Ambrosiuskring, avond 7

Door: J. van Dijk

Zesde boek: Het zien op Jezus in Zijn dood, Hoofdstuk 1-3

Hoofdstuk 1

1. Van de dag van Christus’ lijden, in delen en uren verdeeld
Christus’ levenseinde hing niet af van de wil van de mens, want hoewel velen probeerden Hem te doden, was Zijn tijd nog niet gekomen.
Ambrosius behandelt de wondervolle zaken van Christus’ lijden in orde en begint met Zijn lijden in de nacht voor Zijn kruisiging. ‘Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in dezen nacht’ (Matth. 26:31)

2. Van de beek waarover Christus is gegaan
De eerste gebeurtenis van die nacht was dat Christus de beek Kidron overstak op weg naar de hof van Gethsémané: ‘Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kidron, waar een hof was, in welken Hij ging en Zijn discipelen’ (Joh. 18.1). Met deze beek kan de toorn van God en het woeden van de mensen worden verstaan. Gods Woord laat menigmaal zien dat voor het water verdrukkingen mogen aangezien worden: ‘Verlos mij, o God, want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel’ (Ps. 69:2).

In de beek Kidron werd alle vuiligheid en onreinheid geworpen. Zo is alle vuiligheid van onze zonden op Hem geworpen, opdat Hij als een rivier of fontein ons ervan zou reinigen. ‘Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem’ (2 Kor. 5:21). Deze beek Kidron is een ware afbeelding van het christenleven. Als wij van Christus zijn, wat is ons leven anders dan een doortocht door een tranendal, over een beek van verscheidene beproevingen?

3. Van de hof die Christus is ingegaan
‘Toen ging Jezus met hen in een plaats, genaamd Gethsémané’ (Matt. 26:36). Onze Zaligmaker is niet zonder reden in deze hof gegaan. In de hof van Eden is de eerste zonde begaan en zijn wij schuldenaars jegens God geworden. In deze hof is de zonde betaald, door het kostelijk en dierbaar bloed van Christus. Ook is Hij met opzet deze hof ingegaan, om er door zijn vijanden gevonden te worden.

4. Van het gebed dat Christus daar heeft gebeden
In de hof bidt Christus tot Zijn hemelse Vader met een streven dat even sterk is als Zijn droefheid en toch met zo’n gewillige onderwerping alsof de drinkbeker Hem van alle dingen in de wereld het minst beroerde. Het formulier van Zijn gebed was als volgt: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Matth. 26:9).

Wat was er in deze drinkbeker dat het Christus zo vurig liet bidden dat die Hem voorbij mocht gaan?

1) De zware pijnen die Hij moest verdragen en Hem nu voor de geest kwamen.

2) De grote schande die Hij moest ondergaan.

3) De geringschatting van mensen. Het is alsof Christus zeggen wilde: Alles wat Ik lijd, daar berust Ik in, daar sla Ik geen acht op. Slechts dit kwelt Mij, dat ú er geen acht op slaat. Het is immers voor u dat Ik dit alles verdraag, en beziet u het dan zo alsof het u in het geheel niet aangaat?

4) De schuld van de zonde die Hij moest dragen: ‘De HEERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen’ (Jes. 53:6). Het was alsof Hij aldus tot Zijn Vader had gesproken: ‘O Vader, Ik ben de zondaar, Ik ben de Borg. Laat al de gebreken en al de schulden van Mijn vrienden op Mij gelegd worden: Mijn leven voor hun leven; Mijn ziel voor hun zielen; Mijn heerlijkheid voor hun heerlijkheid; Mijn hemel voor hun hemel.

5) De macht en de boosaardigheid van de satan.

6) De toorn van God Zelf. Christus wist: Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods’ (Hebr. 10:31), maar ‘hiertoe ben Ik in de wereld gekomen’ (Joh. 18:37).

5. Van de smarten en benauwdheden die Christus daar heeft geleden
Toen ‘begon Hij droevig en zeer beangst te worden’ (Matth. 26:37). Ten aanzien van Zijn droefheid is dit uitdrukkelijk gesproken: ‘Schouwt het aan en ziet of er een smart zij gelijk mijn smart’ (Klaagl. 1:12). Wat Zijn zweet betreft, daar spreekt alleen Lukas van: ‘En Zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.’

