Workshop: Ethiek en pelgrimage vanuit 1 Petrus
Kunnen ethiek en pelgrimage eigenlijk wel samengaan? Op het eerste gezicht lijken zij elkaar tegen te spreken. Wanneer christenen werkelijk vreemdelingen zijn op aarde, op weg naar een beter en hemels vaderland, dreigt het leven in deze wereld dan niet naar de achtergrond te verdwijnen? En als christelijke ethiek juist gaat over ons handelen in het hier en nu, raakt dan het besef van vreemdelingschap niet uit zicht?
Deze spanning is niet nieuw. Door de hele kerkgeschiedenis heen hebben christenen geworsteld met de vraag hoe zij tegelijk op de hemel gericht kunnen zijn en tegelijkertijd midden in de wereld hun roeping kunnen vervullen. Toch presenteert de Schrift ons geen keuze tussen een ethiek voor het ‘hier en nu’ en een pelgrimage gericht op het ‘daar en later’. In de eerste brief van Petrus blijken pelgrimage en ethiek juist onlosmakelijk met elkaar verbonden te zijn.
Petrus spreekt zijn lezers aan als ‘inwoners en vreemdelingen’ (1 Petr. 2:11), terwijl hij hen tegelijkertijd oproept tot een heilige levenswandel te midden van een samenleving die God niet kent. Daarmee raken we direct aan de centrale gedachte van deze workshop: juist omdat christenen vreemdelingen zijn, worden zij geroepen tot een heilige levenswandel. Anders gezegd, ethiek is de zichtbare gestalte van het pelgrim-zijn.[1]
De vraag die vanavond centraal staat luidt daarom: hoe verhouden ethiek en pelgrimage zich tot elkaar in 1 Petrus?
Historische context van 1 Petrus
Om de boodschap van 1 Petrus goed te begrijpen, moeten we eerst oog krijgen voor de wereld waarin zijn lezers leefden. De brief is geschreven aan christenen in Pontus, Galatië, Cappadocië, Asia en Bithynië, zeg maar regio’s uit het huidige Turkije (1 Petr. 1:1). Deze regio's stonden sterk onder invloed van de Grieks-Romeinse cultuur.
Aanvankelijk werden christenen nog gezien als een stroming binnen het Jodendom. Daardoor genoten zij enige bescherming van de Romeinse overheid. Naarmate echter duidelijker werd dat zij Jezus als de beloofde Messias beleden en zich daardoor onderscheidden van het merendeel van de joden, verdween die bescherming steeds meer.
Bovendien weigerden christenen deel te nemen aan de keizercultus en andere vormen van afgodendienst. Daarmee plaatsten zij zich buiten een belangrijk deel van het publieke leven. Hun geloof werd daardoor steeds meer als afwijkend en zelfs als bedreigend ervaren.
Een droevig keerpunt vormde de regering van keizer Nero. Na de grote brand van Rome in het jaar 64 na Christus werden christenen als schuldigen aangewezen, waardoor hun kwetsbare positie in het Romeinse Rijk pijnlijk zichtbaar werd. Tegen deze achtergrond schreef Petrus, waarschijnlijk vanuit Rome — door hem aangeduid als ‘Babylon’ — zijn brief aan de gemeenten in Klein-Azië.
Zijn lezers vormden geen invloedrijke meerderheid, maar een kwetsbare minderheid. Zij werden geconfronteerd met laster, sociale uitsluiting en maatschappelijke druk. Juist in die situatie spreekt Petrus hen aan als mensen die leven tussen twee werelden: inwoners van een aardse samenleving en tegelijk burgers van Gods Koninkrijk.
Daarom blijft 1 Petrus ook actueel. De brief laat namelijk zien hoe christelijke identiteit, levenswandel, lijden, getuigenis en hoop onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Ethiek in 1 Petrus: twee imperatieven
Na deze historische verkenning komen we bij de kern van Petrus’ boodschap. Hoe moeten christenen leven wanneer zij als minderheid in een samenleving verkeren die hun geloof niet deelt?
Opvallend is dat Petrus niet begint met de vraag hoe christenen zich moeten gedragen, maar bij hun identiteit. God heeft Zijn volk wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petr. 1:3). Vanuit die nieuwe identiteit vloeit een nieuwe levenswandel voort.
David Helm wijst erop dat Petrus deze levenshouding samenvat in twee veelzeggende imperatieven:
- Onthoudt u van de vleselijke begeerlijkheden.
- Houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen.
Het leven van de gelovige kent dus twee onlosmakelijk verbonden bewegingen: het afleggen van het kwaad en het beoefenen van het goede. In deze twee opdrachten ligt de kern van de christelijke ethiek besloten.
