Ambrosiuskring, avond 6

Door: G. Schulenburg

Vijfde boek: Het zien op Jezus in Zijn leven, Hoofdstuk 3-5

Hoofdstuk 3

1. Van het derde jaar van de bediening van Christus, en in het algemeen van hetgeen Hij in dat jaar gedaan heeft
Tot hiertoe is alles stil geweest; niemand heeft tot nu toe de leer of de persoon van Jezus Christus gelasterd, en Hij heeft overal in vrede gepredikt. In dit jaar richten we ons op de hoofdzaken voor onze zaligheid: de aanstelling van de apostelen, Zijn aanneming van zondaren en de zachtheid van Zijn juk en de lichtheid van Zijn last.

2. Van Christus’ aanstelling van de apostelen
In de aanstelling van Zijn apostelen zijn verscheidene opmerkenswaardige dingen:

1) Zij zijn door Jezus Christus verkoren
Zij hebben zichzelf niet uitverkoren, maar Christus heeft hen verkoren. Deze roeping was onmiddellijk, en daarom zeer heerlijk. Bedienaars van het Evangelie moeten zijn dienaars van Christus, onmiddellijk of middellijk geroepen.

2) De plaats waar zij verkoren zijn, was op een berg
De bergachtige plaatsen zijn het naast aan de hemel gelegen; hetwelk aanwijst dat zij tot hoge en hemelse dingen geroepen zijn. De bergen zijn open plaatsen, daarom moest hun bediening in het openbaar zijn. De bergen moeten veel winden en stormen uitstaan, hetwelk zeggen wil dat hun roeping veel tegengesproken zou worden. Daarom heeft Christus deze troostrijke woorden gesproken: ‘Zalig zijt gij, als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil; (…) want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn’ (Mat. 5:11-12).

3) De tijd wanneer zij zijn verkoren, is geweest nadat Hij de gehele nacht over in het gebed was gebleven bij God
Christus is niet tot verkiezing getreden, voordat Hij eerst gewaakt en de ganse nacht over gebeden heeft; dit geeft te kennen de bijzondere zorg die Christus in deze grote zaak gehad heeft. Om mensen af te zonderen, om getuigenis te geven van Zijn Naam en om de wereld het Evangelie van Christus te verkondigen. Dit heeft hij niet willen doen zonder veel te bidden.

4) Het gezelschap waaruit zij zijn verkoren
Hij riep Zijn discipelen tot Zich en verkoos er twaalf uit hen. Een discipel van Christus is wat anders dan een apostel van Christus. Dezen waren discipelen van Christus, die de leer des geloofs en der bekering van Christus aannamen. Dit was de zaak niet die iemand tot een apostel van Christus maakte, dat hij Christus volgde, gelijk velen deden, of dat hij tot zijn eigen huis wederkeerde, gelijk anderen. Ik twijfel niet, of Christus heeft bij de verkiezing van Zijn apostelen vele discipelen gehad; en uit degenen die bij Hem waren, heeft Hij Zijn apostelen verkozen. De dienstknechten van Christus moeten eerst Zijn discipelen zijn. Eerst moet de genade Gods in ons zijn, en dan moet dezelfde genade Gods door ons ontdekt worden.

5) Het getal dergenen die verkoren zijn; zij waren twaalf
Dit weet ik zeker dat de werken van Christus gedaan zijn naar het gewicht, de maat en het getal.

6) Tot wat einde zij verkoren zijn
In het apostelschap, dat is om de gezanten van Christus te zijn tot de kinderen der mensen om in de wereld her- en derwaarts gezonden te worden, en de mensen te bewegen tot de zaligheid. Christus heeft Zijn apostelen gesteld om het Evangelie te prediken; en het woord van Paulus mag het onze zijn: ‘Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem, want de nood is mij opgelegd. En wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig!’ (1 Kor. 9:16). Heden heeft Christus mij met deze boodschap gezonden: ‘En heengaande, predik, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen’ (Mat. 10:7). Gewisselijk, de Heere heeft deze boodschap in mijn mond gelegd: bekeer u, gij vloekers, bekeer u, gij dronkaards, bekeer u, gij zondaars, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen! Wat is het Evangelie anders dan een schatkamer van Gods liefde in Christus voor ons geopend? Wat is het anders voor een schat die zij brengen dan het bloed van Christus, de beloften van het Evangelie, het woord der genade! Merk op: het Evangelie is een boodschap. De Heere zendt Zijn Zoon op en neder. Hij komt, staat, roept, klopt aan hun deuren en smeekt hun dat zij zich zouden laten verzoenen. O, vrijwillige genade Gods!

