen. De eerste daarvan ‘Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze stenen broden worden’ legt het gelijk aan op het belangrijkste stuk. Hoe ellendig zouden wij eraan toe zijn als Christus niet in daad en waarheid Gods Zoon was! Als Christus niet de Zoon van God was, hoe had Hij dan de wereld kunnen vrijkopen? De satan nodigt Hem uit om brood te eten dat Hij Zich alleen door Zijn eigen hand verschaft had, opdat Hij zo Zijn mensheid zou verkwikken en Zijn Godheid bewijzen. Niets is onze geestelijke vijand meer eigen dan ons bij gelegenheid van gebrek te bewegen tot een onverantwoordelijke handelwijze. Christus was even gerechtigd om stenen in brood te veranderen als Hij water in wijn veranderde, maar om dit te doen uit wantrouwen tegen Zijn Vaders voorzienigheid, om een wonder te doen naar satans keuze en op satans bevel, dat kon de Zoon van God niet behagen. Het zou duizendmaal beter voor ons zijn om stenen te nemen voor brood en tranen voor onze drank, dan te baden in onrechtmatig verkregen weelde en in de overvloed van wellust.

De tweede verzoeking was niet zo gericht op de zintuigen. De duivel zag dat dit te gering was voor Christus. Daarom kwam hij opnieuw met een verzoeking, ditmaal een die wat geestelijker is. ‘Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad en stelde Hem op de tinne des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van uw bevelen zal’, etc. (vs. 5-6). Hij, Die erin bewilligd had om van de Jordaan naar de woestijn te worden geleid, om de eerste verzoeking te vergemakkelijken, laat Zich nu van de woestijn naar Jeruzalem leiden, voor het gemak van de tweede. De woestijn was geschikt voor een verzoeking die opkwam uit gebrek. Jeruzalem was gepast voor een verzoeking die opkwam uit ijdele eer. Hierin is de verzoeking gelegen: de duivel mag ons aanzetten tot vallen, maar hij kan ons niet forceren zonder onze eigen daad. Zijn boosheid is oneindig groot, maar zijn macht is beperkt. Hij kan ons geen kwaad doen dan door ons aan te zetten om het onszelf te doen. Daarom sprak hij tot Christus: ‘Werp Uzelven nederwaarts’. Maar Christus wilde Gods macht, gerechtigheid, barmhartigheid en buitengewone bewaring niet beproeven zonder oorzaak.

De derde verzoeking was nog afschuwelijker. De tempel was niet hoog genoeg, dus: ‘Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hoge berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid, en zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij nedervallende mij zult aanbidden’ (vs. 8-9). Het Lam Gods, Dat alle eerdere verzoekingen met lijdzaamheid had aangehoord, kon deze geenszins verdragen. Zo gauw Hij merkte dat zijn eisen zo schaamteloos en godslasterlijk waren, gebood Hij hem te vertrekken.

O christenen, wat zullen wij tot deze dingen zeggen? Toen de duivel Christus kwam verzoeken had hij in Hem niets om met Hem samen te spannen in zijn verzoeking, maar in mijn hart bevindt zich een wereld van verdorvenheid. Tenzij de Heere het verhinderde, zou het snel met mij gedaan zijn.

Hoe kunnen we de duivel weerstaan? Ambrosius noemt een aantal ‘algemene’ middelen:

1. Een voortdurend indachtig zijn van Christus’ bevel: ‘Wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht; doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels’. (Éf. 6:10-11)

2. Het vermijden van de eerste influisteringen van satan. ‘En geeft de duivel geen plaats.’ (Éf. 4:27)

3. Christus tegen hem stellen in al zijn verzoekingen; bestrijdt hem met Bijbelteksten. Verwijs satan naar Christus, onze Advocaat.