Imperatief 1: “Onthoudt u van de vleselijke begeerlijkheden” (1 Petr. 2:11)
Opvallend is dat Petrus deze vermaning richt aan mensen die hij eerst aanduidt als „inwoners en vreemdelingen”. Hun levenswandel vloeit rechtstreeks voort uit hun identiteit.
Daarom schrijft hij: “Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel” (1 Petr. 2:11).
De strijd van de christen is niet in de eerste plaats gericht tegen maatschappelijke tegenstand, maar tegen datgene wat van binnenuit het geestelijke leven bedreigt. Petrus sluit daarmee aan bij zijn eerdere oproep om niet langer gelijkvormig te worden aan de begeerlijkheden van de vroegere onwetendheid (1 Petr. 1:14).
In 1 Petrus 2:1 noemt hij enkele concrete zonden die moeten worden afgelegd:
- alle slechtheid;
- alle bedrog;
- geveinsdheden;
- afgunstigheden;
- alle achterklappingen.
Dit zijn geen losse overtredingen, maar kenmerken van het oude leven. Zij passen niet bij mensen die door Gods genade een nieuwe identiteit hebben ontvangen.
Ook vandaag voeren de vleselijke begeerlijkheden oorlog tegen de ziel. Daarom vraagt de christelijke pelgrimage om geestelijke waakzaamheid. Wie onderweg is naar het hemelse vaderland kan niet onverschillig omgaan met datgene wat zijn gemeenschap met de Heere aantast.
Imperatief 2: “Houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen” (1 Petr. 2:12)
Petrus blijft echter niet steken bij wat christenen moeten nalaten. Het christelijke leven bestaat niet alleen uit zelfbeheersing en de strijd tegen de zonde. De apostel tekent ook de meer zichtbare vorm van heiligheid.
Hij schrijft: “En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking” (1 Petr. 2:12).
Hier wordt duidelijk dat christelijke ethiek nooit een puur persoonlijke aangelegenheid is. Petrus denkt voortdurend aan het publieke leven van de gemeente. De vraag is niet alleen hoe christenen tot eer van God leven, maar ook hoe zij zichtbaar en dienstbaar zijn in de samenleving.
Een eerlijke wandel maakt zichtbaar wat Gods genade vermag in het leven van zondaren. Door goede werken worden beschuldigingen weerlegd, wordt onwetendheid tot zwijgen gebracht en wordt God verheerlijkt.
Deze nadruk klinkt door heel de brief heen. Petrus roept zijn lezers op om heilig te leven, goed te doen en zelfs in tijden van lijden te volharden in weldoen.
Het leven van de gelovige beweegt zich daarom voortdurend langs deze twee bewegingen: het afleggen van het kwaad en het doen van het goede. Ware heiliging bestaat immers niet alleen uit het afsterven van de oude mens, maar ook uit het zichtbaar worden van de nieuwe mens.
Juist hierin wordt de verbinding tussen ethiek en pelgrimage zichtbaar. Christenen leven anders omdat zij ergens anders thuishoren. Hun levenswandel is geen alternatief voor hun vreemdelingschap, maar de zichtbare gestalte ervan.
Het fundament: navolging van Christus en het Oude Testament
Voordat Petrus zijn lezers oproept tot een heilige levenswandel, legt hij eerst het fundament onder die ethiek. Christen-zijn is immers meer dan het naleven van morele voorschriften. De levenswandel waartoe Petrus oproept, vloeit voort uit Gods openbaring en krijgt gestalte in de navolging van Christus.
Wanneer Petrus schrijft: „Weest heilig, want Ik ben heilig” (1 Petr. 1:16), grijpt hij rechtstreeks terug op het Oude Testament (Lev. 11:44-45, 19:2, 20:7).
Zoals Israël geroepen was om als een afgezonderd volk te leven te midden van de heidense volken, zo worden ook christenen geroepen om zichtbaar anders te leven in een samenleving die God niet kent. Petrus laat daarmee zien dat de geschiedenis van Israël en die van de kerk niet los van elkaar staan. De gemeente van Christus staat in de lange lijn van Gods volk door de eeuwen heen.
Tegelijkertijd blijft Petrus dicht bij het onderwijs van de Heere Jezus. Zijn oproep om een eerlijke wandel te onderhouden onder de heidenen (1 Petr. 2:12) doet denken aan de woorden uit de Bergrede: „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken” (Matth. 5:16).
Hier wordt zichtbaar dat christelijke ethiek niet draait om zelfverheffing, maar om Gods eer. Goede werken zijn bedoeld om iets zichtbaar te maken van Gods genade.
Het diepste fundament ligt echter in Christus Zelf. Petrus presenteert Hem niet alleen als Verlosser, maar ook als Voorbeeld:
„Want hiertoe zijt gij geroepen, omdat ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen” (1 Petr. 2:21).