3. Van het ontvangen van zondaren door Christus
In Zijn leer heeft Christus dit duidelijk uitgedrukt: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Mat. 11:28). Hier is niet anders dan: kom, en welkom! Het Evangelie sluit niemand uit de hemel, dan alleen degenen die door ongelovigheid de deur voor hun eigen ziel sluiten. Wederom: ‘Al wat Mij de vader geeft zal tot Mij komen, en die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen’ (Joh. 6:37).

Hier is de volkomen bedoeling en het voornemen van God en Christus voorgesteld, om de zonden te vergeven en de zondaars aan te nemen. De Vader is daartoe gewillig: ‘Dit is de wil des Vaders Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze’ (Joh. 6:39) en de Zoon is gewillig: want die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen, zegt Christus. Christus is zo gewillig om de zondaars te ontvangen, dat Hij als het ware al Zijn deuren openzet. Hij houdt open hof en Hij werpt niemand uit die maar wil inkomen; en waarom dat? ‘Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen Die Mij gezonden heeft (Joh. 6:38). Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk. 19:10). Zijns Vaders zending was een krachtig bewijs dat Christus gewillig was om die zondaars aan te nemen, die maar tot Hem wilden komen.

Wederom: ‘Jezus stond en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die komen tot Mij en drinke’ (Joh. 7:37). De Vader zegt: Kom! En de Zoon zegt: Kom! ‘En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet’ (Openb. 22:17). O alle gij dorstigen, kom tot de wateren; indien enige zondaars het leven liefhebben, indien iemand tot de hemel wil ingaan, die kome tot Mij, en Ik zal hem de weg tot Mijns Vaders hart aanwijzen en hem voor Mijns Vaders hart bemind maken.

Christus en de Vader betonen in al deze stukken één en dezelfde goedertierenheid: zij hebben geen lust aan den dood des goddelozen, maar roepen hem tot bekering en leven, en beloven menigvuldige vergeving aan wie van zijn boze wegen wederkeert. Daartoe is Christus in de wereld gekomen, niet om rechtvaardigen, maar om zondaren te roepen. Hij gaat met hen om, Hij ontvangt hen gewillig, Hij verblijdt Zich over hun bekering, en waar zij niet willen, daar wordt Zijn hart bedroefd, ja, Hij weent, gelijk over Jeruzalem.

Zie dit in Zijn voorbeelden en gelijkenissen: als een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert, alzo wil Hij zielen bijeenbrengen. Als een vader de verloren zoon tegemoet loopt, hem omhelst en kust, alzo loopt Gods ontferming de zondaar tegemoet; en als die zondares met tranen Zijn voeten natmaakt en met haar haren droog maakt, zo toont zij wat ootmoed en geloof vermag, en Christus werpt haar niet uit, maar rechtvaardigt haar genadiglijk.

Wat volgt hieruit, o zondaar? Niet dat Christus onwillig ware, maar dat gij onwillig zijt. Al de roepstemmen der Schrift staan open: de dorstigen worden genodigd, de gewilligen worden geroepen, en Christus’ armen zijn uitgestrekt, ook in Zijn lijden. Werp dan weg uw vooroordelen, kom, en neem bij Hem toevlucht; want wie tot Hem komt, die zal Hij geenszins uitwerpen.

4. Van Christus’ zachte juk en lichte last
Aangaande de zachtheid van Christus’ juk en de lichtheid van Zijn last, heeft de Heere Jezus daarvan in deze woorden gesproken: ‘Neemt Mijn juk op u en leert van mij (…). Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht’ (Mat. 11:29-30).

Christus noemt Zijn juk Zijn geboden en onderwijzingen, en Zijn last de oefening der godzaligheid. Niet alsof er in de weg des Heeren geen arbeid ware, maar omdat de zwaarte niet ligt in het gebod zelf, doch in ons verdorven hart; en omdat Hij, Die het juk oplegt, hetzelve ook draagt en verzoet. Gelijk een schip zonder ballast niet staande blijft in de baren, zo is ook deze last een last die bewaart en voorthelpt; zoet van aard, en licht in vergelijking met de harde dienstbaarheid der zonde en de gestrengheid der wet.