Dit bloed wijst ons ten eerste op het gewicht en de last van de zonden, waaronder Christus zodanig geperst is tot Hij bloed gezweet heeft. Wij zondigen en ons oog wil nauwelijks een traan storten voor de zonde. Uit Zijn ogen, oren, hoofd, handen, voeten en hart vloeien echter rivieren van tranen des bloeds voor ons, ja, voor onze zonden. O mijn ziel. Mijn zondig hart! Gij zijt de moordenaar! Het heeft Hem doen uitroepen: ‘Mijn ziel is geheel bedroefd, tot den dood toe.’

Ten tweede zien wij hier ook de buitengewone liefde van Christus. Hij ziet dat wij getroffen zijn door het gif van de zonde, en wil nu niet van uitstel weten. Christus is zwanger van liefde en daarom opent Hij uit eigen beweging alle poriën en laat alle bloed uit alle leden stromen, waaruit Hij een kostbare balsem maakt om onze wonden te genezen. Zijn hart is zo vol liefde, dat Hij het niet in kon houden. Elke druppel van Christus’ bloed is zeer kostbaar en van genoegzame waarde om een wereld zalig te maken. O, wondervolle liefde van Christus!

6. Van Juda’s verraad, Christus’ gevangenneming en Zijn gebonden geleid worden tot Annas
‘En als Hij nog sprak, ziedaar een schare; en een van de twaalve, genaamd Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om hem te kussen’ (Luk. 22:47). Christus heeft vele liefdediensten aan Judas betoond, en dat nu juist Judas Christus heeft verraden, heeft veel toegedaan aan Christus’ lijden en Judas’ zonde.

Eén goede les kunnen wij van de goddeloze Judas leren: ‘Grijpt Hem’. Kom christenen, hier hebt u goede raad van Judas! Het is noodzakelijk dat degenen die Christus geestelijk zoeken Hem aangrijpen door het geloof en Hem vasthouden door de liefde.

‘Toen kwamen zij toe en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem’ (Matth. 26:50). Zij zijn tot Hem gekomen met knotsen, zwaarden en stokken, en Hij doet niet meer dan één woord uit Zijn mond gaan en meteen wankelen zij, gaan achterwaarts en vallen ter aarde. O, als wij nog geen zacht antwoord van de goedertieren God kunnen verdragen, hoe durven wij de toorn van de almachtige Rechter uit te lokken?

Christus biedt Zich vervolgens nogmaals aan: ‘Ik ben het.’ ‘De bende dan en de overste over duizend en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden Hem’ (Joh. 18:12). Christus werd gebonden, opdat wij vrijuit zouden gaan. Zijn liefde was sterker als de dood.

‘En leidden Hem heen, eerst tot Annas’ (Joh. 18:13). O, wanneer ik bedenk hoe Jezus is heengeleid tot Annas, hoe Hij is geleid en voortgesleept om Zijn loop naar het graf te verhaasten, dan moet mijn hart ofwel breken, of ik moet verklaren dat het een hart van steen is en niet van vlees.

7. Van Christus’ ondervraging en veroordeling, met hetgeen daaraan verbonden is
In het handelen van de raad, om de grote Rechter van levenden en doden te berechten, kunnen wij opmerken hoe Christus is verhoord door de hogepriester, is geslagen, beschuldigd en veroordeeld. Wij lezen van Petrus’ verloochening en van de schandelijke hoon en smaad die Christus is aangedaan.

Overweeg christenen, of wij niet de hand hebben gehad in deze hoon. Zij die Hem vervolgen, die Zijn roepstemmen niet willen horen, bespotten en verachten Hem. Gedenk en lees Christus’ liefde in dit lijden. O, ongehoorde goedheid en waarachtig Vaderlijke ingewanden van barmhartigheid en mededogen. Wie heeft ooit gehoord dat iemand er genoegen mee nam om degenen die de slagen gaven te redden van de slagen? Christenen, hoe moest u de oneindigheid en geweldige grootheid van deze liefde van Christus bewonderen!

Hoofdstuk 2

1. Van Christus’ beschuldiging en Judas’ vreselijk einde
Christus is tweemaal berecht opdat Zijn onschuld des te duidelijker aan het licht zou komen. De beschuldigers van Christus eren het schaduwachtige Pascha, maar op het ware Pascha vallen zij met bloedige en heiligschennende handen aan.

‘Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende dat Hij veroordeeld was, berouw gehad’ (Matth. 27:3). Judas is omgekomen door de meest beruchte handen van de gehele wereld, namelijk zijn eigen handen: ‘En heengaande verworgde hij zichzelven’ (vs. 5). Welnu, de Heere moge onze ziel bewaren voor het verraden van Christus en voor het vertwijfelen aan Gods barmhartigheid door Christus. Amen, amen.