In Christus komen, met eerbied gesproken, de grote thema's van de brief samen: heiligheid, lijden, gehoorzaamheid en vreemdelingschap. Hij werd verworpen door de mensen, maar was uitverkoren en dierbaar bij God. Wie Hem volgt, kan daarom niet verwachten een andere weg te gaan dan zijn Meester.
Alles wat werkelijk goed is in het leven van een christen vloeit voort uit de gemeenschap met Christus. Eerst is er de vereniging met Hem; daarna volgt de navolging van Hem. Alleen wie door het geloof met Christus verbonden is, ontvangt ook de kracht om in Zijn voetstappen te wandelen.
Daarom kunnen we zeggen dat het fundament van zowel de ethiek als de pelgrimage uiteindelijk niet in de mens ligt, maar in Christus. Zonder Hem wordt ethiek wetticisme; zonder Hem wordt pelgrimage wereldmijding. Maar in gemeenschap met Hem krijgen beide hun ware plaats.
Pelgrimage in 1 Petrus: een sociale én geestelijke werkelijkheid
Vanuit dit fundament kunnen we beter begrijpen waarom het thema van het vreemdelingschap zo'n belangrijke plaats inneemt in de brief. Geen enkel nieuwtestamentisch geschrift spreekt zo consequent over christenen als vreemdelingen en inwoners als juist 1 Petrus.
Soms wordt deze taal uitsluitend geestelijk uitgelegd, alsof Petrus alleen wil zeggen dat christenen onderweg zijn naar de hemel. Dat element is zeker aanwezig, maar daarmee is niet alles gezegd. Onder meer het onderzoek van John H. Elliott heeft laten zien dat Petrus tegelijkertijd inspeelt op de concrete maatschappelijke positie van zijn lezers.
Hun vreemdelingschap was niet alleen een geestelijke werkelijkheid, maar werd ook dagelijks ervaren in hun sociale omgeving. Juist daarom zijn Petrus' woorden zo krachtig.
In de oudheid werd iemand die zich buiten zijn geboortestreek vestigde gemakkelijk als vreemdeling beschouwd. Zulke mensen stonden vaak aan de rand van de samenleving. Hun afkomst, gewoonten en leefwijze maakten hen verdacht in de ogen van anderen.
Tegen deze achtergrond gebruikt Petrus twee veelzeggende begrippen: Paroikoi en parepidemoi.
Allereerst gebruikt Petrus het woord paroikoi (1 Petr. 2:11), doorgaans vertaald met inwoners of bijwoners. Het ging hierbij om mensen die zich ergens gevestigd hadden, maar nooit volledig onderdeel werden van de samenleving waarin zij leefden. Zij verbleven binnen de grenzen van een gemeenschap zonder er volledig bij te horen.
De Schrift kent verschillende voorbeelden van zulke mensen. Abraham leefde als vreemdeling in Kanaän. Mozes verbleef als vreemdeling in Midian. Israël woonde eeuwenlang als vreemdeling in Egypte. Zij waren aanwezig, maar niet volledig thuis.[2]
Daarnaast gebruikt Petrus het woord parepidemoi (1 Petr. 1:1; 2:11), doorgaans vertaald met vreemdelingen, pelgrims (KJV). Letterlijk duidt dit op iemand die tijdelijk verblijft als vreemdeling in een land. Hier ligt nog sterker de nadruk op het tijdelijke karakter van het verblijf. Het werkelijke thuis ligt elders.
Juist deze combinatie van begrippen is veelzeggend. Petrus beschrijft zijn lezers als mensen die tijdelijk midden in de samenleving leven en daar tegelijkertijd niet volledig in opgaan.
Zijn lezers woonden immers gewoon in de steden van Klein-Azië. Zij werkten, dreven handel, stichtten gezinnen en maakten deel uit van hun lokale gemeenschap. Toch waren zij fundamenteel veranderd. Door hun verbondenheid aan Christus konden zij niet langer volledig opgaan in de cultuur om hen heen.
Hun diepste loyaliteit lag niet langer bij de waarden van het Romeinse Rijk, maar bij het Koninkrijk van God.
Daar ontstaat de spanning die als een rode draad door heel de brief loopt: Hoe leef je trouw aan Christus wanneer je woont in een wereld die Zijn heerschappij niet erkent?
Voordat Petrus deze vraag beantwoordt, herinnert hij zijn lezers eerst aan hun identiteit. Zij zijn tegelijk inwoners van deze wereld en vreemdelingen daarin. Hun pelgrimschap vormt geen alternatief voor hun ethiek, maar juist het fundament ervan.
Eer en status: identiteit in de mediterrane wereld
Om de kracht van Petrus' woorden goed te begrijpen, moeten we beseffen dat identiteit in de mediterrane wereld sterk verbonden was met eer, afkomst en sociale status.
De vraag was niet allereerst: Wat bezit je? maar: Bij wie hoor je?