Voorts leert Christus, dat de weg der christelijke wandel geëffend wordt. De hinderpalen worden weggenomen, de kromme paden recht gemaakt; en Hij gaat Zelf voor als Leidsman, door Woord en Geest, zodat zelfs de eenvoudigen niet zullen dwalen. Daarom is deze godsdienst, recht beschouwd, niet een slavernij, maar een vrijheid; niet een onrust, maar een vrede. Ja, waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. En opdat dit juk inderdaad zacht zij, heeft God ons ook velerlei helpers gegeven: de Heilige Schrift als regel en spiegel; de dienaren tot opbouwing; de voorbeelden der heiligen tot aansporing; de ordinantiën en heilige oefeningen als fonteinen der genade; de beloften des hemels tot bemoediging; de gedachtenis der helse pijnen tot afkeer van de zonde; de liefde als beginsel dat alles draagt; de engelen als gedienstige geesten; en de inblazingen en bewegingen van Christus’ Geest, Die tot het hart spreekt: “Dit is de weg, wandelt in denzelven.” En boven dit alles: Gods genade, gelijk olie in het wagenwiel, die doet lopen zonder kraak en geraas.

Hiertegen werpt men in, dat men dit zoete niet gevoelt. Ik antwoord: de eerste smaak komt gemeenlijk niet vóórdat men het juk opneemt; en bovendien, vleselijke mensen verstaan de dingen des Geestes niet. Maar waar de Heere de ziel lokt en trekt, daar ontdekt Hij in Zijn dienst zulk een zoetigheid, dat het hart, hoe bezwaard ook, nochtans belijdt: Zijn juk is zacht, en Zijn last is licht.

Hoofdstuk 4

1. Van het vierde jaar der bediening van Christus, en in het algemeen van Zijn handelingen in hetzelve
Dit was het laatste jaar der bediening van Christus, in hetwelk duizenderlei dingen zijn voorgevallen. Johannes verhaalt meer van Christus in dit jaar dan in al de voorgaande jaren: Hij is van gedaante veranderd geweest, Hij heeft het sacrament van het Avondmaal ingesteld en Zijn afscheidspredikatie gedaan. Na deze predikatie heeft Hij Zijn discipelen gezegend en voor hen gebeden en de lofzang gezongen hebbende is Hij uitgegaan naar de Olijfberg waar Zijn lijden aanving. Er zijn vele vragen over Christus’ heiligheid, of rechtvaardigheid of gehoorzaamheid. Zoals: of die ons mede aangaat? Of die is de oorzaak van onze rechtvaardigmaking? Of Christus schuldig geweest is de wet der werken te onderhouden als Middelaar, of slechts als een bloot mens? Of wij niet gerechtvaardigd zijn alleen door de rechtvaardigheid van het lijden van Christus? We zullen daarom nu Christus’ daden verhandelen met betrekking tot onzer zielen zaligheid.

2. Van de onderscheidingen of verscheiden verdelingen van Christus’ rechtvaardigheid
Zijn oorspronkelijke gelijkvormigheid is die genadige, inhangende geschiktheid in Christus, waardoor Hij op een hebbelijke wijze de wet van God gelijkvormig geweest is; en deze oorspronkelijke gerechtigheid verantwoordt onze oorspronkelijke ongerechtigheid. Zijn dadelijke gehoorzaamheid in Zijn lijden van de straf die wij met onze zonden verdiend hebben. Wij lezen dikwijls in de Heilige Schrift dat Hij onbestraffelijk en onbevlekt is geweest.

a) Onbestraffelijk
Vrij in Zichzelf van alle toerekening van zonde. In Zijn ganse leven is Hij onbestraffelijk en onberispelijk geweest; en daarom heeft Hij nu aan het einde van Zijn leven het volk dat met Hem verkeerd had, gevraagd: ‘Wie van u overtuigt Mij van Zonde?’ (Joh. 8:46).

b) Onbevlekt
Vrij van alle besmetting der zonde. Petrus heeft Hem genoemd een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petr. 1:19). Paulus noemt Hem: ‘Een Hogepriester, heilig, onnozel en onbesmet’ (Hebr. 7:26). Een die nooit kwaad gedaan, noch kwaad gesproken heeft. Een die nooit gezondigd heeft, zelfs niet met een gedachte, maar Hij is volkomen en in alle opzichten zonder zonde geweest (Hebr. 4:15). De stellige rechtvaardigheid van Christus is tweeërlei. Zijn volkomen vervulling van alle dingen die geboden zijn, en Zijn volkomen voldoening van de gedreigde straf.