2. Van Christus’ zending tot Herodes, en wat daar is voorgevallen
Toen Jezus tot Herodes gezonden is, vroeg deze Hem ‘met vele woorden’. Wat zijn vragen ook geweest mogen zijn, ‘Hij antwoordde hem niets’. Christus hoefde hem geen verantwoording af te leggen en Hij was vastbesloten om gehoorzaam te zijn aan Zijn Vaders inzetting en om Zich met lijdzaamheid en stilzwijgen aan het oordeel van Zijn dood te onderwerpen. Hij wist wel dat wij schuldig waren, al was Hij het zelf niet.

Christus is door Herodes en zijn hovelingen veracht, uitgedost en bespot als een verstandeloos mens, vanwege Zijn stilzwijgen. Laten wij hieruit leren dat het geen wonder is dat wij duizenden verwijten moeten verdragen. Wij zijn dwazen om Christus’ wil, zegt de apostel. Zie daarnaast op de neerbuigende goedheid van Christus, Die om onzentwil uit de hemel is afgedaald om ons wijsheid te leren. ‘Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou’ (1 Kor. 1:27).

3. Van Christus’ vergelijking met Barábbas, en de vraag waarover tussen Pilatus en de Joden gedisputeerd is
Hierna is onze Zaligmaker Christus weer teruggebracht naar Pilatus. Pilatus heeft de Joden voorgesteld om of Jezus of Barábbas los te laten. Hier hebben wij een tweekamp tussen een moorddadige muiter en een barmhartige Middelaar, tussen een zoon van Belial en de Zoon van God. Het uitbrengen van de stem valt aldus uit: ‘Niet Dezen, maar Barábbas’ (Joh. 18:40).

‘Wat zal ik dan doen met Jezus?’, zo vraagt Pilatus. ‘Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden’ (Matth. 27:22). ‘Kom aan, welk kwaad heeft Hij gedaan?’, zei Pilatus. Augustinus merkt bij deze woorden op: ‘Vraag het aan degenen met wie Hij het meest heeft omgegaan en laat hen antwoorden. Vraag het aan de bezetenen, die Hij vrijgemaakt heeft, aan degenen die ziek waren of wegkwijnden en die Hij genezen heeft. Waarom moest Hij, Die al deze dingen gedaan heeft, dan sterven?’

‘Zij riepen des te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden’ (Matth. 27:23). O, ongestadige gunst van mensen! Hun lofliederen van ‘Hosanna’ en ‘gezegend is Hij’, pas kortgeleden uitgejubeld, zijn nu veranderd in deze valse afgrijselijke tonen. Vergun mij om onder onszelf rond te zien of er iemand is die aan Barábbas de voorkeur geeft boven Jezus. Zeggen niet velen van u in hun hart, evenals Pilatus: ‘Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?’ Nu helaas, wat is dit anders dan Barábbas verkiezen boven Jezus?

4. Van Christus’ ontkleding, geseling, bekleding met purper en kroning met doornen
Inmiddels is Christus’ lijden in alle hevigheid op Hem aangekomen. De krijgsknechten hebben Hem Zijn kleding afgerukt en Hem naakt voor hen allen laten staan en daarna heeft Pilatus Hem overgegeven om gegeseld te worden. En toch heeft onze Heere Zich niet ontzien om dit lijden om onzentwil te ondergaan. Hij is verwond, verbrijzeld, geslagen en met een gesel gestriemd. De soldaten hebben Zijn tere vlees zo gescheurd, dat pilaar en vloer roodgekleurd zijn met een vloed van bloed. Zij hebben Zijn rug geploegd en ‘zij hebben hun voren lang getogen’ (Ps. 129:3).

Wij kunnen hieruit de les leren van Gods onmetelijke liefde in Christus voor ons, arme heidenen. Daartoe is Hij gegeseld, opdat Hij ons zou ondertrouwen met Zichzelf, om ons nooit meer te verwerpen of weg te doen. Kom dan, laten wij deze liefdesbrief die in bloedig schrift uit de hemel gezonden is, leren lezen. Christus is van de voetzool af tot het hoofd toe gegeseld, omdat wij van de voetzool af tot het hoofd toe vol ‘wonden en striemen en etterbuilen’ waren (Jes. 1:6). Is er ooit liefde geweest gelijk aan deze liefde? O, het was Goddelijke liefde, het was de liefde van een Jezus, die én de liefde van mannen én van vrouwen én van engelen ver te boven gaat.