Eer betekende erkenning, aanzien en een plaats binnen de gemeenschap. Wie zijn eer verloor, verloor vaak ook zijn sociale positie.
Juist op dit punt had de bekering tot Christus ingrijpende gevolgen. Door hun exclusieve toewijding aan Hem kwamen gelovigen steeds meer op gespannen voet te staan met de waarden van de samenleving waarin zij leefden.
Miroslav Volf heeft erop gewezen dat christenen niet simpelweg buitenstaanders waren die erkenning zochten. Vaak waren het mensen die volledig deel uitmaakten van hun cultuur, maar door hun wedergeboorte vervreemd raakten van wat voorheen vanzelfsprekend was. Hun diepste loyaliteit verschoof van de samenleving naar Christus.
Daardoor voltrok zich een opmerkelijke omkering. Mensen die voorheen gerespecteerde burgers waren, kwamen soms in een marginale positie terecht. Hun maatschappelijke eer maakte plaats voor publieke smaad. Hun ware burgerschap lag immers niet langer in Rome, maar in het Koninkrijk van God.
Hun toekomst lag niet in een vergankelijke aardse orde, maar in de „onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis” die God voor hen bewaart (1 Petr. 1:4).
Dat riep indringende vragen op:
Wie zijn wij nu nog als gemeenschap?
Waaraan ontlenen wij onze identiteit?
Hoe blijven wij staande wanneer de druk om ons aan te passen steeds groter wordt?
Het zijn vragen die niet alleen de eerste christenen bezighielden, maar ook verrassend actueel klinken in een postchristelijke samenleving.
De drievoudige oorzaak van het vreemdelingschap
Waarom riep het christendom zoveel weerstand op? Op het eerste gezicht lijkt dat opmerkelijk. De Grieks-Romeinse wereld kende immers talloze goden, religies en filosofische stromingen. Toch werden christenen op een bijzondere manier gewantrouwd en tegengewerkt.
Wie 1 Petrus leest, ontdekt dat deze spanning een geestelijke, politieke en sociale dimensie had.
1. De geestelijke strijd
Petrus kijkt dieper dan maatschappelijke ontwikkelingen alleen. Achter de zichtbare tegenstand ziet hij de werkelijkheid van een geestelijke strijd. Daarom waarschuwt hij:
„Zijt nuchter en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden” (1 Petr. 5:8).
Christenen hebben niet alleen te maken met menselijke weerstand, maar ook met de aanvallen van de grote tegenstander van Gods Koninkrijk. Waar mensen door Gods genade worden losgemaakt uit de macht van de duisternis, daar verzet de satan zich.
Het vreemdelingschap van de gemeente maakt daarom deel uit van een grotere geestelijke werkelijkheid. De strijd die Petrus beschrijft, is uiteindelijk niet slechts een conflict tussen twee levensbeschouwingen, maar tussen twee koninkrijken.
2. De politieke botsing
Daarnaast speelde de politieke context een belangrijke rol. In Klein-Azië waren religie en samenleving nauw met elkaar verweven. Loyaliteit aan de staat werd zichtbaar gemaakt door deelname aan openbare offers, feesten en ceremonies.
Voor de meeste inwoners vormde dat geen probleem. Men kon immers meerdere goden naast elkaar vereren. Voor christenen lag dat anders. Zij beleden dat er slechts één ware God is en dat alleen Jezus Christus Heere is.
Juist daarom konden zij niet deelnemen aan de keizercultus. Deze weigering werd niet gezien als een onschuldige godsdienstige keuze, maar als een bedreiging van de maatschappelijke orde. Christenen stonden bekend als mensen die niet meededen aan wat voor anderen vanzelfsprekend was.
3. De sociale breuk
De gevolgen werden vaak het sterkst gevoeld op sociaal terrein. De bekering tot Christus veranderde niet alleen de verhouding tot de overheid, maar ook die tot familie, vrienden en buren.
Petrus verwijst herhaaldelijk naar beschimping, laster en onterechte beschuldigingen (1 Petr. 2:12; 3:9; 4:14-16). Christenen werden gezien als mensen die zich afzonderden van de bestaande cultuur en daardoor een bedreiging vormden voor de gemeenschap.
Soms ging deze spanning zelfs door gezinnen heen. Familieleden begrepen de keuze voor Christus niet en voelden zich verraden wanneer iemand brak met de tradities van zijn voorouders. Het netwerk dat vroeger veiligheid bood, kon daardoor een bron van pijn en vervreemding worden.
Deze drie dimensies helpen ons begrijpen waarom Petrus zo sterk de nadruk legt op standvastigheid. Zijn lezers leefden voortdurend onder druk om zich aan te passen aan hun omgeving.
Standvastigheid in een wereld van druk en verleiding
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk waarom Petrus zijn lezers steeds opnieuw oproept om standvastig te blijven.