3. Van de heiligheid van Christus’ natuur
Aangaande de heiligheid van Zijn natuur, daarvan zegt in de eerste plaats de psalmist: ‘Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen’ (Ps. 45:3). Ook de Bruid in het Hooglied beschrijft Christus als volgt: ‘Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend’ (Hoogl. 5:10). In Christus is dus een genadige vermenging en samenstelling van al de genade des Heiligen Geestes; daar is in Hem een zoete vermenging van zachtmoedigheid, zuiverheid, rechtvaardigheid, lieftalligheid, nederigheid en wat al niet meer! In Hem zijn al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen (Kol. 2:30).

Merk op: er was meer hebbelijke genade in Christus dan er ooit was of zijn zal in alle uitverkorenen, hetzij engelen of mensen. Hij heeft de Geest zonder mate ontvangen. Zijn inwendige schoonheid wordt ons in de Schrift voorgesteld; Hij is de Zon der gerechtigheid, de blinkende Morgenster, het Licht der wereld, de Boom des levens, de Lelie en de Roos, schoner dan alle bloemen des velds, dan alle lichten aan het firmament, dan alle heiligen en engelen in de hemel. Dit gaat ons allen zeer veel aan: ‘Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods’ (Rom. 8:2). Maar waarom wordt de heiligheid der natuur van Christus genoemd: de Geest des levens? Omdat Die in Zijn mensheid door de Geest Gods was ingestort en omdat het een zeer volmaakte, volstrekte en volkomen heiligheid is.

4. Van de heiligheid van het leven van Christus
Aangaande de heiligheid van Christus’ leven daarvan zegt ons de apostel dat ‘door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigheid zullen gesteld worden’. Hier is de gehoorzaamheid van Christus en deszelfs invloeiing op ons. De gehoorzaamheid van Christus is datgene waardoor Hij is gebleven in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, omdat te doen. ‘Meent niet, dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen’ (Mat. 5:7). Door Zijn dadelijke heiligheid heeft Christus metterdaad voldaan aan elke deel van Gods wet, Hij heeft in alle geboden gewandeld, Hij heeft volkomenlijk volbracht beide met gedachten, woorden en werken alles wat de weg Gods geëist heeft. Hij was gehoorzaam tot de dood, zegt de apostel, zelfs tot Zijn kruisdood (Fil. 2:8).

Nu heeft Hij, in één korte omloop van Zijn bediening, Zijn deugden klaar geopenbaard: Zijn liefde in het spijzigen der hongerigen; Zijn zelfverloochening, wereld en kroon verachtende; Zijn goedertierenheid, ook een ellendige niet afwijzende; Zijn milddadigheid, de sleutelen des hemels aan de Zijnen gevende (Mat. 16:19); Zijn lijdzaamheid, smaad en tegenspraak verdragen hebbende; Zijn heerlijkheid op de berg blinkende; Zijn zachtmoedigheid rijdende op een veulen; Zijn medelijden wenende over Jeruzalem; Zijn nederigheid de voeten der discipelen wassende; en Zijn gehoorzaamheid, tot het einde toe, het Evangelie predikende en Zijn afscheidswoord nalatende.

Hieruit volgt een troostelijk besluit: dat de wet niet in ons vervuld wordt door inlijving of heiligmaking, maar dat het recht der wet in ons vervuld is door toerekening, omdat wij in Christus gevonden worden, Wiens lidmaten wij zijn, wandelende niet naar het vlees, maar naar de Geest.

5. Van het grote verschil of wij niet gerechtvaardigd zijn allen door Christus’ lijdende gerechtigheid, zonder enige aanmerking van Zijn inhangende of door Hem volbrachte rechtvaardigheid
Wat mij aangaat, ik houd het hierbij: dat wij niet gerechtvaardigd zijn door Christus’ lijdelijke gerechtigheid alléén, alsof daarmee de wet ten volle voldaan ware; want Gods wet dreigt niet enkel straf, maar belooft ook zegen. Daarom worden, in de staat der ongehoorzaamheid gevallen zijnde, twee dingen vereist tot voldoening der wet: het dragen der straf en het volbrengen des gebods; het ene om de hel te ontgaan, het andere om recht te hebben op het leven.

Hieruit volgt, dat Christus beide voor ons volbracht heeft: door Zijn lijden heeft Hij de schuld weggenomen en de verdoemenis afgewend; door Zijn dadelijke gehoorzaamheid heeft Hij de wet vervuld en het recht op de hemel verworven. Deze weldaden gaan in de gerechtvaardigde altijd tezamen, maar men moet ze nochtans voorzichtig onderscheiden; want het is wat anders de straf te lijden, en wat anders het gebod te gehoorzamen.