Zij ‘deden Hem een purperen mantel aan’ (Mark. 15:17) ‘en een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd’ (Matth. 27:29). Onze Zaligmaker heeft de doornen en distels moeten dragen, die de aarde om onze zonden genoodzaakt was voort te brengen. Laten wij ons daarom dicht bij de koninklijke banier van onze Koning houden. Onder deze doornen zullen wij immers beschutting vinden tegen al onze vijanden.

5. Van Christus’ voorgeleiding en vonnis
Daarna is Christus voorgeleid en gevonnist. Pilatus bracht Jezus voort uit het rechthuis en zei: ‘Zie de Mens. Zie hoe Hij daar staat, mismaakt met wonden, zie Hem, bloeddoorweekt, gezwollen en hijgend, in een bloedrode rivier van Zijn eigen geronnen bloed. O, kom, zie deze Mens, Hij is een onbevlekt Lam. Ik kan géén schuld in Hem vinden.’

Maar de Joden zijn in nog erger razernij uitgebarsten tegen Jezus: ‘Als Hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem’ (Joh. 19:6).

Pilatus is niet gaarne bereid geweest om het vonnis uit te spreken, maar de oversten der Joden hebben hem proberen te bewegen met verscheidene redenen en dat heeft Pilatus doen besluiten om Jezus over te geven ‘tot hun wil’ (Luk. 23:24-25). O onrechtvaardig vonnis!

Wij kunnen enige dingen leren uit deze uren. Ten eerste uit de aanblik van Christus, toen Hij aan het volk werd vertoond. Stel dat wij met ons lichamelijke oog zagen op Jezus, zou dit ons dan niet verslagen moeten maken in het hart en laten uitroepen: ‘Wat zullen wij dan doen, mannen broeders?’ (Hand. 2:37). Och, wij zijn maar op de instrumenten en roepen: ‘Foei Pilatus, foei krijgslieden, foei Joden’, maar wij bezien onze zonden niet om daarvan te zeggen: ‘Schande!’ Konden wij maar inleven dat onze zonden de hoofdoorzaak waren van Christus’ lijden, mij dunkt dat ons hart in stukken zou breken.
Ten tweede kunnen wij uit het vonnis van Pilatus de arglistigheid van ons hart leren, in het behartigen van ons eigen ik. Pilatus heeft na het horen roepen van de Joden: ‘Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet’, zeer zeker op zijn eigenbelang gezien.

6. Van Christus’ kruisiging met hetgeen daaraan verbonden is
Christus werd heengeleid ‘en Hij dragende Zijn kruis, ging uit’ (Joh. 19:17). Eer het Hem droeg, heeft Hij het moeten dragen. Zij hadden Hem nauwelijks bloed of kracht genoeg overgelaten om Zich op de been te houden en moest Hij nu Zijn eigen kruis dragen? Ja, totdat Hij was bezweken en neergezegen, zolang moest Hij het dragen. En ware het niet dat zij vreesden dat Hij sterven zou met minder schande en pijn dan zij met Hem voor hadden, zo dwongen zij Simon van Cyréne dat hij Zijn kruis droeg. Waarom heeft iemand anders het kruis moeten dragen, anders dan om de mens deze plicht op te leggen, dat wij gemeenschap moeten oefenen met Christus in Zijn lijden? ‘Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge Mij’ (Matth. 16:24).

Te midden van al Zijn ellenden heeft Christus niet vergeten genadig te zijn. Hij spreekt de vrouwen toe: ‘Gij dochteren van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelven en over uw kinderen’ (Luk. 23:27-28). Wat wil de Heere bedoelen met deze woorden? Christus heeft deze vrouwen gewezen op de ware oorzaak en het onderwerp van al hun droefheid, namelijk hun zonden, en zo hebben wij inderdaad reden om te wenen. Och, dat in dat opzicht ons hoofd water ware en ons oog een springader van tranen! (Jer. 9:1)

Zij hebben Hem aan het kruis gehecht en Hem omhoog geheven. Hoe ruw en pijnlijk hebben zij Christus hierin behandeld. ‘Zij hebben Mijn handen en Mijn voeten doorgraven’ (Ps. 22:17). Ambrosius schrijft hier: ‘Hoe zou ik verder kunnen schrijven, zonder dat mijn tranen zouden uitwissen wat ik geschreven heb?’