4. Het horen, lezen en overdenken van Gods Woord, heilige samensprekingen, ijverig zijn in het werk van ons persoonlijk beroep en leven door het geloof. ‘Waakt en bidt, opdat gij niet in de verzoeking komt.’ (Mat. 26:41) Het bidden tegen de zonde en verleiding is een afwijzing ervan en maakt een groot deel van de overwinning uit, want het wijst het koesteren ervan af.

Van Christus' eerste openbaring
De tijd was aangebroken waarop de Zon der gerechtigheid ging schitteren voor het oog van de wereld. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Filippus’ woorden: ‘Wij hebben Dien gevonden van Welken Mozes in de Wet geschreven heeft en de Profeten, namelijk Jezus, den Zoon van Jozef, van Nazareth.’ (Joh. 1:46) Deze openbaring is niet zonder reden geweest. Ten eerste was het een bewijs van goedkeuring van Zijn zending en Godheid. Daarnaast ook een blijk van Gods genade, dat Hij wilde dat de hele wereld dit zou horen. Titus 2:11: ‘De zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen’. De zonde wordt erdoor weggenomen als we zien op Christus, en dat kan alleen als Hij Zich heeft laten zien. Ook werd Hij geopenbaard, opdat Hij de satan ten onder zou brengen. ‘Hiertoe is de Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.’ (1 Joh. 3:8) Tenslotte werd Hij geopenbaard, opdat we in Hem geloven zouden.

Deze eerste openbaring van Christus bestond in de onderscheiden getuigen die Hem hebben voorgesteld. De Vader in de hemel (Joh. 8:18), de Zoon (vers 14) en de Heilige Geest (Hebr. 10:15) zijn in de eerste plaats getuigen. Daarnaast ook Johannes de Doper met zijn duidelijke aanwijzing: ‘Deze is het’ en: ‘Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.’ Vervolgens de eerste discipelen. Maar ook Zijn werken (wonderen) getuigden van Hem. Ambrosius staat vervolgens uitgebreid stil bij het eerste wonder op de bruiloft in Kana.

Christus moet ons worden geopenbaard—hetzij door deze getuigen, hetzij door de prediking van het evangelie, hetzij door de ene Getuige, de Heilige Geest, die Hem in ons openbaart; anders gaan wij voor eeuwig verloren. Hij moet ons geopenbaard worden in de prediking van het evangelie. In elke preek Christus tentoonspreiden. Dat is de opdracht die Christus ons in de bediening heeft gegeven: ‘Gaat heen in de gehele wereld, predikt het evangelie alle creaturen.’ (Mark. 16:15) Merk maar eens op hoe Christus’ hart voor u openstaat. Hij kan Zijn liefde en genade niet in Zich houden. Hij kan Zijn eigen raad, voor het welzijn van uw ziel, niet voor Zich houden, maar het moet alles geopenbaard worden en wel op de meest openlijke wijze, door de prediking en verkondiging ervan aan de wereld.

Hij moet in ons hart geopenbaard worden door Zijn Heilige Geest, dat is de inwendige roeping. De Geest van Christus moet Hem ook in onze ziel openbaren, anders blijven we blind te midden van de evangelie-openbaringen.

Hoe Christus de kopers en verkopers uit de tempel gedreven heeft
Christus was vervoerd van ijver voor God toen Hij verontwaardigd alle kopers en verkopers uit de tempel dreef. Christus stelde Zich aan gevaren en onheil bloot toen Hij dit deed, want Hij gebruikte maar zwakke middelen -een gesel van dunne touwtjes- en ook de setting zou zich tegen Hem kunnen keren. Er waren altijd soldaten aanwezig, de mensen waren uit op winst en het was extra druk in verband met het Pascha.