En zo is de rechtvaardigmaking niet een blote vergeving der zonden, maar ook een aanneming tot het leven; niet door inlijving of inwendige heiligmaking, maar door toerekening van Christus’ volkomen gerechtigheid, alsof wij zelve in eigen persoon de wet volbracht hadden. Doch hieruit volgt niet, dat wij de wet zouden verachten; wij gehoorzamen haar niet om gerechtvaardigd te worden, maar om God te verheerlijken, onze dankbaarheid te betuigen, en ons te oefenen in de godzaligheid.

Hoofdstuk 5

1. Van het kennen van Jezus, zoals Hij het grote werk onzer zaligheid op Zich heeft genomen in Zijn leven
Laat ons Jezus kennen, Die dat grote werk van onze zaligheid gedurende Zijn leven op Zich genomen heeft. We kunnen zoveel lezen maar laten we bovenal het leven van Jezus lezen en menigmaal overlezen. Tot dat einde hebben wij vier evangelisten die met een heerlijke overeenstemming Zijn leven hebben voorgesteld, en tot dat einde hebben wij het boek des geslachts van Jezus Christus. ‘Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om den Heere te kennen’ (Hos. 6:3a). Paulus drukt het zo uit: ‘Want wij kennen ten dele’ (1 Kor. 13:9a). De hoogste kennis die de meeste verlichte heiligen van Jezus Christus hebben, is maar gebrekkig en onvolmaakt. Kom dan, en vervolg om de Heere te kennen, vraag gedurig naar Hem. Bestudeer de Schrift tot vermaking en verkwikking. Paulus schrijft: ‘Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd’.

Is er iets in de wereld wat de kennis waardig is, zo is het dit! Daarom om onze kennis te vergroten, bestudeer het leven van Jezus, zoals: het prediken van Johannes, de doop van Christus, Zijn vasten en verzoekingen in de woestijn, Zijn geseling van de kopers en verkopers uit de tempel, de verscheidene wonderwerken die Hij tot stand gebracht heeft, Zijn bevelen aan Zijn apostelen om de zondaars in te roepen en Zijn gewilligheid om te ontvangen degenen die komen willen, want zijn Juk is zacht en Zijn last is licht. Bestudeer de heiligheid van Zijn natuur en de heiligheid van Zijn leven, die bijzonder gebleken is in de oefening van Zijn genaden, van Zijn liefde, zelfverloochening, goedertierenheid, meedogendheid, nederigheid en gehoorzaamheid. O mijn ziel, bestudeer hetgeen er is geschreven! Kom met gezette gedachten, breek uw hersenen over dit heerlijke onderwerp dat u wijs kan maken ter zaligheid. Paulus drukt het zo kernachtig uit: ‘Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, omdat ik Christus moge gewinnen’.

2. Van het overdenken van Jezus in dit opzicht
Laat ons Jezus overdenken in dit opzicht, als Hij het grote werk onzer zaligheid in Zijn leven op Zich genomen heeft. Het is niet genoeg dat wij studeren en weten; wij moeten hetzelve ook bepeinzen, overleggen en herkauwen, totdat het tot enige voordelige uitkomst kome. Want gelijk iemand, staande in de zon, om andere redenen, gewaarwordt dat hij verlicht en verwarmd wordt, alzo kan de ziel, in een heilig gepeins, ongemerkt veranderd en omgekeerd worden: de overdenking heeft een veranderende kracht, die het verstand eerst bezighoudt, en daarna de wil buigt tot aanneming, tot genade en tot een godzalige wandel. Maar een overdenking die in blote kennis eindigt, is als de zon in de winter: zij schijnt, maar verwarmt niet. Heb dan, o mijn ziel, sterke inbeeldingen van de plaatsen van Christus’ leven, en overdenk ze met orde:

1) Johannes’ prediking tot bekering en vrucht.
2) Christus’ doop, als een rijke fontein van weldaden voor ons.
3) Zijn vasten en verzoeking in de woestijn, opdat gij leren zoudt strijden en hulp zoeken aan de troon der genade.
4) Zijn openbaring door getuigen, ja ook de inwendige openbaring van Christus in het hart door Zijn Geest.
5) Zijn uitdrijving der kopers uit de tempel, en Zijn bijzondere tegenwoordigheid in de vergadering van Zijn volk.
6) Zijn prediking, die zoet is en nochtans scherp, vooral: wederom geboren worden.
7) Zijn wonderwerken, tot bevestiging der waarheid.
8) Zijn aanstelling der apostelen en al wat daarop volgt.
9) Zijn aanneming der zondaren, en Zijn gewilligheid om verlorenen zalig te maken.
10) De zachtheid van Zijn juk en de lichtheid van Zijn last.
11) De heiligheid van Zijn Persoon en van Zijn leven.