De dood van onze Zaligmaker is niet alleen een zeer schandelijke dood, maar ook een pijnlijke dood. Wij mogen hier de pijnen in Zijn ziel wel aan toevoegen, als iets wat dit alles te boven ging terwijl Hij aan het kruis gehangen heeft. Die waren het die Hem de hartstochtelijke uitroep ontlokten: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ (Matth. 27:46).

Christenen, hoe moesten uw hart en ziel ontbranden tegen de zonde! Het was immers uw zonde die Christus heeft vermoord, Hem Die beter is dan alle betrekkingen, Die u duizendmaal duizend keer dierbaarder is dan vader, moeder, man, kind en wie ook. O, wat is dat kruis op Christus’ rug? Mijn zonde! O, wat is die speerstoot in Christus’ zijde? Mijn zonde! O, wat is die kroon op Christus’ hoofd? Mijn zonde! O, wat zijn die nagels en wonden in Christus’ voeten? Mijn zonde! O mijn zonden, mijn zonden, mijn zonden! Maar Christus is gekruisigd en waartoe? ‘Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe’ (Joh. 3:15).

7. Van hetgeen op Christus’ kruisiging gevolgd is
In de uren na de kruisiging ‘werd er duisternis over de gehele aarde’ (Luk. 23:44). Daarna spreekt Jezus de zeven kruiswoorden uit. Zijn woorden waren altijd genaderijk, maar nooit eerder zo als op deze tijd. Christus boog het hoofd en stierf vrijwillig, zonder dwang, blijmoedig. Wat een wonder is dit! Het Leven geeft Zelf Zijn leven op, de dood zelf sterft door Zijn dood. Jezus Christus, Die de Auteur van het leven is, de God des levens, legt Zijn leven voor ons af. Hij heeft de poorten van het paradijs met Zijn laatste woorden laten opengaan, ‘opdat de Koning der ere inga’ (Ps. 24:7).

Hij is met een speer doorstoken en is er uit Zijn zijde zowel bloed als water gevloeid. Dit was een fontein van al onze gelukzaligheid, geopend ‘voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid’ (Zach. 13:1). O poort des hemels! O paleis van toevlucht! O bloeiend bed van Salomo’s bruid!

Tenslotte is Christus lichaam afgenomen en door Jozef van Arimathea en Nicodémus begraven.

Hoofdstuk 3

1. Van het kennen van Jezus, in het uitvoeren van het grote werk van onze zaligheid in Zijn sterven
Laten wij Jezus kennen in het uitvoeren van het grote werk van onze zaligheid tijdens Zijn lijden en sterven. Zonder de zaligmakende kennis van Christus en Dien gekruisigd, Christus in Zijn lijden, bloeden en sterven, zou de wijsheid van schone kunsten, talen en wetenschappen niets zijn geweest. Slechts die kennis is het bezitten waard, die op Christus wijst. Kom dan, en besteed uw tijd in het vervolg vruchtbaarder in het lezen, leren en kennen van dit enige nodige. Breek niet slechts uw hoofd met het leren van de geschiedenis van Christus’ dood, maar ook met de werking, de kracht en verdienste ervan. Weet wat u kent met betrekking tot uzelf, alsof Jezus voortdurend bezig was met het uitvoeren van het grote werk van het zalig maken van uw ziel, alsof u erbij gestaan had en alsof Christus tot u gesproken had: ‘Ween niet over Mij, maar ween over uzelf. Uw zonden hebben Mijn lijden veroorzaakt en Mijn lijden was voor het kwijtschelden van uw zonden.’

2. Van het overdenken van Jezus in dit opzicht
Laat ons het grote werk van onze zaligheid overdenken, zoals Jezus dat heeft uitgevoerd in Zijn lijden en sterven. De profeet zegt: ‘Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben’ (Zach. 12:10). Hiermee stemt de apostel overeen: ‘Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht’ (Hebr. 12:2).