We kunnen hieruit opmerken dat een overtuiging van Christus’ aanwezigheid in onze kerkelijke bijeenkomsten een bijzonder middel of motief is om alles in goede orde te brengen. Met Christus’ tegenwoordigheid bedoelen wij de aanwezigheid van Zijn Geest, óf in eigen Persoon, óf in het bijzonder in Zijn werkingen, opwekkingen, handelingen en bewegingen in onze geest. Ook de aanwezigheid van Zijn engelen hoort daarbij. Denk dan aan Jakob bij Bethel en de wetgeving op de Sinaï. Chrysostomus wordt hierbij aangehaald: ‘De kerk is geen manufacturenwinkel of koophuis, maar de plaats van de engelen en aartsengelen, het hof van God en de afbeelding en vertegenwoordiging van de hemel zelf – ik weet dat u hen niet ziet, maar luister en weet dat de engelen overal zijn en in het bijzonder in Gods huis, waar zij hun Koning dienen en alles vervuld is met deze onlichamelijke machten.’

Ambrosius vraagt ons of ons gedrag in de kerk past bij de aanwezigheid van de engelen en de Geest van Christus. Vergelijk het eens met hoe we een paleis binnengaan. Wandelen we net als Henoch met God?

Hoofdstuk 2

Van het tweede jaar van Christus' bediening en van Zijn daden in dat jaar
De kern van Christus’ profetische bediening was: ‘Bekeert u en gelooft het evangelie’. Het evangelie is een genadeverbond waarin al de onvolmaaktheid van onze werken voldaan wordt door de volmaaktheid en de genade van Christus. Jezus achtte het nuttig om discipelen te kiezen en met hen doorkruiste Hij geheel Galilea, al predikende en wonderen verrichtende.

Van Christus' prediking dat jaar
‘Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen’, was de inhoud van de eerste preek van de Heere Jezus. Al snel daarop volgde Zijn onderwijs aan Nicodemus over de verborgenheid van de wedergeboorte en Zijn doel op de aarde. De inhoud van Zijn preek aan Nicodemus was de ‘diepste in verborgenheid en bespiegeling’ die Hij ooit gehouden heeft, behalve de preek die Hij hield net voor Zijn dood. Vervolgens werd de boot van Petrus Zijn preekstoel en maakte Hij zieke zielen gezond door Zijn leer. De Heere Jezus hield in dit jaar ook in de synagoge van Nazareth de preek over Jesaja 61: ‘De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden om den armen het evangelie te verkondigen’. Hij preekte voor arme, gebonden, blinde mensen.

Tenslotte noemt Ambrosius de Bergrede die de Heere uitsprak, waarin Hij een kort begrip geeft van al die voorschriften die men waarlijk christelijk noemt. Hierin en in de rest van Zijn prediking heeft Hij een duidelijk getuigenis afgegeven dat Hij niet alleen Uitlegger van de wet was, maar de Wetgever.

Van Christus' profetische bediening
Christus heeft verschillende titels gekregen met betrekking tot Zijn profetisch ambt, die Ambrosius allemaal opsomt: Leraar of Meester, Wetgever, Rechter, Raad, Apostel onzer belijdenis, Verbondsengel en Middelaar des Nieuwen Testaments.

Waarom is Hij een Profeet geweest? Om deze drie redenen:

1. Opdat Hij aan Zijn volk de wil van Zijn Vader zou openbaren en overgeven. De verkondiging van het evangelie wordt dan ook genoemd een zo grote zaligheid, ‘dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen die Hem gehoord hebben.’ (Hebr. 2:3) Opdat Hij die wil zou openleggen en verklaren, nadat deze eenmaal overgeleverd was. Denk bijvoorbeeld aan de Emmaüsgangers ‘begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, legde Hij hun uit in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.’ (Luk. 24:27)

2. Opdat Hij de wil van Zijn Vader Zijn heiligen te verstaan zou geven en hun na het openleggen het geloof daaraan zou geven. Hij Die eerst de Schriften opent, opent ten slotte ook het hart (denk bijvoorbeeld aan Lydia). Andere profeten mogen planten, natmaken, onderwijzen en dopen, maar tenzij Christus inkomt door de krachtige tegenwoordigheid van Zijn Geest, zijn zij nooit bij machte om ook maar één arme ziel te behouden.