3. Van het verlangen naar Jezus in dit opzicht
Laat ons naar Jezus verlangen, zoals Hij het werk van onze zaligheid in Zijn leven op Zich heeft genomen. Het is niet genoeg dat wij weten en overdenken, maar wij moeten ook begeren; ons gepeins aan Christus moet voortbrengen onze genegenheid tot Christus, en onder alle genegenheden geef ik de eerste plaats aan de begeerte naar Christus.

Want alles van Christus is begeerlijk: niet alleen Zijn grote werken, maar zelfs de geringste dingen die Hem raken. Een zoom van Zijn kleed, een kruimel van Zijn tafel, ja het minste stof waar Zijn voeten over gingen, is meer waard dan al wat de wereld schoon en kostelijk noemt; en daarom begeerden sommigen slechts Hem aan te raken, anderen Hem te dienen, en David koos liever aan de drempel van Gods huis te zijn dan in de tenten der goddelozen.

Daarenboven zijn Zijn werken, jegens vrienden en jegens vijanden, vol beminnelijkheid en ontferming: Hij versterkt het gekrookte riet, Hij omhelst de zoekende ziel, Hij weent zelfs over hen die Hem verwerpen. En indien Zijn daden zo begeerlijk zijn, wat moet dan Zijn Persoon zijn? Hij is de geheel begeerlijke; de Banierdrager boven tienduizend; het uitgedrukte Beeld van de Vader; de Zon der gerechtigheid, bij Wie al het andere niet dan schaduw en stof is.

Daarom: strek uw begeerten uit naar Christus; werp de wereld achterwaarts; honger en dorst naar Hem als naar het Brood des levens en het Water des levens; en zeg, met een heilige onrust: Och, dat deze Christus de mijne ware; och, dat ik Hem zien mocht; ik ben krank van liefde.

4. Van het hopen op Jezus in dit opzicht
Laat ons op Jezus hopen, zoals Hij het grote werk van onze zaligheid in Zijn leven op Zich heeft genomen. Niet met een wankelende en twijfelmóedige hoop, maar met een zekere hoop, welgegrond. De hoofdvraag der ziel is deze: komt mij Christus’ leven ook toe? En gaan mij de invloeiingen van dat leven ook aan, ja, is mij Zijn inwonende gerechtigheid en dadelijke heiligheid toegerekend?

En de vastigheden der hope blijken uit de werkingen van dat leven in ons. Indien Christus’ leven het mijne is, dan ben ik, hoewel de zonde nog in mij blijft, bevrijd van haar heerschappij: zij is mij een tiran, maar geen koning; zij zal niet heersen. Voorts zal dit leven mij maken tot een wandel gelijk Hij gewandeld heeft: niet tot een schilderij in een pronkkamer, maar tot een patroon dat ik overschrijf in mijn doen en laten. En daaruit vloeit nog meer: ik zal mij over Hem verwonderen, Hem aanbidden, in Hem geloven, Hem gehoorzaam zijn, en het Lam volgen waar Het ook heengaat. Ja, het Woord werkt trapsgewijs in het hart: eerst als het geruis van vele wateren (verbaasdheid), daarna als de stem des donders (vrees en overtuiging), eindelijk als het geluid der harp (zoete vrede en blijdschap).

Onderzoek dan uzelven: wordt uw hart verwarmd? Sterft de zonde in u? Wandelt gij in nieuwigheid des levens? Is er in u begeerte om Zijn wil te verkiezen boven uzelf? Zo is hier een vaste grond der hope. Zolang Christus in het oog van Augustinus was, zei hij: ik durf niet wanhopen, ik weet Wie het gezegd heeft, en daarop mag ik bouwen. Dit anker der hoop, aldus uitgeworpen en vast zijnde op Christus, is van wonderlijke nuttigheid wanneer de winden der verzoeking op onze zielen aanvallen.

5. Van het geloven in Jezus in dit opzicht
Laat ons in Jezus geloven in dit opzicht: namelijk, dat wij niet alleen Zijn leven aanzien en de vruchten daarvan prijzen, maar hetzelve ook door een waar geloof toe-eigenen en tot ons nut gebruiken. Vele zielen blijven op een afstand staan, durven geen bijzonder deel te maken aan Christus en Zijn leven; nochtans is juist dit de rechte eigenschap des geloofs, dat het zegt: dit alles is ook voor mijn ziel.