De verleiding om zich aan te passen was groot. Wie meeging met de cultuur, ontliep vaak veel weerstand. Maar wie Christus trouw wilde blijven, moest bereid zijn om anders te zijn.
Standvastigheid begint volgens Petrus met een helder besef van de waarheid. Wie niet weet wat hij gelooft, zal moeite hebben om weerstand te bieden aan de druk van buitenaf. Daarom wijst Petrus zijn lezers voortdurend terug naar Gods beloften, naar de opstanding van Christus en naar hun hemelse erfenis.
Tegelijk is standvastigheid meer dan een verstandelijke overtuiging. Petrus verbindt waarheid steeds met levenswandel. De waarheid moet niet alleen gekend, maar ook geleefd worden.
Daarom hebben christenen het onderwijs van Gods Woord, het leven van de gemeente en de onderlinge gemeenschap zo hard nodig. Wie als vreemdeling in deze wereld wil leven, kan dat niet op eigen kracht.
Werkelijke standvastigheid groeit uit afhankelijkheid van Gods genade en uit een diep besef van onze eigen zwakheid.
Hier zien we opnieuw hoe pelgrimage en ethiek elkaar raken. Juist omdat christenen vreemdelingen zijn, worden zij geroepen om standvastig en heilig te leven. En juist door zo te leven laten zij zien dat hun ware thuis elders ligt.
De missionaire kracht van een heilige levenswandel
Volgens Petrus heeft heiliging niet alleen een geestelijke, maar ook een missionaire betekenis.
Hij schrijft: „En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking” (1 Petr. 2:12).
De heilige levenswandel is niet alleen de vrucht van het geloof, maar ook een zichtbaar getuigenis van Gods Koninkrijk. Goede werken kunnen een mens niet bekeren, maar zij kunnen wel zichtbaar maken wat Gods genade vermag in het leven van zondaren.
Opmerkelijk genoeg bleek juist het vreemdelingschap van de eerste christenen missionaire kracht te bezitten. Hun afwijkende levensstijl riep vragen op. Waarom leefden zij anders? Waarom weigerden zij mee te doen aan afgoderij en losbandigheid? Waarom bleven zij zelfs onder druk trouw aan Christus?
Petrus geeft zelf het antwoord wanneer hij schrijft: „Zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeist van de hoop die in u is” (1 Petr. 3:15).
Hun levenswandel moest hun woorden geloofwaardig maken. Daarbij speelde ook de onderlinge liefde een belangrijke rol. In een samenleving die vaak werd gekenmerkt door sociale verschillen en onzekerheid, vormde de christelijke gemeente een zichtbaar getuigenis van Gods genade.
Het huisgezin van God: thuis tijdens de pelgrimsreis
Juist hier openbaart Petrus een van de mooiste thema's van zijn brief. Hij leert zijn lezers niet alleen dat zij vreemdelingen zijn, maar ook waar zij werkelijk thuis zijn.
In de oude mediterrane wereld draaide het leven in belangrijke mate om politieke verbondenheid en familiebanden. Wie van beide was afgesneden, verloor een belangrijk deel van zijn identiteit en bescherming.
Voor veel christenen was dat precies wat gebeurde. Zij werden maatschappelijk gemarginaliseerd en raakten soms zelfs vervreemd van familieleden die hun geloof niet deelden.
Maar Petrus laat zien dat zij daarvoor iets veel groters hadden ontvangen.
Door Gods genade zijn zij opgenomen in het huisgezin van God.
Door de hele brief heen klinkt dit familiebeeld door. Gelovigen zijn wedergeboren kinderen van God (1 Petr. 1:3, 14, 23; 2:2). Zij mogen God aanroepen als hun Vader (1 Petr. 1:17). Zij vormen samen een geestelijk huis (1 Petr. 2:5), een broederschap (1 Petr. 2:17; 5:9) en een kudde die door God wordt verzorgd (1 Petr. 5:2).
Hier ligt een prachtig contrast. Enerzijds ervaren zij dagelijks wat het betekent om vreemdeling te zijn in de wereld. Anderzijds mogen zij weten dat zij thuisgekomen zijn in Gods huisgezin.
Wat de samenleving hun niet kon bieden, schenkt God hun overvloedig: identiteit, gemeenschap en toekomst.
Daarom is de kerk in 1 Petrus geen bijkomstigheid. Zij is de plaats waar vreemdelingen leren leven als burgers van Gods Koninkrijk. Juist in de gemeenschap van de heiligen ontvangen pelgrims de ondersteuning die zij nodig hebben om hun reis voort te zetten.
Leven tussen het „reeds” en het „nog niet”
Vanuit deze nieuwe identiteit werkt Petrus vervolgens de consequenties uit voor alle terreinen van het leven. Hij spreekt over de verhouding tot de overheid, over huwelijk en gezin, over het gemeentelijke leven en over de omgang met lijden.