De uitnemendheid van Christus gaat in de volgende opzichten alle andere profeten te boven:

(1) Ze zijn slechts een schaduw en voorloper van Hem.

(2) Ze hebben Gods wil slechts ten dele en bij tijden geopenbaard. Dat zie je bijvoorbeeld in Hebr. 1:1: ‘God voortijds veelmaals en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon’. Dat wil zeggen Hij heeft volkomener en duidelijker gesproken. De Morgenster of Zon der gerechtigheid was zoveel helderder dan het flikkerende licht van de oude profeten.

(3) Andere profeten hebben voor het gehoor van mensen gesproken, maar Christus sprak en spreekt nog altijd tot het hart.

(4) Andere profeten hebben wijsheid verkondigd onder de mensen, maar alleen Christus’ prediking maakt de mensen wijs. Andere profeten hebben mensen gewaarschuwd door hen te wijzen op hun zonden en Gods oordelen aan te kondigen, maar Christus roept hen terug en keert hen van de zonden af.

(5) De profeten mogen zichzelf niet prediken, maar Hij getuigt van Zichzelf, omdat Hij niemand heeft om van te getuigen die groter is dan Hijzelf in het stuk van onze rechtvaardigmaking, heiligmaking en zaligheid.

(6) Andere profeten hadden hun last en gezag van Hem. In Hem zijn alle schatten, een zee en oceaan van kennis. Al wat elk van de profeten ook maar had, was aan Hem ontleend.

Van Christus’ wonderwerken
Wonderen worden wel een bevestiging van de leer van Christus genoemd. Een teken bij Christus’ prediking. De meeste van Zijn wonderen waren daden van barmhartigheid. Christus zendt zwakheid, ziekten en tegenslagen tot ons, opdat wij Hem zouden zoeken.

Ongeloof was de algemene kwaal van de Joden, die door geen ander recept te genezen was dan door wonderen. Dit was een lelijk gebrek en zeer schadelijk. Ambrosius werkt dit uit naar aanleiding van de genezing van de zoon van de hoveling te Kapernaüm. ‘Als mensen zoals wij, die onder de heldere zonnestralen van het evangelie leven, niet zullen geloven, o wat een zonde is dat!’ Jezus Christus is tegen deze hoveling zo zachtmoedig en barmhartig, opdat hij zou geloven. De hoveling dacht namelijk dat Jezus moest komen om te kunnen genezen, maar hij moet leren te geloven dat de Heere het op Zijn wijze doet.

Later lezen we van een hoofdman over honderd die voor zijn zieke knecht hulp zoekt. Dan biedt Christus aan. ‘Ik zal komen en hem genezen.’ Hij Die gekomen was in de gestalte van een dienstknecht wilde liever tot de zieke dienstknecht gaan dan tot de zoon van een hoveling. Hij is ‘geen aannemer des persoons’ blijkt hier wel heel duidelijk. Jezus verwonderde Zich over het geloof van deze hoofdman. Dat ‘verwonderen over’ staat er van de schepping en van de herschepping in de Bijbel.

Soms deed Hij ook wonderen uit medelijden en niet op de smeking van anderen. Christus schenkt bijvoorbeeld bij de jongen uit Naïn uitkomst om ons een les te leren. Namelijk dat onze ellenden en beproevingen, de krachtigste smekelingen zijn, aangezien wij te doen hebben met de Vader der barmhartigheden. De Heere des levens spreekt gebiedend, zoals Hij dat ook zal doen op de jongste dag. En opdat ons zwakke geloof niet zou wankelen bij zo'n onoverkomelijke moeilijkheid (1 Kor. 15:53), geeft Christus ons door wat Hij gedaan heeft en een proeve van wat Hij nog doen zal. Diezelfde macht die een enkeling kan opwekken, kan er wel duizend, een miljoen, ja zelfs een wereld opwekken.