En opdat dit geloof recht en vast zij, zo moet het:

1) Rechtstreeks tot Christus gaan: niet tot een blote belofte, alsof de belofte zonder Persoon ware, maar tot Christus Zelf, in Wien alle beloften ja en amen zijn; want reeds de eerste belofte was in haar hart een belofte van het Zaad, dat de slang de kop vermorzelen zou.

2) Tot Christus gaan als God in het vlees: want nu Hij gekomen is, is Hij het naaste, onmiddellijke Voorwerp des geloofs; en zo leert Hij: “Gelooft in God; gelooft ook in Mij”.

3) Tot Christus gaan als geworden onder de wet: opdat Hij ons, die onder de wet lagen, verlossen zou; ja, Hij is onder de wet gekomen niet alleen om te lijden, maar ook om te doen - Hij heeft de vloek gedragen én de geboden volbracht.

4) Hierbij oogmerken op Zijn einde en voornemen: dat wij uit de staat der veroordeelden zouden overgebracht worden tot de aanneming tot kinderen, en recht zouden hebben op de erfenis der heiligen.

En zo oefent het geloof zich: het ziet op Christus’ volkomen leven en dadelijke gehoorzaamheid als op een geopende fontein en als op een wisselkleed. En al klaagt de ziel over nieuwe en oude zonden, zij zegt nochtans: laat mij geloven; Christus’ gerechtigheid is heerlijker dan al mijn schande, en bekleedt mij tegen alle harde gedachten des harten.

6. Van het beminnen van Jezus in dit opzicht
Laat ons Jezus beminnen in dit opzicht, gelijk Hij het grote werk onzer zaligheid gedurende Zijn leven op Zich genomen heeft. Want wat is liefde anders dan een beweging van de honger, waardoor de ziel zich verenigt met hetgeen zij, naar haar oordeel, goed acht? En indien dit waar is, o, wat een beminnelijk Voorwerp is het leven van Christus!

In Christus is alles beminnelijk: Zijn beloften, onderwijzingen, heilige daden en rechtvaardige bedieningen; Zijn tedere genegenheid en beminnelijke toelachingen; ja ook Zijn genadige, inwendige en wonderlijke werkingen. Zodat Hij geheel en al beminnelijk is, alsof Hij uit liefde is samengesteld; van het hoofd tot de voeten is er niets in Hem, of het is schoon en aangenaam.

Daarom: indien gij gelooft dat gij deelhebt aan deze handelingen, laat dan uw geloof u leiden van trap tot trap, totdat het uitloopt in brandende liefde. En indien uw hart koud blijft onder zulk een verhaal, zo bidt en zucht: Heere, doorwaai mijn hof; beweeg mij door Uw Geest, dat ik U veel mag liefhebben; vele zonden zijn mij vergeven, och dat ik U veel mocht liefhebben!

7. Van het verblijden in Jezus in dit opzicht
Laat wij ons in Jezus verblijden in dit opzicht: dat al de handelingen van Zijn leven een rijke stof zijn tot opwekking van onze genegenheden. Doch de kracht van deze blijdschap staat vooral in de toe-eigening dat het leven van Christus ook het onze zij. Daartoe staat ons drieërlei oefening voor ogen:

1) Beschouwing: laat ons Christus’ leven dikwijls overpeinzen, en ons hart bij dat gezegende Voorwerp houden; ja, wendt uw ogen waarheen gij wilt, gij zult overal iets vinden dat u aan Christus herinnert, opdat uw gedachten aan Hem gebonden worden.

2) Vertrouwen en hope: laat ons op goede gronden hopen dat wij aandeel hebben in Christus’ leven; want hope en blijdschap gaan saam, waar de hope wankelt, daar is de troost zwak. Maar waar de hope vast wordt, daar vermeerdert de blijdschap.

3) Genieting en gebruik: kom tot een eigendom in Christus, en tot een bezitting van Christus. Niet alleen een blote belijdenis, maar een toe-eigening, zodat gij zeggen leert: Christus is mijn, en dat gij in Hem genoeg vindt tot vervulling van uw gebreken.