Steeds klinkt dezelfde boodschap door: het huidige lijden is tijdelijk en staat onder Gods bestuur. Zoals goud door vuur wordt gelouterd, zo gebruikt God ook beproevingen om Zijn kinderen te vormen (1 Petr. 1:6-7).
Daarbij richt Petrus de blik voortdurend op de toekomst. De wederkomst van Christus vormt de horizon van de hele brief. Eens zal Hij terugkomen, recht doen aan Zijn volk en alle onrecht herstellen.
Daarom weegt het huidige lijden uiteindelijk niet op tegen de heerlijkheid die geopenbaard zal worden.
Vervolgens richt Petrus de aandacht op de God van alle genade: „De God nu van alle genade... Die zal u volmaken, bevestigen, versterken en funderen” (1 Petr. 5:10).
Deze woorden vormen de brug naar de afronding van deze workshop. Want juist vanuit deze hoop kunnen we de vraag beantwoorden waarmee we begonnen: hoe verhouden ethiek en pelgrimage zich tot elkaar? In het laatste deel zullen we die vraag proberen te beantwoorden en de lijn doortrekken naar onze eigen tijd.
Ethiek als zichtbare gestalte van het pelgrim-zijn
Zijn ethiek en pelgrimage elkaars tegenpolen? Het antwoord van Petrus is een overtuigend: nee.
Juist in 1 Petrus blijken ethiek en pelgrimage onlosmakelijk met elkaar verbonden te zijn. Vreemdelingschap leidt niet tot wereldvlucht, maar tot heiligheid. Pelgrimage is geen excuus om zich aan de samenleving te onttrekken, maar vormt juist de grondslag voor een leven dat zichtbaar anders is.
Omdat christenen vreemdelingen zijn, leven zij anders. Omdat hun burgerschap in de hemel ligt, wandelen zij anders op aarde. Hun heiligheid, hun goede werken, hun standvastigheid in het lijden en hun liefde tot de naaste zijn allemaal zichtbare uitingen van dezelfde werkelijkheid: zij behoren toe aan Christus.
Daarom kunnen we de centrale gedachte van 1 Petrus als volgt samenvatten: Ethiek is de concrete en zichtbare gestalte van het pelgrim-zijn.
Voor Petrus is een heilige levenswandel daarom geen aanvulling op het vreemdelingschap, maar de praktische uitwerking ervan. De vraag is niet óf christenen anders zullen leven, maar hoe dat anders-zijn zichtbaar wordt in hun dagelijks bestaan.
Dat maakt de brief van Petrus zo actueel. Hij roept christenen niet op om zich terug te trekken uit de samenleving, maar om juist midden in die samenleving te leven als mensen die hun diepste thuis elders hebben.
Vandaag de dag: wat betekent dit voor ons?
Uiteraard verschilt onze situatie op tal van punten van die van de eerste christenen in Klein-Azië. Wij leven in een samenleving waarin Bijbelse overtuigingen steeds minder vanzelfsprekend zijn.
De vraag die Petrus' lezers bezighield, is daarom nog steeds onze vraag: Hoe leven wij als burgers van Gods Koninkrijk midden in een cultuur die andere normen en waarden hanteert?
Hoewel wij in Nederland doorgaans niet te maken hebben met openlijke vervolging zoals veel christenen in andere delen van de wereld, ervaren ook wij dat de afstand tussen Bijbelse overtuigingen en maatschappelijke opvattingen groter wordt.
Op het gebied van huwelijk en seksualiteit, levenseinde, menselijke identiteit, gezag en waarheid worden christenen steeds vaker geconfronteerd met opvattingen die haaks staan op het onderwijs van de Schrift.
Juist daarom heeft de kerk de boodschap van 1 Petrus hard nodig. In het kort noem ik hier enkele punten uit deze boodschap: Gods trouw, onze identiteit en een leesbare brief van Christus zijn.
Gods trouw
Wanneer Petrus schrijft aan gemeenten die leven onder druk, begint hij niet bij de kracht van mensen, maar bij de trouw van God.
Dat geldt ook vandaag.
De omstandigheden veranderen, maar God verandert niet. De God Die Zijn kerk bewaarde onder Nero bewaart haar ook in de eenentwintigste eeuw. Zijn Koninkrijk wordt niet bedreigd door culturele verschuivingen, maatschappelijke ontwikkelingen of politieke veranderingen.
Dat betekent niet dat christenen onverschillig mogen zijn ten opzichte van wat er in de samenleving gebeurt. Wel betekent het dat onze hoop uiteindelijk niet rust op maatschappelijke invloed, politieke macht of culturele positie, maar op Gods onveranderlijke trouw.
Juist pelgrims weten dat hun toekomst niet wordt bepaald door de omstandigheden van vandaag, maar door de beloften van God.