Het grote doel van Christus met alle wonderen was om te bewijzen dat Hij door God gezonden was, om de mensen Zijn kracht te tonen, om Zijn evangelie te bevestigen, om liefde te wekken tot Zijn geboden en om geloof in ons te werken tot hulp op de weg naar de hemel. ‘Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam.’ (Joh. 20:31)

Tot ons nut nog drie vragen over de leer van Zijn wonderen:

Wat zijn wonderen?
Wonderen zijn ongewone gebeurtenissen die boven de natuurlijke loop of mogelijkheid worden gewerkt. Dat geldt voor de wonderen van Christus, de apostelen en de profeten. Laatstgenoemden deden het alleen in de Naam van een Ander.

Waarom zijn ze verricht?
Er zijn veel redenen te noemen, maar de belangrijkste is: voor het planten of bevestigen van de Goddelijke waarheid of leer bij hun eerste vestiging. Nu de klank van het evangelie echter door de gehele wereld is doorgegaan, houden deze wonderen op. Christus spreekt ons ook van ‘grote tekenen en wonderheden’ die in het laatste der dagen zullen gebeuren. Hij spreekt dan van ‘valse christussen en valse profeten’. Hij waarschuwt ons ervoor om niet in de antichrist te geloven vanwege zijn wonderen. Nu zijn we echter aangewezen op de Schrift en hoeven we geen wonderen meer te verwachten.

Houden zij verband met, en worden zij voortgezet in de grote handelingen van onze zielenzaligheid?
Ja, in dit opzicht houden de wonderen niet op! Het valt niet tegen te spreken dat Jezus Christus in het uitwerken van de zaligheid van onze ziel wonder op wonder heeft gestapeld. Het is een keten.

Het is een wonder dat God in Zijn eeuwig bestaan, voor wij in aanzijn waren, ons gedachtig is geweest. De gezegende Drie-eenheid heeft raad gehouden en dat hoogst aanbiddelijke en verbazingwekkende ontwerp van de zaligheid van onze ziel uitgedacht. O, wat een wonder is dit!

Het is een wonder dat God om onzentwil de wereld heeft geschapen en dat God na onze val in Adam de wereld bewaart. Een wonder dat, terwijl wij het samenstel van de schepping ontwrichten van Adam af, Hij niet het oordeel voltrok, maar onverwachts de belofte van een Zaligmaker gaf.

Het is een wonder dat de Zoon van God onze natuur heeft aangenomen en dat Hij in onze natuur vrede heeft bewerkt. Christus’ geboorte, leven, dood, opstanding, hemelvaart en bediening; zijn dat allemaal geen wonderen? ‘En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.’ (1. Tim. 3:16)

Het is een wonder dat God op ons gezien heeft, liggend in ons bloed, in onze zondigheid. O, wat een wonder van genade! Als de schepping al niet kon bestaan zonder een wonder, dan is zeker een nieuw schepsel een waarlijk wonder. Onze verdorven natuur is zo gekant tegen elke mogelijkheid van zalig worden, dat wij waren omgekomen in een droevige, eeuwige verwoesting, als de zaligheid niet in een wonder de gehele weg naar ons toe had afgelegd.

De verkiezing is een wonder, de schepping is een wonder, de verlossing is een wonder en de roeping is een wonder. Waarlijk, ieder mens die in een staat van genade leeft, is een voortdurend wonder. In zo iemand is zijn rede veranderd in geloof, zijn ziel in geest, zijn lichaam in een tempel, zijn aarde in de hemel, zijn water in wijn, zijn afkeer van Christus in een innige vereniging met Christus en een aanhangen van Hem. Welnu, spreek aldus, u die nog in uw bloed ligt: ‘Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.’ (Mat. 8:2) ‘Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.’ (Mark. 9:24).

Vaak gelezen posts:

Tips voor het voorbereiden van een dagopening en gebed

Waar komt ‘belijdenis doen’ vandaan?, belijdeniscatechisatie Hervormd Amstelveen