En indien uw hart dof blijft, zo onderzoek of er niet een verborgen twijfel ligt aan uw eigendom in Hem; breng dan uw blijdschap weder tot dit Voorwerp door bepeinzing, vertrouwen en toe-eigening, totdat gij met de discipelen ook één van die menigte zijt, die zich verblijdde over al de krachtige daden die zij gezien had, en met de apostel leert: verblijdt u, en wederom: verblijdt u.

8. Van het aanroepen van Jezus in dit opzicht
Laat ons Jezus aanroepen in dit opzicht, ja God de Vader in en door Jezus; want gelijk het zien op Jezus dikwijls vóór het gebed gaat, alzo wil het geloof in het bidden menigmaal tot de ogen uitkomen, en de genegenheden breken tot het venster uit, als de deur gesloten is: gelijk Stefanus de ogen naar de hemel hield.

En dit aanroepen begrijpt in zich twee stukken:

1) Gebed: dat al deze handelingen van Jezus, gedurende Zijn leven en bediening op aarde, de onze mogen zijn. Wij hopen het, wij geloven het, maar wij moeten ook bidden dat het zo zij; want hoop, geloof en gebed strijden niet, maar stemmen overeen: “Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.”

2) Dankzegging: dat wij God loven om al deze handelingen in Christus’ leven; want indien Hij onder de wet geworden is om ons te verlossen, uit de hemel is nedergedaald om ons te winnen, zoveel woorden gesproken en wonderen gedaan om het geloof in ons te werken. Hoe behoort dan onze ziel uit te breken in lof en eer, en te zeggen: Hem zij heerlijkheid en kracht in alle eeuwigheid.

9. Van de gelijkvormigheid met Jezus in dit opzicht
Laat ons Jezus gelijkvormig zijn in dit opzicht: niet slechts in naam en belijdenis, maar in gestalte en wandel. Gelijk de zeelieden hun oog houden op het schip dat de lantaren voert, opdat zij de rechte koers bewaren, alzo moet de christen zijn oog houden op Jezus, als op het zuiverste Voorbeeld van heiligheid. Doch hier dient een voorzichtig onderscheid: wij worden Hem niet gelijk in de werken Zijner Godheid noch in het eigenlijke werk van Zijn Middelaarschap (als het voldoen voor de zonde, het verlossen der zielen, het regeren der kerk, en het doen van wonderen); maar wij worden Hem gelijk in Zijn zedelijke gehoorzaamheid, in de heilige gestalte van Zijn leven, voor zoveel Hij ons daarin voorgaat.

En dit raakt het ganse leven:

1) In Zijn zin en genegenheden, dat Hij niet Zichzelf zocht, maar de wil Zijns Vaders.
2) In Zijn woorden, dat er geen bedrog, ijdelheid of bitterheid op Zijn lippen gevonden werd.
3) In Zijn deugden, als zachtmoedigheid, nederigheid, lijdzaamheid en barmhartigheid.
4) In Zijn verdraagzaamheid onder smaad, onrecht en tegenspraak.
5) In Zijn omgang met God, in gebed, afzondering, heilige ernst en volharding.
6) In Zijn goeddoen onder de mensen, dat Hij overal ging zegenende, ook waar Hij veracht werd. Hierin heeft Hij ons voetstappen nagelaten, opdat wij ze navolgen zouden.

Waarom is dit nodig? Omdat God niet alleen wil dat wij door Christus vrijgesproken worden, maar ook dat wij door Zijn Geest veranderd worden. En omdat het een heilig oogmerk des Vaders is, dat wij het Beeld Zijns Zoons gelijkvormig zouden zijn. Christus heeft daarom niet alleen genoeg gedaan tot onze verzoening, maar ook zo geleefd, dat Hij een Licht en Leidsman ware voor alle geslachten.

Hoe zal dit geschieden? Niet door losse voornemens, maar door een gedurig en ernstig zien op Christus. Maak dan plaats voor deze oefening: zonder tijd af, neem hindernissen weg, bind uw gedachten aan dat Voorwerp, en zie niet alleen met het oog van verstand, maar met smeking om genade. Stel u in verzoeking en plicht telkens deze vraag: zou Christus zo gesproken hebben? Zou Hij zo gehandeld hebben? En verwacht de verandering niet in één ogenblik, maar trapsgewijs van heerlijkheid tot heerlijkheid, totdat de doding van Jezus in u omgedragen worde, en ook Zijn leven in uw sterfelijk vlees openbaar worde.

Vaak gelezen posts:

Tips voor het voorbereiden van een dagopening en gebed

Waar komt ‘belijdenis doen’ vandaan?, belijdeniscatechisatie Hervormd Amstelveen