Onze identiteit
Tegelijk confronteert Petrus ons met een indringende vraag:
Waar ligt ons thuis?
In zekere zin is ieder mens een vreemdeling. Van nature zijn wij vreemdelingen van God en van Zijn genade. Maar door de wederbarende werking van de Heilige Geest worden mensen juist vreemdelingen in deze wereld.
Dan verschuift het zwaartepunt van hun bestaan. Hun diepste burgerschap ligt niet langer in een aardse samenleving, maar in het Koninkrijk van God.
Daarom is de belangrijkste vraag niet of wij ons thuis voelen in deze wereld, maar of wij thuisgekomen zijn bij God.
Alleen wie zichzelf leert kennen als een verloren zondaar en door het geloof de toevlucht neemt tot Christus, ontdekt wat het betekent om opgenomen te worden in Gods huisgezin.
Hier ligt uiteindelijk het hart van Petrus' boodschap. Het gaat niet allereerst om een bepaalde levensstijl, maar om een nieuwe identiteit die voortvloeit uit de gemeenschap met Christus.
De bekende uitspraak ‘in de wereld, maar niet van de wereld’ kan gemakkelijk een cliché worden. Voor de eerste christenen was dit echter een werkelijkheid die vaak gepaard ging met smaad, uitsluiting en lijden.
Ook vandaag vraagt deze houding om bewuste keuzes.
De Heere Jezus heeft deze weg Zelf vóórgeleefd. Hij was de volmaakte Vreemdeling. Hij leefde midden tussen de mensen, maar liet Zich niet leiden door de geest van Zijn tijd. Zijn gehoorzaamheid aan de Vader bepaalde Zijn leven.
Wie Hem volgt, kan daarom niet volledig opgaan in de cultuur waarin hij leeft.
Dat betekent niet dat christenen zich hoogmoedig boven anderen verheffen of zich uit de samenleving terugtrekken. Integendeel. Juist omdat zij Christus volgen, behoren zij zich in te zetten voor het welzijn van hun naaste, voor recht en barmhartigheid en voor het goede van de samenleving.
Maar tegelijkertijd blijven zij beseffen dat hun hoogste loyaliteit niet ligt bij de cultuur, maar bij Christus.
Een leesbare brief van Christus zijn
Petrus roept christenen daarom niet op tot een verborgen bestaan. Hun leven moet zichtbaar zijn.
Dat roept indringende vragen op:
Merken mensen aan onze keuzes dat wij bij Christus horen?
Zijn wij bereid rekenschap af te leggen van de hoop die in ons is?
Is onze levenswandel een weerspiegeling van Gods genade?
Worden wij gekenmerkt door heiligheid, liefde en standvastigheid?
De wereld leest vaak eerder het leven van christenen dan de Bijbel zelf. Daarom behoren wij geen tegenstrijdige boodschap uit te dragen, maar een leesbare brief van Christus te zijn.
Dat betekent niet dat christenen volmaakt zijn. Ook pelgrims struikelen onderweg. Maar wel dat hun leven wordt gekenmerkt door bekering, afhankelijkheid van Gods genade en een verlangen om Christus te volgen.
Juist daarin ligt de kracht van een christelijk getuigenis.
Afsluiting
Het antwoord van Petrus is dus helder: ethiek en pelgrimage zijn geen concurrenten. De pelgrim trekt niet weg uit de wereld, maar leeft anders in de wereld. Zijn leven wijst vooruit naar het Koninkrijk dat komt.
Juist omdat christenen vreemdelingen zijn, worden zij geroepen tot een heilige levenswandel. Hun goede werken, hun standvastigheid onder druk, hun liefde tot de naaste en hun gehoorzaamheid aan God zijn allemaal zichtbare uitingen van hun burgerschap in Gods Koninkrijk.
Ethiek is daarom niet het alternatief voor pelgrimage, maar de concrete gestalte ervan.
Tegelijk ligt hierin ook een ernstige en persoonlijke vraag besloten: Bent u, ben ik, werkelijk een vreemdeling geworden? Bent u door het geloof verbonden aan Hem Die de Weg, de Waarheid en het Leven is?
Want uiteindelijk gaat het in 1 Petrus niet alleen over een christelijke levensstijl, maar over Christus Zelf.
Eens zal de pelgrimsreis ten einde zijn. Dan zal het geloof aanschouwen worden. Dan zal de strijd plaatsmaken voor de overwinning, het vreemdelingschap voor het eeuwige thuiszijn en de bruid haar Bruidegom ontmoeten.
Ik zou graag willen afsluiten met de zegenbede van Petrus:
„De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.”
(1 Petr. 5:10-11)
Gespreksvragen
1. Petrus deelt de ethiek op in onthouden van (1 Petr. 2:11) en goed handelen (1 Petr. 2:12). Waarom is het gevaarlijk als één van deze twee sporen onderbelicht blijft? Wat zouden de gevolgen hiervan kunnen zijn?