O mijn ziel, overdenk hoe Christus Gods toorn heeft gedragen. Aanmerkt hoe Hij plotseling is overvallen door een vreemde vrees in de hof van Gethsémané. Overdenk hoe Hij gezegd heeft: ‘O Mijn Vader, daar U Uw boog gespannen hebt, zie hier, een ontblote borst, laat alle pijlen van Uw grimmigheid erin gaan. Het is beter dat Ik lijd voor een tijd dan dat alle gelovigen voor eeuwig verdoemd worden. Zie, Ik zal de last van de zonde dragen. Kom, schiet de pijlen van Uw wraak hier op af.’ Als u deze overpeinzing op uw hart wilt voelen drukken, zeg dan dat uw zonden de oorzaak zijn geweest van dit bloedig zweet. Bepeins hoe gewillig Jezus zich overgaf in de handen van Zijn vijanden. Hoe is het mogelijk dat er nog een beetje hoogmoed in ons overblijft als wij zien op het lijden van de Zaligmaker. O mijn hart, hoe kunt u hieraan denken zonder bloedige tranen te storten? Zie hoe Uw Jezus met doornen is gekroond, is gegeseld en ten slotte is gekruisigd. En nu, o mijn ziel, loop uit alle macht in Zijn armen, die wijd uitgestrekt zijn om u te ontvangen. O wonder!

Aanmerk de duisternis die zich over de aarde verspreidde, hoor de stem die de Zoon van God laat klinken: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Hierna is Hij gestorven, opdat wij zouden leven. O, mijn ziel, bezie Hem nu, als u Hem door uw tranen heen kunt zien.

3. Van het verlangen naar Jezus in dit opzicht
Laten wij verlangen naar Jezus in de uitvoering van het werk van onze zaligheid door Zijn dood. Voor een gevallen zondaar is Jezus Christus het voornaamste Voorwerp van zijn verlangen, maar Jezus Christus als de Gekruisigde is het voornaamste deel van dat Voorwerp. Er is niets wat een dorre, droge en dorstige ziel zo verkoelt en verkwikt als het bloed van Jezus. Wat is er dan in Christus’ bloed of dood zo begeerlijk?

1) Daarin is de Persoon van Christus.
‘Het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid’ (Hebr. 1:3).

2) Daarin is een waarde of prijs.
‘Alzo ook Christus, éénmaal geofferd zijnde’ (Hebr. 9:28).

3) Daarin is een verdienste en voldoening.
‘Door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde; in Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed’ (Ef. 1:6-7).

4) Daarin is niet alleen een waarachtige, maar ook een overvloedige en volkomen voldoening te vinden.
‘Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest’ (1 Tim. 1:14).

5) Daarin is vergeving van zonden.
‘Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden’ (Matth. 26:28).

6) Daarin is verzoening en vrede met God.
‘Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. Want Hij is onze Vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken heeft’ (Ef. 2:13-14).

7) Daarin is vrijwaarding van en beveiliging tegen alle oordelen en dreigende gevaren vanwege de zonden.
‘En zij hebben hem (=satan) overwonnen door het bloed des Lams’ (Openb. 12:11).

8) Daarin is een gezegende kracht om de hemel te openen en er een toegang toe te maken voor onze zielen.
‘Wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus’ (Hebr. 10:19).

4. Van het hopen op Jezus in dit opzicht
Laten wij op Jezus hopen in de uitvoering van het grote werk van onze zaligheid in Zijn lijden en sterven. De voornaamste vraag is of wij deelhebben aan het lijden van Christus. Welnu, opdat wij dit mogen onderzoeken, zal ik de volgende kentekenen voorstellen:

1) Als Christus’ dood de mijne is, dan is Christus’ leven ook het mijne. En omgekeerd: Als Christus’ leven mijne is, dan is Zijn dood ook de mijne.

2) Als Christus’ dood de mijne is, dan mag ik met volle verzekerdheid zeggen dat mijn zonden vergeven en mijn ongerechtigheden tenietgedaan zijn.

3) Als Christus’ dood de mijne is, dan ben ik aan Christus gelijkvormig gemaakt in Zijn dood, door te sterven aan de zonden.

Wij moeten onszelf twee noodzakelijke vragen stellen om de grond van onze hoop met betrekking tot ons deel hebben aan Christus’ dood vast te stellen: Of wij inderdaad en in waarheid aan de zonden gestorven zijn én of wij in de doding daarvan toenemen en opwassen.

5. Van het geloven in Jezus in dit opzicht
Laten wij geloven in Jezus, zoals Hij het grote werk van onze zaligheid voor ons heeft uitgevoerd in Zijn lijden en sterven. Iedereen houdt dit voor een gemakkelijke plicht. Alleen de nederige ziel, het tere geweten, roept uit: ‘Is dat mogelijk dat Christus voor mij gestorven is, geleden heeft en Zijn bloed voor mij gestort heeft? Ik kan het niet geloven, dit is een afgrond die niet te peilen is.’ Ach, bevende ziel, verwerp uzelf niet in de weg van het ongeloof! Mogelijk zou u niet willen sterven voor een vijand, voor een onverzoenlijke vijand, maar zijn Gods barmhartigheden niet boven alle barmhartigheden van de mensen? O, geloof toch! Om u daartoe krachtig aan te zetten, zal ik u eerst enige besturingen voorstellen en daarna enige aanmoediging tot geloven.