2. Petrus roept christenen op om midden in de wereld te leven en tegelijkertijd een andere identiteit te hebben. Op welke terreinen van werk, gezin, kerk of maatschappij ervaart u deze spanning (het sterkst)?
3. Welke keuzes, houdingen of levensgewoonten maken volgens u duidelijk dat christenen bij een ander Koninkrijk horen, terwijl zij toch betrokken blijven op de mensen om hen heen?
4. Wat kunnen wij leren van de manier waarop de eerste christenen omgingen met verdrukking en maatschappelijke weerstand? Welke aspecten van hun houding — zoals standvastigheid, zachtmoedigheid of heiligheid — zijn volgens u bijzonder relevant voor christenen in deze tijd?
5. Waar ligt volgens u de grootste uitdaging voor christenen die vandaag een heilige levenswandel willen leiden in een postchristelijke samenleving?
Literatuur
Achtemeier, P.J. 1 Peter: A Commentary on First Peter. Hermeneia. Minneapolis: Fortress Press, 1996.
Beale, G.K. A New Testament Biblical Theology: The Unfolding of the Old Testament in the New. Grand Rapids: Baker Academic, 2011.
Belder, J. 1 Petrus: Rondzendbrief Aan Vreemdelingen. Heerenveen: Groen, 1998.
Blomberg, Craig. From Pentecost to Patmos: Acts to Revelation an Introduction and Survey. Nottingham: Apollos, 2006.
Danker, F.W., Bauer, W., Arndt, W. A Greek-English Lexicon of the New Testament and Other Early Christian Literature. Chicago: University of Chicago Press, 2000.
Douma, J., Velema, W.H. Ethiek En Pelgrimage: Over De Bijbelse Vreemdelingschap. Ethisch Kommentaar. Amsterdam: Bolland, 1979.
Dowley, T. The History of Christianity. Oxford: Lion, 1990.
Elliott, J.H. 1 Peter: A New Translation with Introduction and Commentary. The Anchor Bible. Vol. 37B, New York: Doubleday, 2000.
———. A Home for the Homeless: A Sociological Exegesis of 1 Peter, Its Situation and Strategy. Philadelphia: Fortress Press, 1990.
English Standard Version Study Bible. Wheaton: Crossway, 2008.
Greijdanus, S. De Eerste Brief Van Den Apostel Petrus: Opnieuw Uit De Grondtekst Vertaald En Verklaard Door Dr. S. Greijdanus. Korte Verklaring Der Heilige Schrift. Kampen: Kok, 1950.
Hastings, A. A World History of Christianity. Grand Rapids, Mich.: W.B. Eerdmans, 1999.
Kohlbrugge, H.F. Een Koninklijke Troostbrief: Verklaring Van 1 Petrus 1-4. Kampen: De Groot Goudriaan, 2008.
Lalleman-de Winkel, H. Van Levensbelang: De Relevantie Van De Oudtestamentische Ethiek. Evangelicale Theologie. Zoetermeer: Boekencentrum, 1999.
Rushing, R. Voices from the Past: Puritan Devotional Readings. Vol. 1, Edinburgh: The Banner of Truth Trust, 2009.
Theological Dictionary of the New Testament. Edited by G. Kittel, Friedrich, G. Vol. V, Grand Rapids: Eerdmans, 2006.
Theological Dictionary of the New Testament. Edited by G. Kittel, Friedrich, G. Vol. II, Grand Rapids: Eerdmans, 2006.
Thielman, F. Theology of the New Testament: A Canonical and Synthetic Approach. Michigan: Zondervan, 2005.
Van Mourik, J. Het Vervulde Woord: Inleiding Op Het Nieuwe Testament. Cursus Godsdienst Onderwijs (Cgo). Apeldoorn: De Banier, 2020.
Volf, M. Exclusion and Embrace: A Theological Exploration of Identity, Alterity, and Reconciliation. Nashville: Abingdon Press, 1996.
Vreugdenhil, C.G. Petrus, De Apostel Der Hoop: 11 Preken over De Beide Petrusbrieven. Lelystad: Kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente, 1996.
[1] Bij de interpretatie van de eerste Petrusbrief is het belangrijk te beseffen dat de apostel Petrus zijn brief niet heeft opgebouwd vanuit één specifiek ethisch model, zoals de deontologie, het utilisme of de deugdethiek. Dat neemt echter niet weg dat elementen van deze drie ethische benaderingen in de brief herkenbaar aanwezig zijn.
[2] In het Hebreeuws wordt voor vreemdeling zijn het werkwoord Gûr gebruikt. Dit betekent zoveel als vreemdeling zijn, ronddwalen, ergens tijdelijk verblijven, maar ook verschrompelen en bang zijn.