Besturingen voor het geloof

1) Het geloof moet rechtstreeks tot Christus gaan, niet via de belofte.
2) Het geloof moet onmiddellijk tot Christus gaan als ‘God geopenbaard in het vlees’.

Het geloof moet werkzaam zijn om de kracht van Christus’ dood in onze ziel te gevoelen in het afsterven, kruisigen en doden van onze zonden, door te bidden, te mediteren, standvastig te geloven en krachtig toe te stemmen dat dit lijden van Christus waarachtig is, door te zien op het smadelijk lijden van Christus en door te beschouwen wat het was dat dit alles heeft veroorzaakt, namelijk mijn zonden.

Aanmoedigingen voor het geloof in de volheid van Christus en Dien gekruisigd
De dood van Christus bezit een allesovertreffende algenoegzaamheid. Zijn offer is van zulk een waarde dat het genoegzaam is tot verlossing van de gehele wereld.
Beschouw de gepastheid van dit Voorwerp. Christus heeft Zijn lijden verdragen, opdat zondaars ‘barmhartigheid mogen verkrijgen’, mits zij maar zullen komen tot en geloven in Jezus.

Lieve ziel, wend uw oog eens hierheen! Deze dood van Christus heeft God meer genoegdoening gegeven dan dat uw zonden Hem maar kunnen misnoegen. Hij is een zondaar gerekend om uwentwil, opdat u in Hem iets zou vinden wat gepast is voor uw staat, om zo te meer aangemoedigd te worden om te geloven dat in Hem en door Hem al uw zonden tenietgedaan zullen worden. Weg, weg met ongeloof, wantrouwen en wanhoop! Nu ziet u de koperen slang verhoogd. U ziet wat een gezegend Voorwerp zich voor u bevindt. O, geloof en zie omhoog op Jezus. O, geloof in Hem zoals Hij aldus het werk van uw zaligheid in Zijn dood heeft uitgewerkt.

6. Van het liefhebben van Jezus in dit opzicht
Laten wij Jezus liefhebben zoals Hij het grote werk van onze zaligheid voor ons heeft voortgezet tijdens Zijn lijden en dood. Wel, hier hebt u waarlijk een bewijs van liefde. Wat kunnen wij anders doen dan Hem liefhebben, Die ons zo lief heeft gehad? We zullen dit overdenken door eerst Christus’ liefde jegens ons te tonen en vervolgens onze liefde voor Hem in beoefening te brengen.

Christus’ liefde jegens ons
Och, waar heeft Christus’ liefde tot de mensen Hem toe gebracht? Het zou al een blijk van goedertierenheid zijn geweest als Hij slechts Zijn engelen had gezonden uit Zijn audiëntiezaal om ons van dienst te zijn. Hij kwam niet alleen Zelf, maar gaf Zijn bloed, legde Zijn leven af en deed afstand van de zoetheid van Gods liefde, die duizendmaal beter is dan het leven: ‘Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven’ (Ps. 63:4). Hij nam er genoegen mee beschimpt, bespot, veroordeeld en vervloekt te worden, opdat wij vrijgesproken zouden worden. Kom, zie op uw Jezus, Die uit zonderlinge tederheid niet heeft willen gedogen dat u zou branden in de hel. Nee, het was het verdrag tussen Jezus en de Vader dat u daar nooit zou komen. O liefde dieper dan de hel! O liefde hoger dan de hemel!

Onze liefde jegens Christus
Als het bovenstaande Christus’ liefde is jegens ons, wat is dan de liefde die wij Christus verschuldigd zijn? Is de dood van Christus niet een liefdesbrief zoals er nooit zijns gelijke is geweest? Lees die woorden: ‘Door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft’ (Ef. 2:4). Ach mijn ziel, wat kunt u anders doen dan Hem in alles en uit alle macht liefhebben?

7. Van het zich verblijden in Jezus in dit opzicht
Laten wij ons in Jezus verblijden, zoals Hij het grote werk van onze zaligheid in Zijn lijden en dood heeft uitgevoerd. Heeft Christus voor ons de beker van Gods toorn geheel leeggedronken en niets voor ons overgelaten? Wat anders kunnen wij doen dan ons verheugen?
Iemand roept misschien uit: ‘O, ik heb tegen de wet gehandeld en ik ben onder de vloek?’ Ik antwoord u: ‘Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons’ (Gal. 3:13). Overpeins veel de dood van Christus en u zult in Zijn dood genoeg vinden om uw slaafse vrees voor de dood weg te nemen. Uw zonden roepen: ‘Heere, oefen het gericht over deze mijn ziel’, maar het bloed van Christus spreekt met een andere stem: ‘Ik ben verootmoedigd en vernederd en heb alles voldaan.’ Mij dunkt dat dit uw hart moest laten opspringen van vreugde. O, de honing, de zoetigheid die wij uit Christus’ bloed kunnen zuigen! En het is Christus’ stem die tot Zijn gasten zegt: ‘Eet, vrienden, drinkt, en wordt dronken, o liefsten’ (Hoogl. 5:1).

8. Van het aanroepen van Jezus in dit opzicht
Laten wij Jezus, of God de Vader in en door Jezus, aanroepen. Wij moeten ten eerste bidden dat al deze handelingen van Christus in Zijn lijden en dood de onze mogen zijn. We moeten ten tweede de Heere prijzen voor al dit lijden van Christus. Och, ‘wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?’ (Ps. 116:12). Wees niet bekrompen, o mijn ziel, bazuin de lof van uw Christus uit, vertel de gehele wereld van die hartverwarmende liefde van Christus, die met het bloed uit al Zijn wonden in uw geest vloeide.

9. Van de gelijkvormigheid met Jezus in dit opzicht
Laten wij aan Jezus gelijkvormig worden in Zijn lijden en dood. ‘Ziende op Jezus’ is daartoe een krachtdadig middel. Daarom zullen we in het bijzonder de volgende vragen bespreken:

1) Waarin moeten wij Hem gelijkvormig worden?
Wij moeten Christus allereerst gelijkvormig worden in Zijn genadegaven. Let op de voetstappen die Hij gezet heeft en volg Hem in nederigheid, lijdzaamheid, liefde, goedertierenheid en zachtmoedigheid, in het verachten van de wereld en in gehoorzaamheid tot de dood.

Daarnaast moeten wij Hem gelijkvormig worden in Zijn lijden: ‘Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens’ (Filipp. 3:10).

Tot slot moeten wij Christus ook gelijkvormig worden in Zijn dood, door in onszelf een gelijkenis en afbeelding van Zijn dood om te dragen. Wij moeten sterven aan de zonde. ‘Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; (…) Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt’ (Rom. 6:10-11).

2) Wat is de oorzaak van deze gelijkvormigheid?
Christus’ dood is de oorzaak van het aan Hem gelijkvormig zijn en wel op vierderlei wijze. Zijn dood verdient de gelijkvormigheid, is een voorbeeld voor die gelijkvormigheid, werkt de gelijkvormigheid krachtdadig en is tenslotte ook de bewegende oorzaak.

3) Wat zijn de middelen die dienen tot deze gelijkvormigheid?
Ga tot het kruis van Jezus Christus. Zie op Hem die daaraan hangt en beschouw de dood van Jezus, overweeg Zijn pijnlijk lijden. Beween uw gebrek, buitensporigheid, ongeregeldheid en ongelijkvormigheid aan de genadegaven, het lijden dan wel de dood van Christus. Verlevendig uw ziel en wek het op tot deze gelijkvormigheid. Bid of God u gelijkvormig wil maken aan Jezus Christus. Keer geregeld terug tot uw zien op Jezus en ga steeds weer door het geloof tot Hem.

Laten we, als we dit alles verricht hebben, niet denken dat de zonde in ons geheel en al zal sterven of ophouden, want dat is een hogere volmaaktheid dan dit leven kan dragen. Wij zullen onder Gods zegen, door het gebruik van de middelen, de zonden niet dienen, maar sterven aan haar heerschappij door de kracht van de dood van Jezus Christus. En moge Hij, Die voor ons gestorven is, ons dit vergunnen. Amen, amen.

Vaak gelezen posts:

Tips voor het voorbereiden van een dagopening en gebed

Waar komt ‘belijdenis doen’ vandaan?, belijdeniscatechisatie Hervormd Amstelveen